ECLI:NL:RBAMS:2026:6338

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/13/787559 en C/13/787481
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 5 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 195a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzage en afgifte van bescheiden na bewijsbeslag in kort geding

In deze kortgedingprocedure stonden twee zaken centraal: de vordering van beslagene om te verbieden dat gerechtsdeurwaarders inzage of afschrift verstrekken van bescheiden die onder bewijsbeslag zijn genomen, en het verzoek van gerechtsdeurwaarders om uitvoering te geven aan een eerdere beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Beslagene stelde dat de deurwaarders de beschikking niet te goeder trouw uitvoerden en dat de selectie van documenten niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden van tijd, betrokkene en onderwerp. Aprisco c.s. en Groot & Evers voerden aan dat de beschikking nog steeds rechtsgeldig is en dat de deurwaarders ruime beoordelingsruimte hebben om relevante documenten te selecteren, ook buiten de oorspronkelijke tijdsvoorwaarde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de eerdere vernietiging door de rechtbank Noord-Nederland berust op een kennelijke misslag en dat de beschikking voor zover ten gunste van Aprisco c.s. onverminderd van kracht blijft. De vordering van beslagene werd afgewezen omdat de beschikking ruim moet worden uitgelegd en de bezwaren onvoldoende zwaarwegend waren. Beslagene werd veroordeeld in de proceskosten. De deurwaarders moeten de geselecteerde bestanden aan Aprisco c.s. afgeven.

Uitkomst: De vordering van beslagene wordt afgewezen en de deurwaarders moeten de geselecteerde documenten aan Aprisco c.s. afgeven.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak met zaaknummer C/13/787559 / KG ZA 26-377 NB/MV van
[beslagene],
te [woonplaats] (Argentinië),
eisende partij bij conceptdagvaarding,
hierna te noemen: [beslagene] ,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor,
tegen
GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR GROOT & EVERS B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij, vrijwillig verschenen,
hierna ook te noemen: Groot & Evers of de gerechtsdeurwaarders,
verschenen bij B. de Veer en H. Oude Elferink,
en tegen

1.APRISCO B.V.,te Assen,2. ONIPACS B.V.,te Assen,3. de vennootschap naar vreemd rechtMAGDA PLATEAU HOLDING N.V.,gevestigd te Willemstad (Curaçao),

4. de vennootschap naar vreemd recht
MISSY N.V.,gevestigd te Willemstad (Curaçao),
gevoegde partijen aan de zijde van Groot & Evers,
hierna te noemen Aprisco c.s.,
advocaten mr. T.R.B. de Greve en mr. D.H.J. Rijkers,
en in de zaak met zaaknummer C/13/787481 / KG ZA 26-373 NB/MV van

1.APRISCO B.V.,te Assen,2. ONIPACS B.V.,te Assen,3. de vennootschap naar vreemd rechtMAGDA PLATEAU HOLDING N.V.,gevestigd te Willemstad (Curaçao),

4. de vennootschap naar vreemd recht
MISSY N.V.,gevestigd te Willemstad (Curaçao),
eiseressen in het deurwaardersrenvooi,
hierna te noemen Aprisco c.s.,
advocaten mr. T.R.B. de Greve en mr. D.H.J. Rijkers,
tegen
[beslagene],
te [woonplaats] (Argentinië),
vrijwillig verschenen,
gedaagde in het deurwaardersrenvooi,
hierna te noemen: [beslagene] ,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 9 juni 2026 van het kort geding met zaaknummer C/13/787559 (hierna zaak 1) heeft [beslagene] de dagvaarding toegelicht. Groot & Evers heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Aprisco c.s. heeft verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van Groot & Evers. Nadat [beslagene] zijn aanvankelijke bezwaar hiertegen heeft ingetrokken (omdat Aprisco c.s. ermee akkoord ging dat zij geen kennis zou nemen van productie 7 van [beslagene] ) is de voeging toegestaan. Aprisco c.s. heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van [beslagene] .
1.2.
