ECLI:NL:RBAMS:2026:7574

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/13/769919
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over beroepsaansprakelijkheid advocaat in procedure tegen Triodos

De zaak betreft een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tussen een advocatenkantoor en haar cliënt, die schade leed door waardedaling van Triodos-certificaten. De cliënt verwijt de advocaat een verkeerde processtrategie te hebben gevoerd in de procedure tegen Triodos, met name het niet tijdig aanvoeren van een belangrijke garantie over de intrinsieke waarde van de certificaten.

De rechtbank oordeelt dat de klachtplicht niet is geschonden omdat de cliënt pas in april 2025, na beoordeling van het procesdossier door een juridisch adviseur, tijdig heeft geklaagd over de werkzaamheden en declaraties van de advocaat. De rechtbank stelt het toetsingskader voor beroepsfouten vast en beoordeelt dat geen sprake is van beroepsfouten in de schadestaatprocedure.

Echter, over de vraag of het niet eerder en nadrukkelijker aanvoeren van de garantie een beroepsfout oplevert en of dit tot een ander resultaat had kunnen leiden, is nader debat nodig. Partijen krijgen de gelegenheid zich hierover uit te laten. De beslissing over de declaraties wordt aangehouden in afwachting van dit debat.

Uitkomst: Beslissing aangehouden voor nader debat over mogelijke beroepsfout omtrent niet tijdig aanvoeren van garantie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769919 / HA ZA 25-1099
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] (of mr. [naam 1] ),
advocaat: mr. [naam 2] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en samen [gedaagden] ,
advocaat: mr. M. Littooij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 mei 2025,
- de akte inbreng producties van 28 mei 2025 van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties,
- de antwoordakte eisvermeerdering van 3 december 2025,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is het advocatenkantoor van mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
2.2.
[gedaagde 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] .
2.3.
[gedaagden] heeft in 2011 ongeveer € 2,6 miljoen belegd in certificaten van Triodos Bank (hierna: ‘Triodos’ en ‘de certificaten’). In 2021 heeft Triodos – kort gezegd – besloten om de handel in de certificaten op te schorten en te verplaatsen naar een alternatief handelsplatform. De koers van de certificaten is daarna sterk gedaald. Voor een volledig overzicht van de gebeurtenissen rondom de certificaten van Triodos wordt verwezen naar de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2024 en 12 november 2025. [1]
2.4.
Begin 2022 heeft [gedaagden] mr. [naam 1] ingeschakeld om hem bij te staan in een mogelijke procedure tegen Triodos over de waardedaling van zijn certificaten. Daarvoor is [gedaagden] een overeenkomst van opdracht aangegaan met het kantoor waar mr. [naam 1] tot eind 2022 aan was verbonden, de maatschap [bedrijf] .
2.5.
Op 19 april 2022 heeft [gedaagde 2] mr. [naam 1] per e-mail onder meer het volgende bericht:
“Belangrijkste getuige voor ons lijkt mij [naam 3] , in die zin dat hij na zijn vertrek dingen heeft verteld waaruit blijkt dat ik niet correct ben geadviseerd (…).
(…)
Ook is vanaf de eerste gesprekken altijd verteld dat de waarde van de certificaten alleen maar gebaseerd zou zijn op de INTRINSIEKE waarde van de bank. Nooit tot stand zou komen door sentiment of doordat de bank zijn eigen handelsplatform niet goed kon laten functioneren.
(…)
Eigenlijk zijn er dus 2 verwijten naar de bank toe:
1. Ze hebben me nooit ontraden, zelfs steeds verleid om in één product, en dan ook nog es hun eigen bedrijf, te beleggen.
2. Ze hebben me nooit volledig ingelicht over de risico’s van het markt systeem waarop hun certificaten verhandeld worden. Een mogelijke extreem lange sluiting van 3 tot 4 jaar was nooit met mij gecommuniceerd, en de waarde van hun product zou uitsluitend bepaald worden door de INTRINSIEKE waarde van de bank (…) Gerommel met hun systeem en hun opportunistische poging deze weer vlot te proberen te trekken door het aandeel los te laten in het wild, door de waardebepaling te laten gebeuren door de certificaathouders onderling met elkaar te laten stoeien. Als ze me destijds deze informatie hadden meegedeeld had ik zelfs niet eens voor een klein deel hierin belegd, laat staan volledig.
Wellicht is dit laatste nog belangrijker dan we zelf aanvankelijk dachten (…) Immers, al zou ik zelf verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor het volledig willen beleggen in certificaten, dan nog geldt dat zij mij voortdurend iets niet hebben verteld, namelijk dat de waarde van het aandeel zomaar ineens op een andere manier bepaald zou kunnen worden dan afgesproken en dat het aandeel zomaar ineens 3 tot 4 jaar niet verhandelbaar zou kunnen zijn. Dat is heel iets anders dan wat ze altijd zeiden, namelijk dat de waarde altijd bepaald zou worden door de INTRINSIEKE waarde van de bank (…).”
