ECLI:NL:RVS:2018:1503
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over het moment van uitreizen van zeevarenden bij aanmonstering op zeeschip in zeehaven
In januari tot maart 2016 weigerde de Zeehavenpolitie Rotterdam uitreisstempels aan te brengen in paspoorten van vreemdelingen die als zeevarenden aanmonsterden op zeeschepen in de Rotterdamse haven, een buitengrens van het Schengengebied. De staatssecretaris verklaarde administratief beroepen van bedrijven niet-ontvankelijk en die van vreemdelingen ongegrond, stellende dat uitreizen pas plaatsvindt als het schip daadwerkelijk de haven verlaat met de zeevarenden aan boord.
De rechtbank oordeelde anders en stelde dat aanmonstering op een zeeschip in de haven al uitreizen is in de zin van artikel 11 van Pro de Schengengrenscode, en dat daarom uitreisstempels hadden moeten worden geplaatst. De staatssecretaris ging in hoger beroep, stellende dat de haven al buitengrens is en dat uitreizen pas is wanneer het schip de haven verlaat, en dat de uitzonderingen voor passagierende zeelieden niet van toepassing zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de Schengengrenscode en de Visumcode geen eenduidig antwoord geven op de vraag wanneer precies uitreizen plaatsvindt bij aanmonstering op een zeeschip in een zeehaven. Daarom heeft de Afdeling prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en de behandeling van de hoger beroepen geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen is geschorst en de zaak aangehouden in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de EU.