Zaak 1 is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer C/13/787481 (hierna zaak 2). In zaak 2 hebben H. Oude Elferink en B. de Veer, die als gerechtsdeurwaarders zijn belast met de tenuitvoerlegging van de tussen partijen gewezen beschikking van 17 februari 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] , zich op grond van artikel 438 lid 5 Rv Pro met een proces-verbaal van 7 mei 2026 (met bijlagen) gewend tot de voorzieningenrechter in een deurwaardersrenvooi. In zaak 2 heeft Aprisco c.s. een conclusie van eis ingediend die zich richt tegen [beslagene] .
1.3.
[beslagene] en Aprisco c.s. hebben beide een pleitnota en producties in het geding gebracht.
1.4.
Bij de mondelinge behandeling waren – voor zover van belang – aanwezig:
aan de zijde van [beslagene] : mr. Cornegoor;
aan de zijde van Aprisco c.s.: [naam 1] (ceo) met mr. De Greve en mr. Rijkers;
aan de zijde van Groot & Evers: de gerechtsdeurwaarders B. de Veer en H. Oude Elferink.
1.5.
Na verder debat is vonnis bepaald op 23 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
Aprisco c.s. heeft bewijsbeslag gelegd op bescheiden van [beslagene] . In deze zaak gaat het over inzage in die bescheiden. In het dictum van de beschikking van 17 februari 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is hierover onder meer het volgende bepaald:
(…)3.2 veroordeelt [beslagene] binnen veertien dagen na betekening van deze beschikkingende in 3.4 bedoelde lijst om aan Aprisco c.s. inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken van de navolgende bescheiden (digitale gegevens en gegevens ‘in the cloud’ daaronder begrepen), waarbij onder correspondentie wordt begrepen brieven, faxberichten, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, memoranda, agenda's en berekeningen:
Met de volgende personen
alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt, waarbij de volgende (rechts)personen als verzender of ontvanger of als mede-ontvanger (via cc of bcc) betrokken zijn):
a. a) Trustmoore (trustkantoor), meer in het bijzonder haar medewerkers : [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ;
b) Secure Title Costa Rica (STCR) (trustkantoor);
c) TMF Group Costa Rica (trustkantoor);
d) EY Costa Rica en EY Nederland, in het bijzonder de volgende medewerkers [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] ;
e) notaris [naam 10] in Costa Rica;
f) [naam 11] ;
g) notaris [naam 12] ,
met gebruikmaking van de volgende e-mailadressen
en welke correspondentie toegankelijk is via de e-mailadressen [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] , [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] en de e-mailadressen, e-mailextensies en telefoonnummers die Aprisco c.s. in hun akte na tussenbeschikking hebben genoemd in de nummers 22 in a tot en met e, 29 onder a tot en met e (met uitzondering van de in c genoemde mrs. Reiziger en Plas),
met betrekking tot de volgende projecten en entiteiten/rechtspersonen
voor zover die bescheiden betrekking hebben op, maar ook beperkt zijn tot, de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project in Costa Rica, waaronder in het bijzonder van vastgoed gelegen in het [district] , (kanton) Garabito, (provincie) Puntarenas, Costa Rica, al dan niet aangeduid als (onderdeel van) Nativa (resort) en/of de volgende entiteiten/rechtspersonen Missy N.V., Magda Plateau Holding N.V. Fillmore Ltd., Nativa Mariposa Morpho S.A., Floris Aachen Private Foundation, Private Foundation BSNG, Ovbema Private foundation c.q. Obvema Private foundation, Huayna Capac Foundation, Manco Capac foundation, Mayta Capac foundation, Locum N.V., Lomas de Carrara, Central Pacific Ventures, Nativa development & Construction en Nativa Rana Dorada;
3.3
bepaalt dat inzage en afschrift zal worden verschaft doordat de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V. alle beslagen bescheiden voor zover nodig zal indexeren en vervolgens de relevante bescheiden als bedoeld in onderdeel 3.2 hiervoor zal selecteren aan de hand van de in onderdeel 3.2 van het dictum opgenomen termen met in achtneming van 2.12, bepaalt dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. gerechtigd zijn om aan de vorenbedoelde selectie toe te voegen die stukken waarvan de inhoud redelijkerwijze in verband kan worden gebracht met de in onderdeel 3.2 van het dictum omschreven onderwerpen, zonder dat in die stukken een zoekterm is vermeld, en bepaalt dat vervolgens een afschrift van deze selectie aan Aprisco c.s. zal worden verstrekt, met inachtneming van het volgende;
