ECLI:NL:RBDHA:2020:3329
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure wegens niet-horen vreemdeling conform wettelijke voorschriften
De rechtbank heeft geoordeeld over het beroep van een vreemdeling tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in de grensprocedure. De maatregel werd opgelegd op 21 maart 2020 en de rechtbank stelde vast dat zij de vreemdeling niet heeft gehoord conform de voorgeschreven wijze zoals recentelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is aangegeven.
De rechtbank overwoog dat het horen van de vreemdeling in persoon of via telehoor-verbinding technisch en praktisch onmogelijk was vanwege de coronamaatregelen, maar dat zij onvoldoende inspanningen heeft verricht om alternatieven te onderzoeken. Hierdoor is de maatregel vanaf de datum sluiting onderzoek, 6 april 2020, onrechtmatig. De periode daarvoor werd als rechtmatig beoordeeld.
Verder wees de rechtbank de beroepsgronden af die stelden dat de maatregel op een onjuiste grondslag berustte, dat de rust- en voorbereidingstijd onrechtmatig werd verlengd, dat zicht op uitzetting ontbrak en dat lichtere middelen toegepast hadden moeten worden. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €400,- voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven met ingang van 10 april 2020 en aan eiser wordt een schadevergoeding van €400,- toegekend.