2.6.
Op 21 februari 2023 is [gedaagden] , bijgestaan door mr. [naam 1] , bij de rechtbank Midden-Nederland een bodemprocedure gestart tegen Triodos.
2.7.
Toen mr. [naam 1] niet langer verbonden was aan [bedrijf] , heeft hij op 10 maart 2023 namens [eiser] een (nieuwe) overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagden] (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat voor zover relevant het volgende:
“Uit te voeren werkzaamheden
Voor u procedeer ik tegen Triodos Bank om voor u vergoeding te verkrijgen voor het verlies dat u hebt geleden door de onzorgvuldige advisering van Triodos Bank.
Honorarium
(…) Het door mij gehanteerde uurtarief in deze zaak bedraagt € 425,- per uur exclusief BTW.
(…)
De aansprakelijkheid van [eiser] en haar medewerkers is beperkt tot het
bedrag dat in geval van aansprakelijkheid door onze beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitgekeerd, en indien geen uitkering mocht plaatsvinden tot € 5.000,-. (…)”
2.8.
In de overeenkomst zijn de bijgevoegde algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden staat voor zover relevant:
“7. Door [eiser] in te schakelen derden zullen, indien redelijkerwijs mogelijk, na overleg met de opdrachtgever en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, worden uitgekozen. (…)”
2.9.
Op 12 juli 2023 heeft op verzoek van [gedaagden] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden bij de rechtbank Midden-Nederland. Daarbij werden [gedaagde 2] en zijn voormalig accountmanager bij Triodos, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), als getuigen gehoord.
2.10.
Op 2 november 2023 heeft de mondelinge behandeling in de bodemprocedure plaatsgevonden tussen [gedaagden] en Triodos. In de spreekaantekeningen die mr. [naam 1] ter zitting heeft voorgedragen staat voor zover relevant het volgende:

Nader bewijsaanbod
24. Ná het getuigenverhoor op 12 juli 2023 heeft voormalig Triodos accountmanager [naam 3] contact opgenomen met de heer [gedaagde 2] en gezegd dat hij hem nog een keer wenste te spreken. Op 2 augustus 2023 heeft dat gesprek plaats gevonden. (…) Uit dat gesprek blijkt dat:
- [naam 3] zelf voor 100% geloofde dat de certificaten een zeer veilige belegging waren, dat de koers uitsluitend gebaseerd zou worden op basis van de werkelijke onderliggende waarde, dat de bank garandeerde te allen tijde binnen een week alles weer terug te kopen, dat er nooit een openbare handelsmarkt zou komen met vraag en aanbod;
- (…)
25. Aangezien voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2023, dus ná het getuigenverhoor op 12 juli 2023, en aangezien hetgeen [naam 3] ná het getuigenverhoor heeft verklaard, essentieel is voor deze procedure, biedt [gedaagden] bewijs aan van hetgeen in het verslag d.d. 2 augustus 2023 is vermeld, door het aanvullend doen horen van [naam 3] als getuige. [naam 3] is bereid hetgeen hij aanvullend aan [gedaagden] heeft verklaard, onder ede te verklaren.”
2.11.
Bij vonnis van 27 maart 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat Triodos haar zorgplicht heeft geschonden door [gedaagden] onvoldoende te waarschuwen voor de risico’s van zijn eenzijdige belegging in de certificaten (hierna: het eindvonnis). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat Triodos de als gevolg van deze normschending de geleden en nog te lijden schade van [gedaagden] moet vergoeden, en heeft vervolgens de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen. [2]
2.12.
[eiser] heeft [gedaagden] na het eindvonnis ook bijgestaan in de daaropvolgende schadestaatprocedure, die op 22 juli 2024 is ingeleid met een dagvaarding.
2.13.
Eind 2024 heeft mr. [naam 1] mr. dr. L. Reurich (hierna: Reurich) ingeschakeld om een opinie te schrijven ten behoeve van de schadestaatprocedure. Nadat de rechtbank de als aanvullende productie ingediende opinie van Reurich had geweigerd, heeft mr. [naam 1] de opinie verwerkt in de spreekaantekeningen die hij op 13 maart 2023 ter zitting heeft voorgedragen.
2.14.
Bij tussenvonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat zij voornemens is de vorderingen van [gedaagden] af te wijzen. [3] Daartoe overwoog de rechtbank onder meer het volgende:

Een mogelijk denkbaar ander scenario
4.14.