3.4
de door de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. gemaakte selectie dient eerst aan [beslagene] te worden verstrekt door middel van het betekenen van een lijst van de aan Aprisco c.s. ter inzage en afschrift te geven bescheiden voordat inzage/afschrift van deze bescheiden aan Aprisco c.s. wordt gegeven. [beslagene] heeft vervolgens achtentwintig dagen de gelegenheid om bezwaar te maken tegen de verstrekking van concrete in de selectie opgenomen bescheiden en kan zo nodig de voorzieningenrechter benaderen als hij vindt dat die concrete bescheiden niet ter inzage verstrekt mogen worden en partijen niet anderszins tot een regeling kunnen komen. De in 3.2 genoemde termijn verstrijkt in dat geval twee dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan;
3.5
indien [beslagene] geen medewerking verleent aan de inzage/afschrift, treedt dit arrest in de plaats van de vereiste toestemming en worden Aprisco c.s. gemachtigd om de deurwaarder /DigiJuris B.V. te instrueren tot het verstrekken van de hiervoor bedoelde afschriften;
3.6
veroordeelt [beslagene] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking van de dossiers van de administratie van Missy N.V., zoals die zijn gespecificeerd in producties 26 (met name de bijlage daarbij) en 27 inzage en afschrift te verstrekken aan Missy N.V.;
3.7
gebiedt [beslagene] te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. inzage en afschrift aan Aprisco c.s. zal verschaffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat de overtreding van het gebod door [beslagene] dat betrekking heeft op 3.2 voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,- en een dwangsom van € 10.000 per dag dat overtreding van het gebod door [beslagene] dat betrekking heeft op 3.6 voortduurt, met een maximum van € 50.000,-;(…)
2.2.
Op 27 mei 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een herstelbeschikking gewezen. Als gevolg hiervan moet in 3.2 van het hiervoor geciteerde dictum voor “Nativa MM” gelezen worden “Nativa Mariposa Morpho S.A.”.
2.3.
Voor de overige feiten in zaak 1 en 2 wordt verwezen naar de tussenbeschikking van de Rechtbank Noord-Nederland van 2 mei 2022 [2] , een eindbeschikking van diezelfde rechtbank van 21 maart 2023 [3] , een tussenbeschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2024 [4] , de eindbeschikking van datzelfde gerechtshof van
17 februari 2025 [5] (hierna de Beschikking), de beschikking van de Hoge Raad van 13 maart 2026 [6] en naar een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) van 27 maart 2026 [7] .
2.4.
In dit laatstgenoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland is - samengevat - overwogen dat de hiervoor genoemde beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden door hun integrale vernietiging bij beschikking van de Hoge Raad van 13 maart 2026 direct en met terugwerkende kracht hun werking hebben verloren, zodat er geen nakoming van de Beschikking kan worden gevorderd.

3.Het geschil

In zaak 1:
3.1.
[beslagene] vordert Groot & Evers bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verbieden om aan enige derde inzage of afschrift te verstrekken van bescheiden die op 9 februari 2022 in conservatoir bewijsbeslag zijn genomen en die niet voldoen aan de voorwaarden van de Beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, met veroordeling van Groot & Evers in de kosten van dit geding.
3.2.
Groot & Evers concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [beslagene] en veroordeling van [beslagene] in de kosten van dit geding.
3.3.
Aprisco c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [beslagene] en veroordeling van [beslagene] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In zaak 2:
3.4.
De gerechtsdeurwaarders verzoeken de voorzieningenrechter te oordelen over de vraag of zij hun ministerie dienen te verlenen aan uitvoering van de Beschikking en aldus kunnen overgaan tot het vrijgeven van de door hen geselecteerde digitale bescheiden of dat zij hun werkzaamheden dienen te staken als gevolg van het onder 2.4 genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 27 maart 2026.
