Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3875

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/13/769525 / HA ZA 25-1070
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:301 lid 2 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 3:172 BWArt. 3:169 BWArt. 6:10 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling woning en hypotheek na beëindiging samenwoning ex-partners

De man en vrouw, ex-samenlevers, hadden samen een woning met hypotheek. Na beëindiging relatie ontstond een geschil over de verdeling van de woning, eigenaarslasten, gebruiksvergoeding, inboedel en andere zaken. De woning was op grond van een kortgedingvonnis aan de man toegewezen en geleverd, maar de vrouw startte een bodemprocedure.

De rechtbank oordeelt dat het kortgedingvonnis geen gezag van gewijsde heeft en dat de vrouw in de bodemprocedure ontvankelijk is, ondanks haar niet-naleving van de inschrijfverplichting in het rechtsmiddelenregister bij het hoger beroep. De woning moet worden verkocht omdat beide partijen de woning willen, conform de samenlevingsovereenkomst. Verkoop aan een derde is noodzakelijk als partijen niet tot overeenstemming komen.

De rechtbank behandelt ook de eigenaarslasten, waarbij de vrouw voor de helft draagplichtig is, en kent haar een gebruiksvergoeding toe vanaf september 2023. De inboedel wordt verdeeld door om-en-om kiezen, waarbij gordijnen en verlichting als inboedel worden aangemerkt. De boot is eigendom van de vrouw en wordt niet verdeeld. Vorderingen over schadevergoeding en overige kosten worden deels toegewezen. De rechtbank wijst enkele vorderingen af en houdt de beslissing over hypotheeksplitsing aan voor nadere informatie.

Uitkomst: De woning moet worden verkocht aan een derde, de vrouw is ontvankelijk in haar vorderingen en partijen mogen zich uitlaten over hypotheeksplitsing en minnelijke oplossing.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769525 / HA ZA 25-1070
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Gunter,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.P. Barth.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de op 23 december 2025 binnengekomen akte houdende overlegging producties en aanvulling eis in conventie van de man, met producties,
- de op 23 december 2025 binnengekomen akte houdende overlegging producties tevens wijziging eis in reconventie van de vrouw, met producties,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 december 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling, die zich in het dossier bevinden,
- de op 31 december 2025 binnengekomen akte tevens overlegging producties van de man, met producties,
- de op 20 januari 2026 binnengekomen akte uitlating producties van de vrouw, met producties,
- het op 27 januari 2026 binnengekomen verzoek van de man om een gedeelte van de akte van 20 januari 2026 buiten beschouwing te laten, welk verzoek de rechtbank heeft gehonoreerd,
- de op 4 februari 2026 binnengekomen akte uitlating producties van de man.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.Dit vonnis in het kort

2.1.
Partijen zijn ex-samenlevers en hadden samen een woning. Nadat de relatie was geëindigd, hebben zij onder meer een geschil gekregen over de verdeling van de woning met hypotheek. Ook zijn zij het oneens over eigenaarslasten, gebruiksvergoeding, verdeling van de inboedel en diverse andere onderwerpen.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de woning verkocht moet worden. Dit oordeel leidt tot feitelijke complicaties, omdat de woning – samen met het hypotheekcontract – eerder op grond van een kortgedingvonnis aan de man is toegedeeld en ook aan hem is geleverd. Bovendien leidt dit oordeel ertoe dat de rechtbank niet op alle vorderingen kan beslissen zonder nadere informatie van partijen. Daarom wijst de rechtbank een tussenvonnis en mogen partijen zich over zes weken uitlaten over enkele in dit vonnis genoemde onderwerpen. Voor het overige heeft de rechtbank de verdeling vastgesteld.

3.De feiten

3.1.
De man en de vrouw hebben van 2012 tot augustus 2023 een relatie met elkaar gehad. Tijdens die relatie hebben zij op 8 februari 2021 een appartement gekocht aan [adres] , inclusief berging en twee parkeerplaatsen (hierna samen: de woning).
3.2.
Voor de aankoop hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten bij de
Rabobank van € 1.297.400,- met een looptijd van 30 jaar. De hypotheek bestaat uit verschillende leningdelen, waarvan het grootste gedeelte een rentepercentage heeft van
1,52% dat vastligt tot 2041.
3.3.
Partijen hebben op 25 februari 2021 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin staat voor zover relevant het volgende:

9. Wat als we dit contract stoppen?
Als dit contract stopt zonder dat één van ons overlijdt, geldt het volgende.
a. Eén van ons mag nog een halfjaar in onze woning blijven wonen. We overleggen voor wie dat het meest nodig is. En we overleggen ook hoe we de kosten hiervan verdelen.
b. Hebben we een koopwoning en is de woning van ons samen? Dan geldt het
volgende.
c. Wil één van ons de woning? Dan moet hij/zij dat de ander binnen dat halfjaar laten weten. En de ander moet daaraan dan meewerken.
d. Willen we de woning allebei? Dan overleggen we wie van ons de woning krijgt. Komen we daar niet uit? Dan gaan we naar een mediator. Komen we er dan nog niet uit? Dan verkopen we de woning. Daaraan moeten we allebei meewerken.
(…)
f. Krijgt één van ons de woning? Dan gaan we erbij de berekening van de waarde van de woning van uit dat er niemand in woont.
o Degene die de woning krijgt, krijgt ook alle leningen die bij de woning horen;
o Hij/zij is dan verantwoordelijk voor de leningen.
(…)
h. Krijgt één van ons de woning en krijgt één van ons daardoor te veel of te weinig? Bijvoorbeeld omdat de woning meer of minder waard is geworden? Dan moet degene die te veel heeft gekregen een bedrag aan de ander betalen, zodat we allebei evenveel krijgen.
