ECLI:NL:RBAMS:2026:83

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25 / 1752
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 23 Richtlijn (EU) 2019/1937Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen besluit bij weigering onderzoek Huis voor Klokkenluiders naar omgevingsdienst

Eiser verzocht het Huis voor Klokkenluiders om een onderzoek in te stellen naar vermeende misstanden bij een omgevingsdienst. Het Huis gaf bij brief aan geen onderzoek te zullen instellen, omdat eiser niet als melder in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders wordt aangemerkt. Eiser maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

De rechtbank bevestigt dat een besluit volgens artikel 1:3 Awb Pro een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan moet zijn die gericht is op rechtsgevolgen, zoals het wijzigen van rechten of plichten. De mededeling dat geen onderzoek wordt ingesteld, is een feitelijke mededeling zonder rechtsgevolgen en vormt daarom geen besluit. Dit oordeel wordt ondersteund door eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis van de Wet Huis voor Klokkenluiders.

Eiser stelde dat de brief wel rechtsgevolgen heeft, onder meer omdat hij bescherming als melder zou genieten en omdat het recht op onderzoek zou bestaan. De rechtbank wijst dit af: bescherming is verbonden aan het doen van een melding, niet aan het starten van een onderzoek, en er bestaat geen recht op onderzoek. Ook het beroep op artikel 23 van Pro de Richtlijn EU 2019/1937 faalt omdat deze bepaling alleen sancties betreft en niet de vraag of een onderzoek wordt ingesteld.

De rechtbank concludeert dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter K.M.A. van der Heijden op 13 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/1752

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het Huis voor Klokkenluiders, verweerder

(gemachtigden: mrs. T. Gillhaus en E.W.V. Stevens).

Procesverloop

1. Eiser heeft verweerder verzocht om een onderzoek in te stellen naar misstanden bij een omgevingsdienst. Bij brief van 25 februari 2025 (de brief) heeft verweerder meegedeeld geen onderzoek in te stellen.
2. Met een besluit van 10 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van verweerder en mevrouw [persoon] , juridisch medewerker bij verweerder.

Beoordeling van de rechtbank

5. Eiser heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan. [1] In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door partijen is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor haar oordeel.
6. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de brief van 25 februari 2025 een besluit?
8. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft op 9 februari 2025 verweerder verzocht om een onderzoek in te stellen naar een omgevingsdienst. Volgens eiser blijkt uit een aantal lokale nieuwsbrieven dat er sprake is van problemen bij deze omgevingsdienst die onderzoek behoeven. Verweerder heeft eiser in de brief laten weten dat zij in dit geval niet bevoegd is om een onderzoek in te stellen, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als een melder in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders.
9. Het bezwaar dat eiser tegen deze brief heeft gemaakt, heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens verweerder zijn aan de brief namelijk geen rechtsgevolgen verbonden. Eiser weerspreekt het standpunt van verweerder: volgens hem zijn er wél rechtsgevolgen verbonden aan de brief.
10. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat betekent dat zo’n beslissing alleen een besluit is als deze gericht is op een rechtsgevolg. Dit is het geval als een beslissing iets verandert in de rechten en/of plichten van degene tot wie de beslissing is gericht. [2]
11. De rechtbank oordeelt dat de mededeling in de brief dat geen onderzoek zal plaatsvinden naar een omgevingsdienst geen besluit is. De beslissing om geen onderzoek te doen is niet gericht op een rechtsgevolg. Hierdoor ontstaan geen bevoegdheden, rechten of verplichtingen voor eiser of anderen, en evenmin worden deze tenietgedaan. Het is een mededeling waaruit blijkt dat geen feitelijke handeling zal plaatsvinden. Steun voor dit oordeel volgt uit verschillende rechterlijke uitspraken. Uit deze uitspraken blijkt dat een beslissing om al dan niet een onderzoek in te stellen geen besluit is waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat, maar een mededeling waaruit blijkt dat geen feitelijke handeling zal plaatsvinden. [3]
12. Daar komt bij dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet Huis voor Klokkenluiders (Wet Huis) valt te af te leiden dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt dergelijke mededelingen niet als besluit aan te merken:
“Artikel 3a Wet Huis wordt om verschillende redenen aangepast. (...) In het derde lid, onderdeel a, wordt «het beoordelen of het verzoekschrift ontvankelijk is» gewijzigd in «het beoordelen of het verzoek in behandeling kan worden genomen». Hiermee wordt beoogd de onduidelijkheid weg te nemen dat de beoordeling van het verzoek [om onderzoek te doen] een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zou kunnen zijn, hetgeen niet het geval is.” [4]
13. De stelling van eiser dat het rechtsgevolg van de brief zou zijn dat verweerder verplicht is om na een melding een onderzoek in te stellen, volgt de rechtbank niet. Gelet op de wetsgeschiedenis bestaat er geen recht op onderzoek door verweerder:

Het huis voor klokkenluiders is een voorziening. Het heeft tot doel klokkenluiders te beschermen en maatschappelijke misstanden te onderzoeken. Een onderzoek door het Huis is geen recht: een verzoeker kan het Huis niet opdragen een onderzoek te doen. Tegen een besluit van het Huis om geen onderzoek in te stellen is daarom geen beroep mogelijk.” [5]
Door geen onderzoek in te stellen, wordt dan ook geen recht ontnomen en wordt geen verplichting of bevoegdheid aangetast.
14. Daarnaast stelt eiser dat hij als melder bescherming geniet gedurende het onderzoek van verweerder en dat dit een rechtsgevolg is. Voor zover deze bescherming al een rechtsgevolg is, hangt deze niet af van de beslissing of verweerder al dan niet een onderzoek start. Zoals verweerder tijdens de zitting heeft toegelicht, is deze bescherming verbonden aan het doen van een melding, niet aan het starten van een onderzoek.
15. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
Kan de brief van 25 februari 2025 worden gelijkgesteld met een besluit?
Kan eiser een beroep doen op artikel 23 van Pro de Richtlijn [6] ?
16. Eiser voert aan dat de conclusie uit de brief - dat de afwijzing van het verzoek om onderzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb - in strijd is met artikel 23 van Pro de Richtlijn. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking, en indien dat niet het geval zou zijn, moet het in ieder geval richtlijnconform worden uitgelegd.
17. Artikel 23 van Pro de Richtlijn verplicht lidstaten “doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties” vast te stellen tegen natuurlijke of rechtspersonen die onder andere een melder belemmeren. Omdat deze bepaling uitsluitend op sancties ziet en geen betrekking heeft op de vraag of een onderzoek wordt ingesteld, is zij in deze zaak niet van toepassing. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling of dit artikel richtlijnconform moet worden uitgelegd of rechtstreekse werking heeft.
Is de brief een weigering om een besluit te nemen?
18. Eiser stelt daarnaast dat de brief met de beslissing om geen onderzoek in te stellen moet worden aangemerkt als een weigering om een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.
18. De rechtbank overweegt dat op grond van deze bepaling voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep de schriftelijke weigering om een
besluitte nemen, met een besluit wordt gelijkgesteld. Maar ook bij zulke geweigerde besluiten, moet het gaan om besluiten die - als ze wel zouden zijn genomen - besluiten zijn in de zin van de Awb. Zoals hierboven is overwogen, is de mededeling om al dan niet een onderzoek in te stellen niet zo een besluit. Zelfs als er wel een onderzoek zou zijn ingesteld, kan de mededeling niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Er is in dat geval ook geen sprake van een rechtsgevolg.
20. Omdat de mededeling tot het doen van een onderzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, is het bepaalde in artikel 6:2 van Pro de Awb niet van toepassing.
Is eiser een effectieve rechtsbescherming ontzegd?
21. Eiser betoogt dat er onvoldoende rechtsbescherming is voor hem en anderen in een vergelijkbare situatie als dit soort mededelingen niet als besluiten in de zin van de Awb worden beschouwd. Als de melding dat er geen onderzoek zal plaatsvinden, niet als een besluit wordt aangemerkt, kan een rechterlijke instantie deze beslissing niet onafhankelijk beoordelen. Dit is in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM [7] , omdat het recht op een eerlijk proces en toegang tot de rechter hierdoor wordt beperkt.
22. De rechtbank overweegt dat rechtsbescherming tegen feitelijke handelingen en besluiten die niet onder de bepalingen van de Awb vallen, wordt gewaarborgd door de burgerlijke rechter. Dit betekent dat mensen nog steeds toegang hebben tot de rechter en een effectieve mogelijkheid hebben om hun rechten te laten beschermen.
Moet verweerder nog reageren op de inhoudelijke gronden van eiser?
23. Verweerder heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Verweerder hoefde daarom niet in te gaan op de inhoudelijke gronden van eiser in het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van de Kar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep van 15 november 2022. ECLI:NL:CBB:2022:754, en het College van het Beroep voor het bedrijfsleven van 5 december 2023, ECLI:NL:CBB:2023:673.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2441, de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland, van 18 juli 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3795, de uitspraak de rechtbank Gelderland, van 25 april 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2102 en de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, 19 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3504.
4.Zie Kamerstukken II, 2020/2021, 35 851, nr. 3, p. 85.
5.Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 258, nr. 9, p. 12.
6.Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.
7.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.