3.5.
Aprisco c.s. vordert bij conclusie van eis om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [beslagene] te bevelen om de bescheiden die zijn genoemd op de lijsten die aan
[beslagene] zijn betekend met de als productie 14 tot en met 17 overgelegde exploten, volledig aan Aprisco c.s. af te geven;
2. [beslagene] te gebieden om de in onderdeel 1 van dit petitum genoemde afgifte door de deurwaarder volledig te gehengen en gedogen en daaraan volledige medewerking te
verlenen, op straffe van een dwangsom van € 25.000 per dag of gedeelte daarvan dat
[beslagene] geheel of gedeeltelijk in strijd met dit gebod handelt;
3. [beslagene] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de
wettelijke rente.
3.6.
[beslagene] bepleit afwijzing van de vorderingen van Aprisco c.s. en refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de vraag van de gerechtsdeurwaarders of de Beschikking nog van kracht is gezien het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) van
27 maart 2026.

4.4. De standpunten van partijen

4.1.
[beslagene] heeft – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. In de Beschikking zijn de criteria vastgelegd op basis waarvan bepaald dient te worden welke bescheiden moeten worden vrijgegeven. Volgens het dictum van de Beschikking moeten de vrij te geven bescheiden voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten:
(1) de Tijdvoorwaarde (het moet gaan om bescheiden die na 1 januari 2010 zijn verzonden, ontvangen, opgemaakt of bewerkt),
(2) de Betrokkenevoorwaarde (het moet gaan om bescheiden die tussen specifieke partijen zijn gewisseld met gebruikmaking van specifiek genoemde e-mailadressen) en
(3) de Onderwerpvoorwaarde (de inzage wordt begrensd voor wat betreft het onderwerp; het moet gaan om bescheiden die betrekking hebben op het vastgoed van het resort en/of op vijftien met name genoemde rechtspersonen).
Aprisco c.s. heeft Groot & Evers belast met het maken van een selectie van de in beslag genomen bescheiden. Groot & Evers heeft inmiddels een reeks van zes selecties uitgevoerd en lijsten van de vrij te geven documenten bij exploot betekend aan [beslagene] en zijn advocaat. Hieruit blijkt dat Groot & Evers de criteria uit de Beschikking wezenlijk anders interpreteert dan [beslagene] . Uit een steekproef waarin [beslagene] 60 bescheiden heeft onderzocht blijkt dat vier bescheiden niet voldoen aan de Tijdvoorwaarde, 26 niet aan de Onderwerpvoorwaarde en 22 niet aan de Betrokkenevoorwaarde. [beslagene] is dan ook van mening dat Groot & Evers de beschikking niet te goeder trouw uitvoert en hij heeft daarom bezwaar gemaakt bij Groot & Evers bij brief van 30 maart 2026. Groot & Evers wordt door Aprisco c.s. onder zware druk gezet om maar zo veel mogelijk bescheiden vrij te geven, aldus [beslagene] .
4.2.