(…)
k. De spullen die van ons samen zijn, verdelen we zo snel mogelijk. We overleggen hoe we dat doen.
l. Lukt het ons niet onze spullen goed te verdelen? Dan gaan we naar een mediator. Lukt het dan nog niet? Dan gaan we naar de rechter.
(…)

14.Over welke spullen gaat dit contract? En over welke spullen niet?

 We geven elkaar nu de helft van alle spullen in de woning. En we krijgen de helft van deze spullen van de ander. Nu zijn deze spullen dus van ons samen. Dit geldt ook voor onze auto’s. Dit geldt niet voor de spullen waarvan we hebben opgeschreven dat ze van één van ons zijn. Of waarvan we dit nog gaan opschrijven.
 Kleren en sieraden blijven van onszelf. Net als spullen die bedoeld zijn voor persoonlijk gebruik.
(…)”
3.4.
Eind augustus 2023 heeft de vrouw de relatie beëindigd, zij had een nieuwe partner. De vrouw heeft de woning verlaten en heeft in eerste instantie bij vrienden en familie gelogeerd. Vanaf november 2023 is zij in een tijdelijke huurwoning gaan wonen. De man is sinds de relatiebreuk in de woning blijven wonen.
3.5.
Op 12 december 2023 heeft de man aan de vrouw verteld dat hij de woning wilde overnemen en op 17 december 2023 heeft hij verteld dat hij dat ook kon financieren.
3.6.
In een e-mail van 23 januari 2024 (15:36 uur) heeft de vrouw aan de man het volgende geschreven:
“Ik zou inmiddels graag verder willen. Of dat betekent dat jij mij uit gaat kopen, ik jou uit ga kopen of dat we het huis gaan verkopen, het lijkt me voor ons beiden goed dat we door kunnen met ons leven.”
3.7.
In een e-mail van 23 januari 2024 (20:48 uur) heeft de man een voorstel gestuurd aan de vrouw over (onder meer) de woning. In de e-mail staat voor zover relevant het volgende:
“Hoog over zijn ervoor mij twee alternatieven, die zal ik hier uiteenzetten.
Verkoop van de woning:
Onze woning is momenteel niet verkoopklaar. Daar moet nog veel tijd en geld in. (…)
Al met al nog maanden aan werk, nog vele maanden samen dingen regelen, we verliezen allebei veel geld aan de hoge kosten en zitten we nog maanden in onzekerheid.
Uitkoop:
Mijn keuze is om jou uit te kopen. In dit scenario verliezen we allebei het minste; na alles wat er gebeurd is kan ik m’n leven zoveel mogelijk in stand houden en krijg jij de overwaarde direct verzilverd. (...) Uitgangspositie is om het economisch eigendom, en daarmee de volledige lusten en lasten van de woning over te laten gaan op mij per 1 januari 2024. (…)”
3.8.
In een e-mail van 26 januari 2024 heeft de vrouw gereageerd op het voorstel van de man en onder meer geschreven:
“Na zorgvuldige overweging moet ik helaas mededelen dat ik niet akkoord kan gaan met de huidige voorgestelde regelingen. Het voorstel komt momenteel eenzijdig over en bevat meerdere punten die voor mij onduidelijk of onacceptabel zijn. Een voorbeeld hiervan is de hypotheekrente, die gunstig laag is en die ik ook zou willen overnemen. (…)
Daarnaast wil ik voorstellen om ook andere opties te verkennen. Bijvoorbeeld de
mogelijkheid dat ik jouw deel van ons huis koop, of dat we alsnog samen besluiten om het huis te verkopen. (…)
Gezien al deze overwegingen, en ook het feit dat het reeds meer dan 5 maanden heeft geduurd om tot dit eerste voorstel te komen, stel ik voor dat we een mediator inschakelen. (…)
Het is ook belangrijk te benadrukken dat, aangezien jij deze woning en de poezen nu al 5 maanden tijdelijk voor jezelf hebt, we moeten bespreken hoe we deze gaan verdelen tijdens de komende gesprekken. Deze tijdelijke regeling, beperkt tot zes maanden conform ons samenlevingscontract, heeft tot onevenwichtigheden geleid, ook in de kostenverdeling. Met het naderen van het einde van deze termijn, en zoals ik in december al aangaf, zou ik graag vanaf 1 maart gebruik willen maken van ons huis. (…)”
3.9.
In een e-mail van 4 februari 2024 heeft de man mediation afgewezen en de vrouw om inhoudelijke reactie gevraagd op de voorwaarden waaronder hij de woning zal overnemen.
3.10.
In een e-mail van 13 februari 2024 heeft de vrouw onder meer het volgende geschreven aan de man:
“Ik was aanvankelijk verrast te vernemen dat je overweegt het appartement over te nemen, aangezien we vanaf het begin hebben afgesproken dat, mochten we uit elkaar gaan, het huis verkocht zou moeten worden. Jouw recente voorstel om mij uit te kopen kwam dan ook onverwachts, vooral na een periode van vier maanden waarin elke discussie over de verdeling van ons huis door jou vermeden werd. Ons appartement, prachtig gelegen aan het water en in een fijne buurt, is voor ons beiden van grote emotionele waarde. Daarnaast is het financiële voordeel van het overnemen van de hypotheek van 1,3 miljoen met een voordelig rentecontract van 1,52% tot 2041 ook niet uit te vlakken. Ook ik kan en wil het appartement overnemen tegen die voorwaarden.”
3.11.
In de periode daarna hebben partijen over en weer verschillende voorstellen gedaan, die steeds door de andere partij zijn afgewezen.
3.12.
De man en de vrouw zijn beiden piloot bij de [bedrijf] . In november 2023 heeft de man een promotie gekregen naar de functie tot gezagvoerder, in januari 2024 kreeg de vrouw dezelfde promotie.
3.13.
Omstreeks mei 2024 is de vrouw in de woning van haar nieuwe partner ingetrokken.
3.14.