Zoals hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de omstandigheid dat op basis van de stellingen van [gedaagden] de schade – zoals die nu is gevorderd – niet kan worden toegewezen. De namens [gedaagden] aangedragen hypothetische scenario’s zijn niet plausibel geworden, terwijl [gedaagden] tegelijkertijd ook de door Triodos Bank voorgestelde alternatieve schadeberekening van de hand heeft gewezen. (…) Dit betekent kort gezegd dat, door de stellingen die [gedaagden] zelf heeft ingenomen, op dit moment geen enkel reëel scenario is vast te stellen op grond waarvan (een begin van) een schadeberekening kan worden gemaakt. Dit terwijl de rechtbank zoals overwogen het – ten minste – waarschijnlijk vindt dat [gedaagden] wel degelijk schade heeft geleden als gevolg van de normschending. Mede uit proceseconomische overwegingen, geeft de rechtbank partijen in overweging na te denken over het mogelijk scenario dat [gedaagden] zijn vermogen als volgt had belegd:
 1/3 in Certificaten,
 1/3 in onroerend goed, en
 1/3 in liquide middelen.
Dit scenario ligt in tussen de door partijen aangedragen scenario’s en sluit beter aan op het handelen van [gedaagde 2] en hetgeen [gedaagde 2] heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor van 12 juli 2023 en de mondelinge behandeling van 13 februari 2025.
(…)
De rechtbank biedt partijen, met het voorgaande in gedachte en vanuit proceseconomische overwegingen, de mogelijkheid om (alsnog) een minnelijke regeling te beproeven.”
2.15.
Na het tussenvonnis heeft mr. J. de Jong van advocatenkantoor Pels Rijcken (hierna: mr. De Jong) mr. [naam 1] op zijn verzoek geadviseerd over de vervolgstrategie in de schadestaatprocedure.
2.16.
Op een zeker moment is [gedaagden] benaderd door [naam 4] (hierna: [naam 4] ), die als juridisch adviseur is verbonden aan Stichting Triodos Tragedie (hierna: STT). Deze stichting komt op voor een groep van ongeveer 1200 certificaathouders en heeft schadevergoeding gevorderd van Triodos in een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland die op dat moment nog aanhangig was.
2.17.
Op 14 april 2025 heeft [gedaagden] [eiser] per e-mail bericht dat hij zijn procedure tegen Triodos wil laten voortzetten door de juristen van STT. Twee dagen later, op 16 april 2025, heeft [eiser] de beëindiging van de opdrachtrelatie aan [gedaagde 2] bevestigd.
2.18.
Op 25 april 2025 heeft [eiser] op verzoek van [gedaagden] het procesdossier aan mr. Littooij toegezonden, een van de advocaten die STT bijstaat in de procedure tegen Triodos.
2.19.
Op 2 mei 2025 heeft [eiser] een slotdeclaratie aan [gedaagden] gestuurd voor de maanden januari tot en met april 2025 ter hoogte van € 44.104,29 inclusief btw.
2.20.
Bij brief van 8 mei 2025 heeft [naam 4] namens [gedaagden] aan [eiser] geschreven dat [gedaagden] de declaratie van 2 mei 2025 niet zal voldoen, omdat [eiser] tekortgeschoten is in de uitvoering van de overeenkomst tot juridische dienstverlening. In de brief heeft [naam 4] een aantal verwijten toegelicht.
2.21.
Nadat [eiser] [gedaagden] om bevestiging van de standpunten van [naam 4] had gevraagd, heeft [gedaagden] op 13 mei 2025 aan [eiser] per e-mail bericht dat hij de factuur nog even wil aanhouden. Vervolgens heeft [eiser] [gedaagden] op 19 mei 2025 gedagvaard.
2.22.
In een declaratie van 7 juli 2025 heeft [eiser] een factuur van mr. De Jong ter hoogte van € 1.507,91 doorbelast aan [gedaagden] . [naam 4] heeft [eiser] namens [gedaagden] bericht dat hij deze declaratie niet zal betalen.
2.23.
Bij vonnis van 12 november 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland in de onder 2.16 bedoelde procedure geoordeeld dat STT geen recht heeft op schadevergoeding van Triodos (hierna: het STT-vonnis). [4] STT is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.
2.24.
[gedaagden] heeft uiteindelijk naar aanleiding van het tussenvonnis in de schadestaatprocedure een schikking getroffen met Triodos.
declaraties
2.25.
[eiser] heeft tussen 2023 en 2025 de volgende declaraties gestuurd voor salaris, verschotten en kosten van derden (inclusief btw):
07-02-2023 € 18.886,59
01-03-2023 € 7.405,20
06-04-2023 € 438,62
02-05-2023 € 1.597,20
21-08-2023 € 10.932,35
15-11-2023 € 37.249,03
11-04-2024 € 16.339,54
11-04-2024 € 6.521,90
11-11-2024 € 7.084,55
06-01-2025 € 10.902,10
29-01-2025 € 8.654,39
03-03-2025 € 16.052,16
02-05-2025 € 44.104,29
07-07-2025 € 1.507,91
2.26.