Aprisco c.s. heeft in zaak 1 als gevoegde partij aan de zijde van Groot & Evers – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Aprisco c.s. beschikt over serieuze aanwijzingen dat [beslagene] fraude heeft gepleegd. [beslagene] probeert dit koste wat kost te verhullen. In de Beschikking is aan de deurwaarder de beoordelingsruimte gegeven om die bescheiden te selecteren die de fraude aan het licht brengen. De deurwaarder heeft thans op basis van de Beschikking een aantal bestanden geselecteerd en Aprisco c.s. heeft recht op inzage van die bestanden. De vordering van [beslagene] in zaak 1 strandt erop dat hij de bezwaartermijn heeft laten lopen. De termijn van 28 dagen zoals opgenomen in onderdeel 3.4 van de Beschikking is ongebruikt verstreken. Ook de inhoudelijke bezwaren die [beslagene] thans aanvoert gaan niet op. In de Beschikking is bepaald dat de deurwaarder relevante documenten moet selecteren aan de hand van voorgeschreven termen, maar de deurwaarder mag daar volgens onderdeel 3.3 van het dictum stukken aan toevoegen als de inhoud “
redelijkerwijze in verband kan worden gebracht met in onderdeel 3.2 van het dictum omschreven onderwerpen”. Bovendien geldt daarbij de Tijdvoorwaarde niet. De bezwaren van [beslagene] zijn daarnaast enkel gebaseerd op een steekproef en niet gericht tegen “
concrete in de selectie opgenomen bescheiden” zoals onderdeel 3.4 van het dictum van de Beschikking voorschrijft. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt overigens dat de cassatieklacht van Aprisco c.s. met betrekking tot het stellen van de Tijdvoorwaarde is geslaagd, zodat die voorwaarde van tafel is. Verder is Aprisco c.s. van mening dat het petitum in zaak 1 te onbepaald is en direct zal leiden tot executiegeschillen. De Beschikking heeft nog immer rechtskracht en is uitvoerbaar, ondanks het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2026. Het oordeel in dat vonnis dat de Beschikking integraal zou zijn vernietigd door de Hoge Raad, berust op een kennelijke misslag. Dit wordt ondersteund door de opinies van mr. A. Hammerstein en prof.mr. H.J. Snijders, die Aprisco c.s. in het geding heeft gebracht.
4.3.
Aprisco c.s. heeft ten aanzien van haar vorderingen in zaak 2 – samengevat weergegeven – het volgende gesteld. Om in de toekomst iedere verdere discussie en verdere (executie)geschillen te voorkomen vordert Aprisco c.s. om [beslagene] te bevelen de thans door Groot & Evers gemaakte selectie aan haar vrij te geven. Aan de vereisten van de artikelen 194, 195 en 195a Rv is voldaan, hetgeen reeds volgt uit de Beschikking en uit de beschikking van de Hoge Raad van 13 maart 2026. De vordering richt zich tegen [beslagene] maar ook indien geoordeeld wordt dat de deurwaarder uitvoering moet geven aan de Beschikking heeft Aprisco c.s. gezien de serieuze fraudeverdenkingen een spoedeisend belang bij onbelemmerde afgifte van de geselecteerde bescheiden. Het moet [beslagene] dan worden verboden om die afgifte op enigerlei wijze te frustreren.
4.4.
Groot & Evers heeft in zaak 1 (grotendeels) hetzelfde aangevoerd als Aprisco c.s. Groot & Evers is ervan overtuigd dat zij de selectie van de in beslag genomen bescheiden in overeenstemming met de Beschikking uitvoert. Groot & Evers benadrukt haar onafhankelijkheid.
4.5.
Groot & Evers heeft in zaak 2 aangevoerd dat zij overeenkomstig de Beschikking vijf keer een lijst met geselecteerde bestanden aan [beslagene] heeft betekend (op
13 februari, 9 en 12 maart en 1 en 20 april 2026). Na het uitblijven van inhoudelijke bezwaren binnen de termijn van 28 dagen, zijn de bestanden die op de eerste lijst staan op 16 maart 2026 aan Aprisco c.s. vrijgegeven. Vervolgens heeft de advocaat van [beslagene] op 30 maart 2026 bij Groot & Evers bezwaar gemaakt tegen de selectie. Bij brief van
30 april 2026 heeft Groot & Evers [beslagene] toen onverplicht de kans geboden om uiterlijk 7 mei 2026 een kort geding aanhangig te maken. Omdat [beslagene] dit niet vóór die datum heeft gedaan, heeft Groot & Evers dit deurwaardersrenvooi aanhangig gemaakt. De reden hiervoor is gelegen in de discussie die is ontstaan tussen [beslagene] en Aprisco c.s. naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2026. In dat vonnis is – kort gezegd – geoordeeld dat de Beschikking door de Hoge Raad met terugwerkende kracht is vernietigd en dat daarom niet langer uitvoering kan worden gegeven aan de Beschikking. Dit maakt dat de gerechtsdeurwaarders op een bezwaar zijn gestuit ten aanzien van het moeten verlenen van hun ministerie aan uitvoering van de Beschikking.