De vrouw is begin juni 2024 een kort geding gestart bij deze rechtbank om de woning te laten verkopen. De man heeft in deze procedure gevorderd dat de vrouw meewerkt aan de levering van de woning aan de man en voortzetting van het hypotheekcontract door (uitsluitend) de man.
3.15.
Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw afgewezen en de vrouw veroordeeld om mee te werken aan de voortzetting door (uitsluitend) de man van het hypotheekcontract en de levering van de woning aan de man. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de voor de voortzetting van het hypotheekcontract en de eigendomsoverdracht noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw. Ook heeft de voorzieningenrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.16.
Op 5 augustus 2024 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) en verzocht de man alsnog mee te laten werken aan de verkoop van de woning dan wel de woning toe te wijzen aan de vrouw.
3.17.
Bij tussenarrest van 26 november 2024 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover dat zich richt op de levering van de woning aan de man en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. [1] Het hof heeft kortgezegd overwogen dat i) de voorzieningenrechter toepassing heeft gegeven aan artikel 3:300 lid 2 BW Pro en ii) de vrouw het hoger beroep ten onrechte niet binnen acht dagen na het instellen daarvan heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals vereist is op grond van artikel 3:301 lid 2 BW Pro.
3.18.
De vrouw heeft daarna verklaard het hoger beroep te willen intrekken en heeft vervolgens geen memorie van grieven genomen. Het Hof heeft de vrouw bij eindarrest van 4 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
3.19.
Op 28 april 2025 is de woning overgedragen aan de man en heeft de verdeling daarvan plaatsgevonden bij de notaris. Eveneens op 28 april 2025 heeft de man conservatoir beslag gelegd onder de notaris op een gedeelte van de aan de vrouw toekomende overbedelingssom.
3.20.
Op 30 april 2025 hebben partijen een depotovereenkomst gesloten. Op basis van die overeenkomst heft de man het beslag op en stelt de vrouw een bedrag van € 41.600,- in depot bij de notaris. Verder bepaalt de depotovereenkomst:
“Partijen (…) verkrijgen tengevolge van het vorenstaande een voorwaardelijke vordering op de notaris. Deze vordering wordt op één van de hierna vermelde wijzen onvoorwaardelijk:
(…)
2. na een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke uitspraak (…)
Alsdan zal (…) het depotbedrag door de notaris worden uitgekeerd overeenkomstig (…) die gerechtelijke uitspraak.”
3.21.
De verdelingsakte is uiteindelijk op 30 april 2025 gepasseerd. In de akte heeft de vrouw aangegeven dat zij de verklaringen daarin doet ter uitvoering van het vonnis in kort geding.
3.22.
De man heeft de financiering van de woning en de uitkoop van de vrouw deels gefinancierd met een onderhandse lening van een kennis van hem.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Voor een volledige weergave van de (gewijzigde) vorderingen van de man, verwijst de rechtbank naar de bij dit vonnis gevoegde bijlage I.
4.2.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing (deels) van de vorderingen van de man, met uitzondering van de subsidiaire vordering van de man onder IV tot verdeling van de inboedel door middel van munt opgooien en om-en-om kiezen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de proceskosten.
in reconventie
4.3.
Voor een volledige weergave van de (gewijzigde) vorderingen van de vrouw verwijst de rechtbank naar de bij dit vonnis gevoegde bijlage II.
4.4.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de vrouw in de reële proceskosten met rente.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling in conventie en reconventie

5.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen. Hierna gaat de rechtbank in op de volgende onderwerpen:
  • de woning
  • het hypotheekcontract
  • de eigenaarslasten en gebruiksvergoeding
  • de inboedel
  • de boot en ligplaats
  • de overige vorderingen
  • het vervolg van de procedure.
de woning
5.2.
De vrouw vordert kort gezegd primair dat de man de woning aan haar levert tegen betaling van € 1,6 miljoen en subsidiair dat de woning wordt verkocht. Daartegenover voert de man primair aan dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vorderingen en subsidiair dat de vrouw de woning niet echt wilde en kon kopen, zodat de woning eerder terecht aan hem is toegedeeld.
de vrouw is ontvankelijk in haar vorderingen inzake de woning
5.3.
De man meent dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen met betrekking tot de woning. Het hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat zij niet aan de inschrijfverplichting van art. 3:301 lid 2 BW Pro heeft voldaan. Het gaat in tegen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, de regeling van art. 3:301 lid 2 BW Pro en de rechtszekerheid als de vrouw in deze bodemprocedure wél ontvankelijk zou zijn. Het kortgedingvonnis is dus voor zover het ziet op de woning onaantastbaar geworden, aldus steeds de man.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding meebrengt dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. [2] Uitgangspunt is dus dat de rechtbank over de (toedeling van de) woning iets anders kan beslissen dan in het kort geding.
5.5.
Anders dan de man betoogt, gaat voorgaand uitgangspunt niet in tegen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Daarvan zou alleen sprake zijn als een bodemvonnis een veroordeling uit een (in kracht van gewijsde gegaan) kortgedingvonnis met terugwerkende kracht teniet doet, maar niet – zoals hier – als de beslissing in een kortgedingvonnis vervalt (zonder terugwerkende kracht). Concreet brengt de verhouding tussen de voorlopige voorziening en de bodemprocedure mee dat indien in de bodemprocedure wordt beslist dat de woning niet aan de man wordt toebedeeld,
vanaf dat momentde bepaling in het kortgedingvonnis op grond waarvan de woning is geleverd, haar rechtskracht verliest.
5.6.
Daarnaast brengt (het doel van) art. 3:301 lid 2 BW Pro niet mee dat het verzuim van de vrouw om haar hoger beroep tijdig in te schrijven – naast niet-ontvankelijkheid in dat hoger beroep – óók leidt tot niet-ontvankelijkheid in een daaropvolgende bodemprocedure. De bepaling strekt er volgens vaste rechtspraak toe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist. [3] Art. 3:301 lid 2 BW Pro heeft een beperkte strekking: gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid is er geen grond het toepassingsbereik van deze bepaling uit te breiden tot gevallen die niet door de wettekst worden bestreken, of waarin de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. [4]
5.7.