[gedaagden] heeft alle declaraties betaald met uitzondering van declaraties nr. 13 en 14 (dit zijn de declaraties genoemd onder 2.19 en 2.22).

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
  • € 44.104,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2025,
  • € 1.507,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025,
  • € 1.139,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2025,
  • de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen kort gezegd ten grondslag dat [gedaagden] de laatste twee declaraties ten onrechte niet heeft betaald.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten met rente.
in reconventie
3.4.
[gedaagden] vordert na eisvermindering – samengevat en naar de rechtbank begrijpt – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. de gehele overeenkomst tussen [gedaagden] en [eiser] ontbindt, althans de overeenkomst ontbindt voor zover dat de (wijze van) uitvoering van de schadestaatprocedure betreft, althans de overeenkomst ontbindt ten aanzien van de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en gefactureerd in declaraties 6 t/m 14 en bepaalt dat dat de waarde van de prestatie van [eiser] € 43.000 exclusief btw plus het griffierecht (€ 676) en de deurwaarderskosten (€ 104,02) van de eerste procedure bedraagt, en
-
primair
[eiser] veroordeelt om in het kader van ongedaanmaking van onverschuldigd verrichte prestaties € 125.968,59 aan [gedaagden] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025,
-
subsidiair
in goede justitie de waarde vaststelt die de prestatie van [eiser] voor [gedaagden] in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad, door het vaststellen van het bedrag dat in redelijkheid en billijkheid voor de verrichte werkzaamheden, waarvan de juridische grondslag is ontbonden, door [gedaagden] is verschuldigd met veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van hetgeen [gedaagden] daarboven reeds heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025,
2. [eiser] veroordeelt tot betaling van € 1.996.235 aan schadevergoeding, te verminderen met het bedrag dat Triodos op basis van de gesloten schikking heeft betaald aan [gedaagden] , het saldo te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025.
3.5.
[gedaagden] legt aan zijn vorderingen kort gezegd ten grondslag dat [eiser] tekortgeschoten is in de behandeling van zijn geschil met Triodos. [eiser] heeft in de eerste procedure gekozen voor een verkeerde juridische strategie. Daarna heeft [eiser] in de schadestaatprocedure de schadeberekeningen niet adequaat opgesteld en de expertise van Reurich te laat ingezet. Tot slot heeft [eiser] excessief gedeclareerd en is voor enkele declaratieposten geen opdracht gegeven. Vanwege de beroepsfouten van [eiser] hoeft [gedaagden] de in conventie gevorderde declaraties niet te betalen en heeft hij juist recht op (gedeeltelijke) terugbetaling van de reeds betaalde declaraties. Ook heeft [gedaagden] vanwege de beroepsfouten recht op schadevergoeding, aldus steeds [gedaagden] .
3.6.
[eiser] betwist dat hij een onjuiste strategie heeft gehanteerd in de eerste procedure, onjuiste schadeberekeningen heeft opgesteld en excessief heeft gedeclareerd. Ook heeft [gedaagden] niet op tijd geklaagd over de werkzaamheden en declaraties van [eiser] . [eiser] heeft dan ook geen beroepsfouten gemaakt die een (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst of schadevergoeding rechtvaardigen. Tot slot heeft [gedaagden] geen schade geleden, aldus steeds [eiser] . [eiser] concludeert dus tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten met rente.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Bij de beoordeling komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:
  • het beroep op de klachtplicht;
  • de eerste procedure;
  • de schadeschadestaatprocedure;
  • de declaraties van [eiser] .
beroep op de klachtplicht
juridisch kader
4.2.
De kern van het geschil is de vraag of [eiser] beroepsfouten heeft gemaakt (is tekortgeschoten) in de wijze waarop hij [gedaagden] heeft bijgestaan in zijn geschil met Triodos. Bovendien verwijt [gedaagden] [eiser] dat hij excessief heeft gedeclareerd. Het meest verstrekkende verweer van [eiser] is dat [gedaagden] te laat heeft geklaagd, en daarmee de klachtplicht van artikel 6:89 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) heeft geschonden.
4.3.
De klachtplicht houdt in dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. De ratio van de klachtplicht is dat de schuldeiser wordt beschermd tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dat met spoed aan de schuldenaar meedeelt.
4.4.
Bij beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd, is van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. Daarbij moet rekening worden gehouden met enerzijds het ingrijpende gevolg voor de schuldeiser dat zijn rechten komen te vervallen en anderzijds de belangen van de schuldenaar, zoals benadeling van bewijspositie en aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken vormt een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. [5]
geen schending klachtplicht
4.5.
