ECLI:NL:RBDHA:2016:6281
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij gecombineerde hoorzitting WOZ-bezwaren
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de hoogte van de proceskostenvergoeding voor een gecombineerde hoorzitting in WOZ-bezwaren centraal. Eiser had beroepsmatig rechtsbijstand verleend op basis van een 'no cure no pay'-afspraak en stelde dat de forfaitaire vergoeding uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet mocht worden gematigd. Verweerder had de vergoeding verlaagd vanwege de korte duur van de hoorzitting en het gecombineerde karakter van de behandeling.
De rechtbank overwoog dat de forfaitaire regeling slechts terughoudend mag worden aangepast bij bijzondere omstandigheden, waarbij de vergoeding niet disproportioneel mag zijn ten opzichte van de werkelijk gemaakte kosten. De hoorzitting duurde vier uur en betrof 61 WOZ-objecten van verschillende belastingplichtigen, waarbij per object substantiële voorbereidingen waren getroffen. De rechtbank rekende een uurtarief van €250 inclusief btw als redelijke maatstaf.
De rechtbank concludeerde dat de forfaitaire vergoeding van €2.440 een te hoog uurtarief van €315 zou betekenen en matigde daarom de vergoeding voor de hoorzitting tot €1.600, oftewel €160 per zaak. Tevens oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van samenhangende zaken in de zin van het Bpb, omdat de werkzaamheden per zaak niet nagenoeg identiek waren. De beroepen werden gegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank matigt de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting tot €160 per zaak wegens bijzondere omstandigheden.