Aan de man kan worden toegegeven dat het op gespannen voet staat met de rechtszekerheid als de rechter in de bodemprocedure tot een ander oordeel komt inzake de verdeling van een woning dan in kort geding. Dan ontvalt immers de geldigheid aan de eigendomsovergang van het aandeel van de vrouw in de woning op de man. Dat is echter geen reden om het toepassingsbereik van art. 3:301 lid 2 BW Pro zodanig uit te breiden dat de daaruit volgende niet-ontvankelijkheid doorwerkt in een bodemprocedure na kort geding. De aantastbare – en daarmee onzekere – eigendomsovergang van de woning volgt namelijk rechtstreeks uit het voorlopige karakter van de beslissing in kort geding zoals beschreven onder 5.4, en niet uit het verzuim van de vrouw om te voldoen aan de inschrijfverplichting van art. 3:301 lid 2 BW Pro. Dat verzuim is dan ook geen geldige reden om art. 3:301 lid 2 BW Pro zo ruim te interpreteren als de man voorstaat. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de vrouw.
geen aanvullende afspraak over verdeling van de woning
5.8.
De man en de vrouw verschillen van mening over de verdeling van de woning. De man stelt dat partijen in augustus 2023 de uitdrukkelijke afspraak hebben gemaakt dat hij de woning mocht overnemen als hij de financiering rond zou krijgen. De vrouw betwist het bestaan van deze (aanvullende) afspraak en voert aan dat zij destijds alleen hebben afgesproken dat de man tijdelijk in de woning mocht blijven als voorlopige oplossing.
5.9.
De man kan zich niet op de gestelde afspraak beroepen, nu uit de stukken niet blijkt dat partijen iets anders hebben afgesproken dan het tijdelijke verblijf van de man in de woning. Weliswaar gaat de man zelf in zijn e-mails vanaf 4 februari 2024 uit van een afspraak dat hij de woning mocht overnemen, maar in reactie op die e-mails betwist de vrouw die afspraak steeds. De man heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit het bestaan van een nadere afspraak kan worden afgeleid. Omdat de stelplicht en bewijslast op de man rust, had dat wel op zijn weg gelegen. Bij die stand van zaken is niet komen vast te staan dat partijen in augustus 2023 hebben afgesproken dat de man de woning mocht overnemen. Dat betekent de vraag hoe de woning moet worden verdeeld, beoordeeld moet worden aan de hand van de samenlevingsovereenkomst.
de man en de vrouw willen de woning allebei
5.10.
De vrouw stelt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 9d van de samenlevingsovereenkomst, omdat beide partijen de woning willen hebben. Volgens de man is deze situatie niet aan de orde omdat de vrouw de woning niet echt wil. Zij heeft steeds aangestuurd op verkoop van de woning en wil met name haar deel van de gunstige hypotheekvoorwaarden behouden. Een uitsluitend financieel belang valt niet onder ‘willen’ in de zin van de bepaling. Ook was de vrouw in het voorjaar van 2024 niet in staat om de woning alleen te financieren, zodat ook daarom de bepaling niet van toepassing is, aldus steeds de man. De rechtbank komt tot het oordeel dat zowel de man als de vrouw de woning willen en dus sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 9d van de samenlevingsovereenkomst. De rechtbank legt dat oordeel hierna uit.
5.11.
Op grond van artikel 9c van de samenwerkingsovereenkomst moeten partijen elkaar binnen een half jaar na het einde van de relatie laten weten of zij de woning willen. Als beide partijen de woning willen en zij daarover geen overeenstemming bereiken via overleg of mediation, moet de woning verkocht worden volgens artikel 9d van de samenwerkingsovereenkomst. Uit de feitelijke gang van zaken die is beschreven onder 3.5 tot en met 3.10 blijkt dat – naast de man – óók de vrouw binnen een half jaar heeft laten weten dat zij de woning wil. De vrouw heeft immers op 23 januari (vóór het voorstel van de man) en op 26 januari 2024 aan de man laten weten dat zij de uitkoop van de man als optie ziet. Daarna heeft zij op 13 februari 2024 laten weten dat zij de woning ook wil overnemen.
5.12.
In tegenstelling tot wat de man betoogt is er geen reden om dit niet te begrijpen als het ‘willen’ van de woning in de zin van artikel 9d van de samenlevingsovereenkomst. De omstandigheid dat de vrouw vanaf de relatiebreuk heeft aangestuurd op de verkoop van de woning is daarvoor geen argument. Uit het dossier blijkt namelijk dat de vrouw er in ieder geval tot 12 december 2023 vanuit ging dat geen van beiden de woning kon financieren en de woning dus hoe dan ook verkocht zou moeten worden. Uit de handelingen van de vrouw tot dat moment om die verkoop te bespoedigen volgt ook onvoldoende dat de vrouw de woning niet wilde. Bovendien betekent de omstandigheid dat de vrouw ook later nog openstond voor andere oplossingen dan de uitkoop door haar, niet dat zij de woning helemaal niet wilde.
5.13.
De vrouw heeft verder voldoende toegelicht en onderbouwd dat zij gehecht is aan de woning en de buurt. Dat zij de woning graag wilde is ook voorstelbaar gezien de tijdelijke woonruimte die de vrouw had. Zij is pas maanden later bij haar nieuwe partner ingetrokken. Tot slot is ook een financieel belang – zeker nu er geen andere belangen van bijvoorbeeld kinderen spelen – een gerechtvaardigd belang om de woning te willen. De gunstige hypotheekvoorwaarden - door de vrouw becijferd op een voordeel van ongeveer € 190.000 - zijn in dat licht ook een valide reden om de woning te willen.
5.14.
