ECLI:NL:PHR:2012:BT2202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanvang terbeschikkingstelling bij borgtocht en verlies op regresvordering
Belanghebbende stelde zich borg voor de schulden van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had. Hij leed een verlies op een regresvordering die voortvloeide uit deze borgstelling. De Inspecteur hield bij de aanslag geen rekening met dit verlies, waarna belanghebbende bezwaar maakte en beroep instelde.
De Rechtbank wees het beroep af, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en stelde het verlies op de regresvordering in aanmerking bij de belastingheffing. De Staatssecretaris en belanghebbende stelden cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de borgtocht pas leidt tot terbeschikkingstelling van vermogen op het moment dat de borg daadwerkelijk wordt aangesproken en een regresvordering ontstaat. Het louter aangaan van een borgtocht leidt niet tot terbeschikkingstelling. De waardevermindering van de regresvordering maakt deel uit van het resultaat uit overige werkzaamheden, maar kan pas worden toegerekend vanaf het moment van daadwerkelijke aansprakelijkheid. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd gegrond verklaard, dat van belanghebbende ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat terbeschikkingstelling bij borgtocht pas aanvangt bij daadwerkelijke aansprakelijkheid en ontstaan van de regresvordering, niet bij het aangaan van de borgtocht.