4.6.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In zaak 2:
5.1.
Naar aanleiding van de bezwaren waarop de gerechtsdeurwaarders zijn gestuit, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2026 is onder 4.13 en 4.27 – kort gezegd – overwogen dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 13 maart 2026 de Beschikking en de hieraan voorafgaande tussenbeschikking van 15 juli 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden integraal heeft vernietigd, dat die beschikkingen direct en met terugwerkende kracht hun werking hebben verloren en dat daarvan geen nakoming meer kan worden gevorderd.
5.2.
Groot & Evers en Aprisco c.s. hebben – mede aan de hand van de in het geding gebrachte opinies van mr. A. Hammerstein en prof.mr. H.J. Snijders – voldoende aannemelijk gemaakt dat de overwegingen 4.13 en 4.27 in het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland berusten op een kennelijke misslag. Er is geen sprake van een integrale maar van een partiële vernietiging van de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De beschikkingen zijn alleen vernietigd voor zover daarin beslissingen waren gegeven ten nadele van Aprisco c.s. (verzoekster tot cassatie). Voor het overige zijn zij in stand gebleven. Het vonnis van 27 maart 2026 doet derhalve geen afbreuk aan de uitvoerbaarheid van de beschikkingen, wat betreft de daarin ten gunste van Aprisco c.s. genomen beslissingen. Hiermee is het bezwaar van de gerechtsdeurwaarders, zoals aan de voorzieningenrechter voorgelegd in het deurwaardersrenvooi, weggenomen.
5.3.
Er dus vanuit gaande dat de beslissingen die ten gunste van Aprisco c.s. in de Beschikking zijn genomen nog immer van kracht zijn, ligt in zaak 1 de vraag voor
op welke wijzeaan de Beschikking uitvoering moet worden gegeven.
In zaak 1:
5.4.
Over de door [beslagene] tegen Groot & Evers ingestelde vordering wordt het volgende overwogen. De strekking van een rechterlijke beslissing waarmee – na bewijsbeslag – inzage wordt verleend in de in beslag genomen stukken is waarheidsvinding. Tegen die achtergrond moet de Beschikking ruimhartig worden uitgelegd. Dit geldt te meer nu uit eerdere beslissingen in deze zaak blijkt dat aanwijzingen voor fraude bestaan. [beslagene] heeft geen (zwaarwegende) belangen aangevoerd om de Beschikking beperkt uit te leggen, bijvoorbeeld de aanwezigheid van privé-informatie, medische informatie of privé-foto’s die zich tussen de beslagen bestanden zouden bevinden.
5.5.
Bovendien wordt een belangrijke aanwijzing voor een ruime uitleg van de Beschikking gevormd door de Beschikking zelf, te weten de wijze waarop 3.3 van het dictum is geformuleerd. Hierin is immers onder meer bepaald dat de deurwaarder gerechtigd is om aan zijn selectie toe te voegen “
die stukken waarvan de inhoud redelijkerwijze in verband kan worden gebracht met de in onderdeel 3.2 van het dictum omschreven onderwerpen, zonder dat in die stukken een zoekterm is vermeld”. Deze zinsnede geeft aan de deurwaarder een ruime bevoegdheid. Daar komt bij dat de tijdsbeperking die is opgenomen in de Beschikking (het zou alleen mogen gaan om stukken van na 1 januari 2010) sinds de beschikking van de Hoge Raad van 13 maart 2026 niet langer van kracht is omdat de klachten hierover van Aprisco c.s. slagen (zie r.o. 3.5.2 van de beschikking van de Hoge Raad).
5.6.
