ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0850
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terbeschikkingstellingsverlies bij mede-aansprakelijkheid groot-aandeelhouder na faillissement BV
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote, was voor 50% aandeelhouder van een BV die in 1999 een lening van f 600.000 aanging waarbij zij hoofdelijk aansprakelijk waren. In 2001 ging de BV failliet en werd zij ontbonden. In 2002 betaalden belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk € 271.372 aan de bank ter zake van deze schuld.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende reeds bij het aangaan van de lening een regresvordering op de BV verkrijgt onder de opschortende voorwaarde dat hij betaalt. Pas in 2002, het jaar van betaling, ontstaat het negatieve resultaat uit werkzaamheid omdat dan de opschortende voorwaarde vervuld wordt en de regresvordering feitelijk ontstaat.
De ontbinding van de BV in 2001 staat niet aan het ontstaan van de terbeschikkingstelling in de weg, omdat de vereffening kan worden heropend. Het niet daadwerkelijk heropenen van de vereffening doet niet af aan het bestaan van het terbeschikkingstellingsverlies in 2002.
Verder kan de regresvordering in 2002 op de openingsbalans worden gewaardeerd op de nominale waarde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; het terbeschikkingstellingsverlies ontstaat in 2002 bij betaling door de mede-aansprakelijke.