Verder is niet in geschil dat de vrouw in januari 2024 dezelfde promotie heeft gemaakt als de man, zodat hun financieringsmogelijkheden nagenoeg hetzelfde waren. Het kan in het midden blijven of de vrouw de woning in haar eentje kon financieren, want zelfs als dat niet het geval was, gold hetzelfde voor de man. Hij had immers (ook) een extra lening nodig om de woning en de uitkoop van de vrouw te kunnen financieren.
de woning moet verkocht worden aan een derde
5.15.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van de situatie van artikel 9d van de samenlevingsovereenkomst, zal daaraan het gevolg moeten worden verbonden dat eveneens in dat artikel is bepaald. De woning moet worden verkocht.
5.16.
Ter zitting heeft de vrouw aangevoerd dat onder ‘verkoop’ óók de verkoop van de woning aan een van beide partijen kan worden begrepen. De rechtbank volgt de vrouw niet in die uitleg. Uit de tekst en strekking van de bepaling volgt dat partijen eerst via overleg en mediation tot een oplossing moeten proberen te komen. Vervolgens bepaalt de tekst ‘
Komen we er dan nog niet uit? Dan verkopen we de woning’. Dat kan niet anders begrepen worden dan dat de woning
aan een derdeverkocht moet worden. Dat doorbreekt immers de aldus ontstane impasse tussen partijen.
5.17.
Nu artikel 9d van de samenlevingsovereenkomst verkoop aan een derde meebrengt, wordt de primaire nakomingsvordering onder II van de vrouw afgewezen. De subsidiaire vordering van de vrouw onder II wordt toegewezen, de man moet meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde. De vrouw heeft onvoldoende belang bij een losstaande verklaring voor recht zoals gevorderd onder I. De rechtbank zal de verkoop van de woning conform het zogenaamde spoorboekje opnemen in het dictum van het eindvonnis. Daarbij zal de man drie makelaars mogen uitkiezen, waarna de vrouw daarvan eentje kiest die verkoop ter hand zal nemen. De uiteindelijke netto verkoopopbrengst zal gelijkelijk tussen partijen worden gedeeld onder verrekening van hetgeen de vrouw reeds heeft ontvangen bij de overname door de man van haar deel. Bij het bepalen van een peildatum, zoals door de vrouw onder III verzocht, heeft de vrouw dan geen belang meer.
5.18.
Het is mogelijk dat partijen minder gelukkig zijn met de juridische beslissingen van dit vonnis. De rechtbank geeft partijen in overweging om een en ander minnelijk op te lossen als zij die consequenties niet willen dragen en de man bereid is om (een deel van) zijn voordeel van de gunstige hypotheekrente aan de vrouw te vergoeden. Bij onderlinge overeenstemming kan van de tenuitvoerlegging van een vonnis worden afgezien.
de rechtbank komt niet toe aan de door de vrouw gevorderde rentecompensatie
5.19.
De vrouw vordert onder IV vergoeding voor rentenadeel, kort gezegd omdat de man naast de woning ook de gunstige hypotheekrentevoorwaarden toebedeeld heeft gekregen. Volgens de vrouw bedraagt het rentenadeel € 188.700.
5.20.
Gelet op de beslissing tot verkoop van de woning bestaat wellicht de mogelijkheid om het hypotheekcontract te splitsen tussen partijen. Niet in geschil is dat deze mogelijkheid in beginsel toegestaan is bij de Rabobank. De vraag is echter of de Rabobank hiertoe nog steeds bereid is, nu de woning al is overgedragen en de man een nieuwe hypotheek heeft afgesloten. Als de hypotheek wel kan worden gesplitst, dan gaat de rechtbank ervan uit dat partijen dezelfde positie zullen krijgen ten opzichte van de bank. Alleen als dit anders is, kan de vordering van de vrouw nog aan de orde zijn. Het oordeel hierover wordt dan ook aangehouden tot nader bericht van partijen.
5.21.
Partijen mogen zich bij akte uitlaten over i) de bereidheid van Rabobank om het hypotheekcontract te splitsen en ii) of partijen met de uitgangspunten uit dit tussenvonnis een andere oplossing voor hun geschil hebben gevonden. Partijen krijgen gedurende zes weken de gelegenheid om dit te bespreken met elkaar en/of de Rabobank.
Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding
de vrouw is draagplichtig voor de eigenaarslasten
5.22.
De man vordert onder I vergoeding van de door hem betaalde eigenaarslasten tussen 1 januari 2024 en 28 april 2025. De vrouw is volgens hem draagplichtig voor deze lasten omdat partijen tot aan de overdracht gezamenlijk eigenaar waren van de woning. De vrouw voert primair aan dat de draagplicht voor deze lasten helemaal op de man rust, omdat hij bereid was vanaf 1 januari 2024 alle eigenaarslasten op zich te nemen.
5.23.
De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van art. 3:172 BW Pro naar evenredigheid van hun aandeel in de woning moeten bijdragen in de uitgaven ten behoeve van die woning. Dat betekent dat de vrouw in beginsel voor de helft draagplichtig is voor de (netto) hypotheeklasten en de overige eigenaarslasten. Aan de bereidheid van de man om alle eigenaarslasten op zich te nemen vanaf 1 januari 2024, kan hij niet worden gehouden. Die bereidheid was immers onderdeel van het voorstel dat de man op 23 januari 2024 aan de vrouw heeft gedaan, waarin de man uitging van overdracht van het economisch eigendom van de woning per 1 januari 2024. Dat voorstel heeft de vrouw niet geaccepteerd, zodat zij zich niet alsnog op (deel van) dat voorstel kan beroepen.
de eigenaarslasten kunnen (gedeeltelijk) weggestreept worden met de gebruiksvergoeding
5.24.