Niet in geschil is dat [gedaagden] tot april 2025 niet over de werkzaamheden van [eiser] heeft geklaagd en de declaraties zonder protest heeft voldaan. In april 2025 heeft [naam 4] – kennelijk naar aanleiding van het tussenvonnis in de schadestaatprocedure – [gedaagden] gewezen op mogelijke fouten van [eiser] . Daarna hebben [naam 4] en mr. Littooij de zaak overgenomen en op 25 april 2025 de beschikking gekregen over het procesdossier. Vervolgens heeft ( [naam 4] namens) [gedaagden] in de brief van 8 mei 2025 voor het eerst geklaagd over de werkzaamheden van [eiser] .
4.6.
Aldus heeft [gedaagden] tijdig geklaagd. Hierbij is van belang dat het gaat om de verhouding tussen een advocaat en zijn cliënt, waarbij het verschil in kennis over de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden en de tijdsbesteding daarvoor aanzienlijk is, en de cliënt bovendien enige tijd toekomt om de werkzaamheden van de advocaat te (laten) beoordelen.
4.7.
[gedaagden] kon nog niet op de hoogte zijn van (mogelijke) fouten door [eiser] totdat hij het procesdossier had laten beoordelen door [naam 4] en mr. Littooij. Vervolgens heeft [gedaagden] snel daarna, op 8 mei 2025, geklaagd, en dat is binnen bekwame tijd. Dat [naam 4] [gedaagden] wellicht al eerder dan april 2025 had gewaarschuwd om in te zetten op een andere juridische strategie, zoals [eiser] aanvoert, maakt dat niet anders. [gedaagden] – die niet juridisch onderlegd is – had immers een veroordelend vonnis gekregen na de eerste procedure. Tot aan het tussenvonnis in de schadestaatprocedure had hij dus ook geen reden om te twijfelen aan de kwaliteit van de werkzaamheden van [eiser] . Verder heeft [eiser] niet gesteld dat hij nadeel lijdt door het late tijdstip waarop [gedaagden] heeft geklaagd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Bij deze stand van zaken is de conclusie dat het beroep op de klachtplicht faalt.
toetsingskader beroepsaansprakelijkheid advocaten
4.8.
Of sprake is van een beroepsfout van een advocaat, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van het criterium of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. [6] Daarbij geldt dat minder snel aansprakelijkheid wordt aangenomen bij suboptimaal procederen dan bij bijvoorbeeld het laten verstrijken van een beroepstermijn. Bij suboptimaal procederen moet het optreden duidelijk ondermaats zijn. Voorts geldt dat een ongewenste of onverwachte uitkomst in een procedure niet zonder meer betekent dat daaraan een fout van de advocaat ten grondslag ligt. Bepalend is of het handelen van de advocaat op het moment van handelen in strijd was met de beroepsnorm. [7] Bij de beoordeling van een gevoerde processtrategie gaat het er niet om of een andere processtrategie beter was geweest, maar of een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat de gevoerde processtrategie ook had kunnen voeren. Hierna zal de rechtbank achtereenvolgens de beroepsfouten die [eiser] volgens [gedaagden] zou hebben gemaakt in de eerste procedure en de schadestaatprocedure bespreken.
de eerste procedure
inleiding
4.9.
[gedaagden] stelt in de dagvaarding dat [eiser] een verkeerde juridische strategie heeft gekozen door te focussen op de zorgplichtschending van Triodos (het nalaten te waarschuwen voor de eenzijdige belegging in certificaten). [eiser] had de vordering moeten baseren op: (i) de schending van de ‘essentialia’ van de certificaten en (ii) het achterhouden van de ‘2017-kennis’. Door de strategie die [eiser] heeft gekozen berust het eindvonnis op een veel te smalle basis voor aansprakelijkheid. Daardoor kwam een deel van de schade bij voorbaat al voor rekening van [gedaagden] en heeft [gedaagden] uiteindelijk moeten schikken voor een lager bedrag dan mogelijk was geweest met een andere strategie. Ook is de zaak door de aanpak van [eiser] onnodig naar de schadestaatprocedure verwezen.
(i) schending essentialia en garantie van [naam 3]
4.10.
[gedaagden] verwijt [eiser] dat hij de eerste procedure niet ingezet heeft op de schending van de ‘essentialia’ van de certificaten en dat ook in het kader van het beroep op dwaling niet heeft aangevoerd. Met de essentialia bedoelt [gedaagden] de eigenschappen van de certificaten: dat deze altijd verhandelbaar zouden zijn en bovendien verhandelbaar tegen de
net asset value(hierna: de NAV-waarde) van Triodos, ofwel de intrinsieke waarde. Ter zitting heeft [gedaagden] verduidelijkt dat hij [eiser] voornamelijk verwijt dat hij niet heeft aangevoerd dat Triodos (bij monde van [naam 3] ) de NAV-waarde altijd aan [gedaagden] heeft
gegarandeerd(hierna: de [naam 3] -garantie). Dat die garantie van Triodos voor [gedaagden] belangrijk was, blijkt uit de e-mail van 19 april 2022 (zie onder 2.5), zo heeft [gedaagden] ter zitting toegelicht.
