ECLI:NL:RBDHA:2018:4239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering vrijstelling leges verblijfsvergunning schrijnende omstandigheden
Eisers, een moeder en haar drie minderjarige kinderen met de Nigeriaanse nationaliteit, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de categorie 'overige humanitaire redenen'. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat eisers geen leges hadden betaald en niet konden aantonen dat zij in aanmerking kwamen voor vrijstelling wegens schrijnende omstandigheden. Eisers voerden aan dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had beoordeeld en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden, onder verwijzing naar 73 vergelijkbare zaken waarin wel vergunningen waren verleend.
De rechtbank overwoog dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van de discretionaire bevoegdheid en dat de brief van 21 februari 2007 slechts een richtsnoer is voor aanvragen na 18 maart 2005. De rechtbank vond dat verweerder terecht had geoordeeld dat de omstandigheden van eisers niet voldoende onderscheidend waren om vrijstelling toe te passen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de overgelegde minuten geanonimiseerd waren en geen volledig beeld gaven van de omstandigheden in die zaken.
Ook het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen omdat eisers geen nieuwe individuele omstandigheden hadden aangevoerd die niet reeds bekend waren. De rechtbank zag geen reden om de behandeling aan te houden in afwachting van andere zaken bij de rechtbank Amsterdam. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van vrijstelling van leges wordt ongegrond verklaard.