De vrouw beroept zich subsidiair op verrekening van de door haar verschuldigde eigenaarslasten met de door de man verschuldigde gebruiksvergoeding. In dat kader vordert de vrouw een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning door de man vanaf 1 september 2023, primair ter hoogte van de huurwaarde van € 2.408 per maand en subsidiair ter hoogte van de helft van de rentebetalingen en overige eigenaarslasten van in totaal [de rechtbank telt de opstelling op als:] € 1.282,08 per maand. Daaraan legt de vrouw ten grondslag dat de man vanaf 1 september 2023 het exclusieve gebruik van de woning heeft gehad.
5.25.
Op grond van art. 3:169 BW Pro is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed. Als een deelgenoot het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen. [5] De strekking van deze bepaling is dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, de laatste schadeloos dient te stellen. Dit kan in de vorm van een gebruiksvergoeding. Het uitgangspunt is daarom dat de man gehouden is een gebruiksvergoeding aan de vrouw te betalen.
5.26.
De vrouw heeft recht op een gebruiksvergoeding vanaf 1 september 2023. Dat de vrouw tot en met januari 2024 toegang had tot de woning, zoals de man aanvoert, maakt dat niet anders. De vrouw heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat zij slechts op bezoek mocht bij de poezen, en alleen na voorafgaande aankondiging en bevestiging van de man dat hij niet thuis was. Dat valt niet onder normaal gebruik van de woning door de vrouw. Verder gebruikte de man de woning als zijn normale onderkomen.
5.27.
De man voert verder aan dat een gebruiksvergoeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat partijen al hadden afgesproken dat de man de woning mocht overnemen en de vrouw de overdracht daarna heeft vertraagd. De rechtbank volgt de man niet op dit punt. Zoals onder 5.9 is overwogen, is de afspraak waar de man zich op baseert niet komen vast te staan. De verdeling van de woning is vanaf januari 2024 altijd onderwerp van discussie geweest, zodat niet gezegd kan worden dat de vrouw de levering van de woning onnodig heeft vertraagd. Het is dan ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de vrouw een gebruiksvergoeding toe te kennen.
5.28.
De rechtbank stelt de verschuldigde gebruiksvergoeding gelijk met de helft van de netto rentelasten en de helft van de overige eigenaarslasten. Dat betekent dat de helft van de eigenaarslasten, met uitzondering van het aflossingsgedeelte van de hypotheek, tegen de gebruiksvergoeding weggestreept kunnen worden. Gezien dat oordeel kunnen de precieze hoogte van de eigenaarslasten en de gebruiksvergoeding in het midden blijven. De vrouw moet dus vanaf 1 september 2023 wel de helft van de maandelijkse aflossingen betalen aan de man tot aan de overdracht aan een derde. Dit is alleen anders als partijen tot een andersluidende afspraak mochten komen (zie 5.18).
de eigenaarslasten kunnen (gedeeltelijk) verrekend worden met de door de vrouw betaalde € 15.882,-
5.29.
Ten aanzien van de eigenaarslasten beroept de vrouw zich ook op verrekening met de al door haar aan de man betaalde bedragen. Partijen zijn het na een nadere aktewisseling erover eens dat de vrouw tussen september 2023 en augustus 2024 € 31.764 heeft overgemaakt naar de man, waarvan de man € 13.235 heeft teruggestort, € 2.647 heeft verrekend met een andere vordering en € 15.882 heeft behouden. Dat de verrekening door de man terecht was zal de rechtbank verder toelichten onder 5.47. Dat betekent dat de vrouw het resterende door de man behouden bedrag van € 15.882 kan verrekenen met wat zij vanaf 1 september 2023 aan haar deel van de hypotheekaflossingen moet betalen.
inboedelverzekering
5.30.
De man vordert onder II en III de door hem betaalde en te betalen premie voor de inboedelverzekering tot aan de verdeling van de inboedel. Die vorderingen worden toegewezen. Zoals de man terecht aanvoert, valt de premie van de inboedelverzekering onder lasten die ten behoeve van de gemeenschappelijke zaken gemaakt zijn in de zin van art. 3:172 BW Pro. De vrouw heeft namelijk ook profijt gehad van het feit dat hun gezamenlijke inboedel verzekerd was. Partijen moeten de kosten voor deze verzekering naar evenredigheid van hun aandeel (dus de helft) dragen.
afvalstoffenheffing
5.31.
De man vordert onder IX een bedrag van € 117, omdat de vrouw in 2024 nog stond ingeschreven op het adres van de woning en de man daardoor een hogere afvalstoffenheffing heeft moeten betalen. De rechtbank wijst de vordering voor de helft toe. De man heeft voldoende onderbouwd dat de vrouw nog op het adres van de woning ingeschreven stond terwijl zij daar niet meer woonde, en de man daardoor een bedrag van € 469 in plaats van € 352 heeft moeten betalen. De rechtbank gaat er echter – net als de vrouw – vanuit dat de afvalstoffenheffing onder de overige eigenaarslasten valt. Gezien hetgeen onder 5.28 is geoordeeld, wordt de vergoeding die de vrouw daarvoor verschuldigd is weggestreept tegenover de gebruiksvergoeding. Niettemin had de man zonder de inschrijving van de vrouw maar € 352/2 = € 176 moeten bijdragen aan de heffing en in de huidige situatie € 469/2 = € 234,50. De schade van de man is dus € 58,50 en de vrouw moet dat aan hem betalen.
de inboedel
5.32.
Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld met betrekking tot de inboedel van de woning (vorderingen IV en V van de man en vorderingen VII en VIII van de vrouw). Kort gezegd vordert de vrouw feitelijke verdeling van de inboedel en vordert de man toedeling van de inboedel aan hem tegen betaling van € 5.000. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of ook de gordijnen, de verlichting en de poezen bij de inboedel horen en verdeeld moeten worden.
wijze van verdelen: om-en-om kiezen
5.33.
