ECLI:NL:RVS:2016:1773
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens inroepen bescherming Azerbeidzjaanse autoriteiten
De vreemdeling uit Azerbeidzjan verkreeg in 2010 een verblijfsvergunning asiel na het overlijden van haar echtgenoot. Zij reisde in 2011, 2012 en 2013 met visa van de Azerbeidzjaanse ambassade naar Azerbeidzjan voor familiebezoeken en herdenkingen. De staatssecretaris trok haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in op grond van de eerste cessation clause, omdat zij de bescherming van haar land van herkomst opnieuw had ingeroepen.
De vreemdeling betwistte dit en voerde aan dat haar reizen niet gelijkstaan aan het inroepen van bescherming, en dat haar asielproblemen actueel zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de nationale wetgeving in lijn moet worden uitgelegd met de Kwalificatierichtlijn en het Vluchtelingenverdrag, en dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat aan de voorwaarden van de cessation clause is voldaan.
Ook de grief over het niet toekennen van een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden faalde. De medische en familiale omstandigheden van de vreemdeling rechtvaardigen volgens de Afdeling geen verblijfsvergunning. De rechtbank en de Afdeling vonden dat de staatssecretaris zijn beleidsruimte correct heeft benut.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.