4.11.
Desgevraagd heeft [eiser] wat betreft de [naam 3] -garantie ter zitting verwezen naar zijn stukken uit de eerste procedure. Het standpunt dat [naam 3] destijds steeds tegen [gedaagden] heeft gezegd dat de certificaten een veilige belegging waren en altijd verkocht konden worden, was daarin volgens hem verwerkt. Verder blijkt uit het STT-vonnis dat een beroep op schending van de essentialia zou falen, aldus [eiser] .
omgang van [eiser] met [naam 3] -garantie niet zonder meer begrijpelijk
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagden] heeft mr. [naam 1] in de onder 2.5 geciteerde e-mail gewezen op het belang van de garantie die [naam 3] namens Triodos heeft gegeven met betrekking tot de intrinsieke waarde van de certificaten. Daar zat wat hem betreft de pijn, zoals hij ook ter zitting heeft benadrukt. [eiser] was daar dus al in april 2022 van op de hoogte. De rechtbank constateert met betrekking tot de [naam 3] -garantie dat (i) de dagvaarding daarover niets vermeldt, (ii) mr. [naam 1] [naam 3] daarover niets heeft gevraagd in het voorlopig getuigenverhoor en (iii) [eiser] die garantie destijds pas ter zitting heeft genoemd in zijn spreekaantekeningen als ‘nader bewijsaanbod’ (zie onder 2.10). Uiteindelijk heeft de rechtbank Midden-Nederland dit nadere bewijsaanbod gepasseerd.
4.13.
Zonder nadere uitleg – die [eiser] niet heeft gegeven – is niet zonder meer begrijpelijk dat [eiser] de [naam 3] -garantie niet in een eerder stadium van de procedure uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld. Kennelijk heeft [eiser] [gedaagden] ook niet geadviseerd dat dit geen zin had. Dat blijkt wel uit het feit dat mr. [naam 1] zelf in zijn spreekaantekeningen heeft opgenomen dat de (aanvullende) verklaringen van [naam 3] “
essentieel” zijn voor de procedure. [naam 3] was bovendien bereid om een en ander onder ede te verklaren, en dat wist mr. [naam 1] ook toen al, zo blijkt ook uit de spreekaantekeningen. [naam 3] heeft bovendien recent bevestigd dat hij destijds de gestelde toezeggingen heeft gedaan aan [gedaagden] . Zo schrijft hij in zijn verklaring van 23 april 2026:
“Deze [certificaten] werden in het advies en verkoop traject, in die tijd dat ik bij de bank werkte, altijd aangeboden met als kenmerk dat ze altijd verhandelbaar waren en dat dat tegen de NAV waarde zou zijn. Voor klant [gedaagden] was dat een belangrijk koop overweging. Ikzelf was er ook van overtuigd dat handel via de bank altijd mogelijk was en dat de NAV-waarde altijd zou worden gehanteerd. (…) Ik ben in die procedure als getuige gehoord. Wat mij verbaasde was dat de toezeggingen die ik aan [gedaagde 2] had gedaan over de verkoopbaarheid niet aan de orde kwamen. (…) Deze verklaring kan ik onder ede bevestigen.”
nader debat nodig
4.14.
Dit roept de vraag op of [eiser] de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, en wat dat betekent voor de vorderingen van [gedaagden] tot (partiële) ontbinding en schadevergoeding. De rechtbank kan daar op dit moment nog niet over oordelen omdat:
  • pas ter zitting duidelijk is geworden dat voor [gedaagden] het springende punt is dat [eiser] geen uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op de [naam 3] -garantie (terwijl hij dat aan mr. [naam 1] wel van aanvang af duidelijk heeft gemaakt) en het debat daarover dus nog niet in voldoende mate is gevoerd;
  • partijen nog niet hebben gereageerd op het feit dat mr. [naam 1] de [naam 3] -garantie uiteindelijk wel in de spreekaantekeningen in de eerste procedure heeft genoemd;
  • partijen (daarom) ook niet in voldoende mate zijn ingegaan op de vraag of het baseren van de vorderingen in de eerste procedure op de [naam 3] -garantie tot een ander resultaat zou (kunnen) hebben geleid.
4.15.
Daarom krijgen partijen in het kader van hoor en wederhoor de gelegenheid zich uit te laten over de vraag of (1) het niet eerder en uitdrukkelijk(er) een beroep doen op de [naam 3] -garantie een beroepsfout van [eiser] oplevert, (2) of het (mede) baseren van de vorderingen op de [naam 3] -garantie tot een ander resultaat zou (kunnen) hebben geleid in de eerste procedure en zo ja, (3) welke schade [gedaagden] daardoor heeft geleden.