De samenlevingsovereenkomst geeft geen uitsluitsel over
hoede inboedel precies verdeeld moet worden. De vrouw wil verdeling van de inboedel door middel van het om-en-om kiezen van een inboedelgoed. Volgens de man is er geen plaats voor een daadwerkelijke verdeling van de inboedel, omdat de vrouw door haar eerdere proceshouding, handelswijze en het tijdsverloop het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij een dergelijke verdeling niet wilde. Haar uitgangspunt was namelijk dat wie de woning kreeg toegedeeld ook de inboedel zou behouden, aldus de man.
5.34.
Dit argument houdt geen stand, nu de verdeling van de woning – en (dus) ook de verdeling van de inboedel – altijd onderwerp van de voorstellen over en weer is geweest tussen partijen. Dat de vrouw in het kader van die onderhandelingen bereid was de (grote) inboedelgoederen toe te delen aan de partij die ook de woning kreeg, maakt niet dat de man helemaal geen rekening meer hoefde te houden met verdeling van de inboedel. Aangezien onder 5.17 is beslist dat de woning verkocht moet worden aan een derde, ligt de daadwerkelijke verdeling van de hele inboedel juist voor de hand.
5.35.
Partijen zijn het met elkaar eens over de wijze waarop die verdeling moet plaatsvinden. Zowel de vrouw (primair) als de man (subsidiair) vorderen verdeling door middel van het om-en-om uitkiezen van een inboedelgoed. De rechtbank zal de vorderingen over en weer dan ook in zoverre toewijzen. Gelet op de hierna volgende beslissing over de poezen (zie 5.38), is de vrouw degene die mag beginnen met kiezen. Daarna kiezen partijen om-en-om een boedelgoed. Daarbij wordt uitgegaan van de lijst van productie 29 van de vrouw exclusief de poezen. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.
de gordijnen en de verlichting behoren tot de inboedel
5.36.
Partijen twisten over de omvang van de inboedel. Het eerste discussiepunt is of de gordijnen van Siersema en de verlichting van Modular daartoe behoren. De man meent dat het gaat om bestanddelen van de woning, omdat de gordijnen en de verlichting op maat zijn gemaakt voor de woning en niet zonder schade kunnen worden verwijderd. De vrouw meent dat de gordijnen en de verlichting wel goed uit de woning te verwijderen zijn.
5.37.
De rechtbank is van oordeel dat de gordijnen en de verlichting inboedelgoederen zijn, omdat deze niet aard- en nagelvast met de woning verbonden zijn. Ter zitting heeft de vrouw voldoende uitgelegd dat de verlichting zonder noemenswaardige schade te verwijderen is. Dit geldt ook voor de gordijnen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat partijen – bijvoorbeeld in het kader van de verkoop van de woning – desgewenst altijd onderling kunnen afspreken dat bepaalde inboedelgoederen in de woning achter blijven.
de poezen behoren wel tot de inboedel, maar zijn al verdeeld
5.38.
Partijen verschillen ook van mening of de poezen tot de inboedel behoren. Volgens de man hebben partijen na de relatiebreuk afgesproken dat de man de poezen mocht behouden. Volgens de vrouw heeft de vrouw alleen toegestaan dat de poezen
voorlopigbij de man konden blijven, net zoals de man alleen voorlopig in de woning kon blijven. De man en de vrouw hebben allebei verschillende verklaringen (ook van derden) overgelegd om hun standpunten nader te onderbouwen.
5.39.
De man heeft aangetoond dat er een afspraak was dat de poezen bij hem zouden blijven. Beide partijen hebben verklaringen van familieleden en nauwe vrienden overgelegd, die hun eigen standpunten bevestigen. Die leggen minder gewicht in de schaal. De man onderbouwt de afspraak verder met een verklaring van een gemeenschappelijke vriend en van de buurman van de man. Beiden hebben verklaard dat zij uit de mond van de vrouw hebben gehoord dat zij de poezen aan de man wilde laten. Aan die verklaringen moet meer gewicht worden toegekend wegens de geringere afhankelijkheid en wegens het feit dat beiden op dat moment een-op-een met de vrouw hebben gesproken. Daaruit volgt dat er geen oneigenlijke druk op het gesprek heeft gelegen. De man heeft daarmee aangetoond dat er een afspraak was dat de poezen bij hem zouden blijven, zodat de poezen al verdeeld zijn.
de boot en ligplaats
geen verdeling van de boot of vergoeding voor gederfd gebruiksgenot
5.40.
De man vordert onder VI en VII toedeling van de boot aan de vrouw tegen betaling van € 25.000 en een vergoeding voor gederfd gebruiksgenot van de boot. De vorderingen worden afgewezen. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat de boot is aangeschaft door haar vader en aan haar is geschonken. Dat blijkt uit het aankoopbewijs van de boot en de overgelegde berichten tussen de vrouw en haar vader.
5.41.
De man stelt dat de boot wel gezamenlijk eigendom is van partijen op grond van artikel 14 van Pro de samenlevingsovereenkomst. De rechtbank volgt de man niet op dit punt. Artikel 14 van Pro de samenlevingsovereenkomst bepaalt welke spullen gezamenlijk eigendom zijn van partijen. De boot valt hier niet onder, want de tekst van de bepaling spreekt over de spullen
in de woning. Het feit dat voor auto’s een uitzondering is gemaakt in de bepaling, betekent niet dat die uitzondering ook geldt voor een boot.
5.42.
De man voert daarnaast aan dat de boot als gezamenlijk eigendom moet worden beschouwd op grond van de feitelijke gedragingen van partijen. Zij hebben namelijk gezamenlijk gebruik gemaakt van de boot en in whatsappberichten onderling aan de boot gerefereerd als ‘onze boot’, aldus de man. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende om de boot als gezamenlijk eigendom aan te merken. In een langdurige relatie is het immers normaal om samen gebruik te maken van dit soort zaken en die als zodanig aan te duiden. De man had verder uit enkele whatsappberichten niet mogen afleiden dat de boot ook voor de helft van hem was, zeker nu het een schenking van de vader aan de vrouw betrof.