Een en ander betekent dat de beperkte uitleg van [beslagene] van de Beschikking moet worden gepasseerd. Los hiervan geldt dat [beslagene] zich heeft gebaseerd op een steekproef en het maar zeer de vraag is of hij op die wijze bezwaar heeft gemaakt op de wijze zoals onder 3.4 van de Beschikking is voorgeschreven. Ten slotte staat de wijze waarop [beslagene] zijn petitum heeft geformuleerd aan toewijzing van zijn vordering in de weg. Hij vordert immers Groot & Evers te verbieden bestanden aan Aprisco c.s. vrij te geven “
die niet voldoen aan de voorwaarden van de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 17 februari 2025”. Toewijzing op deze wijze zou het verschil van inzicht tussen partijen over de vraag wanneer al dan niet wordt voldaan aan die voorwaarden niet wegnemen. Dit zou dus alleen maar kunnen leiden tot nieuwe executiegeschillen.
5.7.
De conclusie tot zover is dat de vordering van [beslagene] in zaak 1 zal worden afgewezen. Dit heeft tot gevolgd dat Groot & Evers alle bestanden die zij tot op heden heeft geselecteerd maar nog niet aan Aprisco c.s. heeft vrijgegeven (zie de lijsten van producties 14 tot en met 17 van Aprisco c.s.) alsnog aan Aprisco c.s. moet afgeven.
5.8.
Bij deze stand van zaken is de vraag of [beslagene] tijdig (dat wil zeggen binnen 28 dagen als bedoeld in 3.4 van de Beschikking) bezwaar heeft gemaakt niet langer relevant. Overigens heeft [beslagene] bezwaar gemaakt bij brief van 30 maart 2026 en kan uit de brief van Groot & Evers van 30 april 2026 slechts worden afgeleid dat dat bezwaar alleen te laat was met betrekking tot de op 13 februari 2026 aan [beslagene] betekende lijst (productie 13 van Aprisco c.s.).
In zaak 2:
5.9.
Naar aanleiding van de vorderingen die Aprisco c.s. in het deurwaardersrenvooi tegen [beslagene] heeft ingesteld, overweegt de voorzieningenrechter dat Aprisco c.s. bij toewijzing hiervan geen belang meer heeft, gezien de uitkomst van zaak 1. Daar is immers reeds bepaald dat Groot & Evers de bestanden die zijn opgenomen in de producties 14 tot en met 17 van Aprisco c.s. aan Aprisco c.s. moet vrijgeven. Aprisco c.s. heeft met het instellen van haar vordering beoogd een geheel nieuwe zaak aanhangig te maken (gebaseerd op de artikelen 194, 195 en 195a Rv), maar dat is in strijd met de goede procesorde. Daarnaast verwijst zij voor de onderbouwing van haar vordering onder meer naar de Beschikking en naar de beschikking van de Hoge Raad van 13 maart 2026. Over die kwestie is hiervoor reeds geoordeeld.
De proceskosten in zaak 1:
5.10.
[beslagene] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Groot & Evers worden begroot op € 735,- aan griffierecht, te vermeerderen met eventuele nakosten.
5.11. [beslagene] wordt eveneens veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van Aprisco c.s. als gevoegde partij. Die kosten worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
5.12.
De door Aprisco c.s. gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten in zaak 2:
5.13.
Groot & Evers heeft in het deurwaardersrenvooi geen kosten gemaakt die voor vergoeding door middel van een proceskostenveroordeling in aanmerking komen.
5.14.
Aprisco c.s. is in het ongelijk gesteld jegens [beslagene] en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [beslagene] worden begroot op nihil, nu hij in zaak 2 geen noemenswaardige extra werkzaamheden heeft verricht.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
In zaak 1:
6.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
6.2.
veroordeelt [beslagene] in de proceskosten van Groot & Evers van € 735,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van dit vonnis als [beslagene] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [beslagene] in de proceskosten van Aprisco c.s. van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [beslagene] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [beslagene] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de aan Aprisco c.s. verschuldigde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
In zaak 2:
6.6.
bepaalt dat de gerechtsdeurwaarders de bescheiden aan Aprisco c.s. ter beschikking moeten stellen die zijn opgenomen op de lijsten die aan [beslagene] zijn betekend bij de als productie 14 tot en met 17 door Aprisco c.s. overgelegde exploten,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
6.8.
weigert de door Aprisco c.s. gevraagde voorzieningen,
6.9.
veroordeelt Aprisco c.s. in de proceskosten van [beslagene] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
Coll: CB