4.16.
Partijen mogen daarbij het STT-vonnis buiten beschouwing laten, omdat het niet één-op-één van toepassing is op de relatie tussen [gedaagden] en Triodos. Uit dat vonnis blijkt weliswaar dat op Triodos geen verbintenis rustte om te allen tijde het eigen handelssysteem tegen de NAV-waarde in stand te houden, maar dat was op basis van de inhoud van de prospectussen en de uitlatingen die Triodos op haar website en in de media had gedaan. [8] In deze procedure gaat het echter om
persoonlijketoezeggingen die [naam 3] zou hebben gedaan in het kader van de adviesrelatie tussen Triodos en [gedaagden] . Dat betekent dat, zoals [gedaagden] ook terecht aanvoert, het STT-vonnis (in zoverre) niet aan de door [gedaagden] bepleite strategie in de weg staat.
4.17.
Verder wordt partijen in overweging gegeven dat [eiser] terecht heeft aangevoerd dat zijn eventuele aansprakelijkheid is beperkt tot het maximaal door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar uit te keren bedrag van € 500.000. Ook moet bij vaststelling van de omvang van de eventuele schade rekening worden gehouden met de tussen [gedaagden] en Triodos getroffen schikking.
4.18.
De termijn waarbinnen [gedaagden] zich mag uitlaten over hetgeen is vermeld onder 4.15 en 4.17 wordt bepaald op zes weken na heden, waarna [eiser] zes weken later een antwoordakte mag nemen.
ii) 2017-kennis
4.19.
[gedaagden] stelt voorts dat uit een beschikking van de Ondernemingskamer van 16 maart 2023 blijkt dat Triodos eind 2017 wist dat de certificaten een hoog risico hadden, en dat de gevolgen extreem waren indien dat risico zich zou openbaren (hierna: de ‘2017-kennis’). [9] [eiser] heeft deze 2017-kennis tijdens de mondelinge behandeling in de eerste procedure niet gebruikt om de grondslag van de schending van de zorgplicht (waarschuwingsplicht) nader te onderbouwen. Dit terwijl Triodos [gedaagden] op grond van de 2017-kennis eind 2017 had moeten adviseren alle certificaten te verkopen. Als [eiser] deze strategie had gevolgd, was de schade dan ook eenvoudig vast te stellen geweest en was een schadestaatprocedure onnodig geweest, aldus steeds [gedaagden] .
4.20.
[eiser] voert aan dat uit het STT-vonnis blijkt dat een beroep op de 2017-kennis niet zou slagen. Triodos had de certificaathouders in de prospectussen namelijk al voldoende gewaarschuwd voor de risico’s die worden aangeduid met de 2017-kennis en bovendien is [gedaagden] in 2013 op die risico's gewezen door Staalbankiers. [eiser] had namens [gedaagden] dus op basis van de 2017-kennis geen geslaagd beroep op de schending van de zorgplicht kunnen doen, aldus [eiser] .
4.21.
[eiser] heeft geen beroepsfout gemaakt door de 2017-kennis niet te betrekken bij de zorgplicht van Triodos. In het midden kan blijven wat de rechtbank Midden-Nederland zou hebben geoordeeld als [eiser] dit wel (mede) ten grondslag zou hebben gelegd aan de zorgplichtschending van Triodos. [eiser] heeft ter onderbouwing van de zorgplichtschending namelijk voor de meest logische strategie gekozen: het verwijt dat Triodos [gedaagden] niet heeft gewaarschuwd voor zijn eenzijdige beleggingsportefeuille. [gedaagden] had immers (bijna) 100% van zijn belegbare vermogen in certificaten belegd, zodat dit verwijt voor de hand lag. Bovendien werd de beschikking van de Ondernemingskamer pas uitgesproken toen Triodos al was gedagvaard, zodat niet onbegrijpelijk is dat [eiser] de ingeslagen weg verder heeft uitgeprocedeerd en niet halverwege is gewisseld naar een strategie die, naar het zich laat aanzien, minder eenvoudig te onderbouwen was.
geen beroepsfouten in de schadestaatprocedure
4.22.
[gedaagden] stelt dat de schadeberekeningen die [eiser] heeft opgesteld allemaal niet aansloten bij de in het eindvonnis vastgestelde normschending van Triodos. Van [eiser] had verwacht mogen worden dat hij de schade in een schadestaatprocedure zodanig zou presenteren, dat de rechtbank in ieder geval enige berekening kan volgen. [eiser] heeft de rechtbank ook onvoldoende gewezen op het bindende karakter van r.o. 4.18 van het eindvonnis. [eiser] heeft verder te laat gebruik gemaakt van de expertise van Reurich, nu de rechtbank zijn opinie heeft geweigerd en [eiser] deze daarna onvoldoende heeft verwerkt in zijn spreekaantekeningen. Tot slot was juridische expertise in de schadestaatprocedure onnodig, omdat slechts nog de berekening van de schade aan de orde was, aldus steeds [gedaagden] .
