ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6983
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid navorderingsaanslagen en immateriële schadevergoeding in KB Lux-zaak
Eiser werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1996 vanwege een buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (KB Lux). De Belastingdienst legde deze aanslagen op met toepassing van de verlengde navorderingstermijn en verhoogingen, waarvan een deel werd kwijtgescholden. Eiser stelde dat de aanslagen niet voortvarend waren opgelegd en vorderde vernietiging, immateriële schadevergoeding en proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder na ontvangst van de benodigde bankgegevens van eiser in februari 2003 binnen drie maanden de navorderingsaanslagen oplegde, wat gelet op de complexiteit en zorgvuldigheid als voldoende voortvarend werd beoordeeld. De opgelegde verhogingen werden passend geacht, mede gezien het bewust niet opnemen van buitenlandse tegoeden door eiser.
De procedure duurde echter ruim negen jaar, waarbij de bezwaarfase mede werd opgeschort in verband met een proefprocedure. Na verrekening van deze aanhouding bleef een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer één jaar over, die volledig aan de Belastingdienst werd toegerekend. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000. De beroepen werden verder ongegrond verklaard en een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen zijn voldoende voortvarend opgelegd, beroepen ongegrond, maar verweerder veroordeeld tot €1.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.