4.23.
[eiser] heeft in de schadestaatdagvaarding schadeberekeningen gemaakt aan de hand van drie varianten: A, B en C. Variant C gaat uit van een vergelijking tussen de hypothetische situatie dat [gedaagden] het eerste schriftelijke beleggingsadvies van [naam 3] zou hebben opgevolgd en de feitelijke situatie met de normschending van Triodos. [eiser] voert terecht aan dat deze variant de uitwerking is van de schadeberekening die de rechtbank Midden-Nederland zelf in het eindvonnis heeft genoemd. In het eindvonnis heeft de rechtbank in r.o. 4.18 namelijk overwogen dat het eerste beleggingsadvies van [naam 3] inhoudelijk lijkt te voldoen aan de beleggingsdoelstellingen van [gedaagden] . [10] [gedaagden] erkent zelf ook dat variant C over het algemeen de goede insteek was voor de schadeberekening en aansloot bij het eindvonnis.
4.24.
Reurich heeft in zijn opinie vervolgens variant C verder (juridisch) onderbouwd, onder meer door in te gaan op het bindende karakter van het eindvonnis in de schadestaatprocedure en het causaal verband. Niet valt in te zien wat [eiser] anders had moeten doen. Op de vraag van de rechter ter zitting hoe de schadeberekening (anders) ingestoken had moeten worden, heeft mr. Littooij geantwoord dat hij dit zou doen zoals Reurich heeft beschreven in zijn opinie. Hoewel de opinie van Reurich is geweigerd, heeft [eiser] de inhoud daarvan voldoende verwerkt in zijn spreekaantekeningen. Alle kernpunten van Reurich zijn in de spreekaantekeningen opgenomen en Reurich heeft dit bovendien zelf bevestigd.
4.25.
[eiser] heeft Reurich evenmin te laat ingeschakeld. [eiser] heeft voldoende toegelicht dat het advies van Reurich met name zag op de omvangrijke conclusie van antwoord van Triodos en dat [eiser] daarvóór nog geen aanleiding zag voor het inschakelen van een externe deskundige. Het is begrijpelijk dat [eiser] – kennelijk verrast door de omvang van het verweer van Triodos – daarna pas Reurich heeft benaderd. Bovendien had het eerder inschakelen van Reurich, naar het zich laat aanzien, niet tot ander resultaat geleid. Verder voert [eiser] terecht aan dat in de schadestaatprocedure ook onderwerpen als causaliteit en eigen schuld speelden en de juridische expertise Reurich daarbij van nut was. Tot slot heeft [eiser] de rechtbank Midden-Nederland voldoende gewezen op het bindende karakter van r.o. 4.18 van het eindvonnis, dat heeft hij namelijk gedaan in randnummer 4.1 van de spreekaantekeningen.
4.26.
[eiser] heeft in de schadestaatprocedure dan ook gehandeld zoals van een bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Dat de rechtbank Midden-Nederland uiteindelijk de schadeberekening(en) van [eiser] niet heeft gevolgd, maakt dat niet anders.
4.27.
De slotsom is dat [eiser] geen beroepsfouten heeft gemaakt in de schadestaatprocedure, zodat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Op dit punt is dus geen grond voor schadevergoeding of (partiële) ontbinding van de overeenkomst.
de declaraties van [eiser]
4.28.
De beoordeling van de (on)betaalde declaraties hangt in belangrijke mate samen met de vraag of [eiser] een beroepsfout heeft gemaakt. Daarom zal de beoordeling daarvan ook worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in reconventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 26 augustus 2026voor het nemen van een akte door [gedaagden] (uitsluitend) over hetgeen is vermeld onder 4.15 en 4.17, waarna [eiser] op de rol van zes (6) weken daarna een antwoordakte kan nemen,
in conventie en in reconventie
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1776 r.o. 2.3-2.5 en Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6065, r.o. 3.1-3.8.
2.Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1776
3.Rechtbank Midden-Nederland 9 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1545
4.Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6065
5.Hoge Raad 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281 en Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600
6.Zie o.m. Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406
7.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1168, r.o. 4.6 en Gerechtshof Den Haag 22 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2025:657, r.o. 5.3 en de verwijzingen aldaar.
8.Zie Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6065, r.o. 4.16.
9.Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 16 maart 2023, ECLl:NL:GHAMS:2023:649
10.Rb. Midden-Nederland 27 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1776, r.o. 4.18.