5.43.
Aangezien de boot volledig eigendom van de vrouw is, hoeft de boot niet verdeeld te worden en hoeft de vrouw ook geen vergoeding aan de man te betalen voor gederfd gebruiksgenot daarvan.
geen schadevergoeding voor opzeggen huurovereenkomst ligplaats
5.44.
De vrouw heeft in begin 2021 een huurovereenkomst gesloten voor de ligplaats van haar boot bij de jachthaven ‘ [locatie] ’. Na de relatiebreuk heeft de vrouw op enig moment die huurovereenkomst opgezegd. De man vordert onder XII en XIII een schadevergoeding voor gemist huurgenot van de ligplaats, omdat de opzegging door de vrouw onrechtmatig is dan wel geldt als misbruik van recht. De vrouw wist namelijk dat de man de ligplaats wilde en het was ook mogelijk om de ligplaats over te dragen, aldus de man.
5.45.
De rechtbank wijst de vorderingen van de man af. Als eigenaar van de boot staat het de vrouw vrij om de huurovereenkomst voor de ligplaats van die boot op te zeggen. Die huurovereenkomst had ze bovendien op haar eigen naam afgesloten. Opzegging van de huurovereenkomst kwalificeert dan ook niet als een onrechtmatige gedraging in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro of als misbruik van recht.
overige vorderingen
de vrouw moet de resterende Siersema-factuur betalen maar niet de incassokosten
5.46.
De man vordert onder VIII betaling van € 1.806,15 voor het restant van een door hem betaalde factuur van Siersema inclusief de helft van de door hem betaalde incassokosten. Daaraan legt de man ten grondslag dat partijen nog een laatste factuur van € 7.867,30 moesten voldoen aan Siersema voor de gordijnen in de woning, waar uiteindelijk ook nog € 1.039,48 aan incassokosten over moest worden betaald. Een gedeelte van de factuur heeft de man verrekend met een betaling van de vrouw van € 2.647 op 31 juli 2024. De man heeft nog recht op een bedrag van € 7.867,30 : 2 - € 2.647 = € 1.286,65. Daar komt de helft van de incassokosten (€ 519,50) bovenop, zodat de man uitkomt op een vordering op de vrouw van € 1.806,15.
5.47.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen. De vrouw heeft in een e-mail van 5 september 2024 erkend dat zij draagplichtig is voor de laatste factuur van Siersema. De man mocht de betaling van de vrouw dan ook verrekenen met die factuur en de vrouw moet het resterende bedrag van € 1.286,65 betalen aan de man. De vrouw hoeft echter niet (de helft van) de incassokosten te betalen. Die zijn immers veroorzaakt doordat de man een aanmaning van 30 juli 2024 niet heeft betaald. Die aanmaning is verzonden naar het adres van de woning, waar alleen de man op dat moment woonde. Nu de vrouw daar niet meer woonde – en niet op de hoogte was van de aanmaning – is zij niet verantwoordelijk voor de incassokosten. De vordering van de man wordt dus tot een bedrag van € 1.286,65 toegewezen.
de man heeft geen belang bij zijn vorderingen inzake de depotovereenkomst
5.48.
De man vordert onder X en XI medewerking van de vrouw tot uitkering van het depot bij de notaris voor het bedrag dat de vrouw op grond van dit vonnis verschuldigd is. De rechtbank wijst de vorderingen af. De vrouw heeft terecht aangevoerd dat de tussen partijen gesloten depotovereenkomst al een mechanisme bevat voor uitkering, mocht de man op grond van dit vonnis recht hebben op een uitkering. Uit de depotovereenkomst (weergegeven onder 3.20) volgt namelijk dat de notaris het depotbedrag zal uitkeren overeenkomstig een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke uitspraak. De man heeft niet toegelicht welk belang hij heeft bij toewijzing van zijn vorderingen in aanvulling op voorgaand mechanisme. De vorderingen worden daarom afgewezen.
Rabobank-schikking
5.49.
De vrouw vordert onder IX een bedrag van € 1.250 aan schadevergoeding van de man. Daaraan legt de vrouw ten grondslag dat Rabobank aan partijen een schikking van ongeveer € 2.500 heeft aangeboden omdat zij vanaf 2021 te veel rente hebben betaald voor hun hypothecaire lening. De vrouw heeft de man meermaals verzocht de schikking te ondertekenen, maar dat heeft de man niet gedaan. Volgens de vrouw is het nalatig dat de man dat niet heeft gedaan en moet de schade (de helft van het schikkingsbedrag) voor zijn rekening komen. Ter zitting is gebleken dat de man de schikking (nog) niet heeft geaccepteerd.
5.50.
De rechtbank wijst de vordering toe. Uit het schikkingsvoorstel van Rabobank blijkt dat de schikking alleen verband houdt met de te veel betaalde rente over de gezamenlijke hypotheek. Als de man meent dat hij tegenover de Rabobank een betere positie kan bereiken door deze schikking niet te accepteren, staat het hem vrij om dat voor eigen rekening na te streven. Voor dit moment geldt dat dit een vordering op de Rabobank is die voor inning gereed ligt en voor de helft aan de vrouw toekomt. De vrouw heeft dan ook in elk geval jegens de man recht op het gevorderde bedrag van € 1.250, zodat dit wordt toegewezen.
het vervolg van de procedure
5.51.
Zoals onder 5.20 is overwogen, kan de rechtbank nog geen eindvonnis wijzen. Dat betekent ook dat de rechtbank nog niet zal beslissen op enkele andere vorderingen, zoals die inzake de eindafrekening. Bij het eindvonnis zullen de proceskosten worden verdeeld zonder enige betaling over en weer omdat dit een familiezaak betreft.
5.52.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 mei 2026 komt voor het nemen van een akte door partijen over wat is vermeld onder 5.21 en de gewenste voortgang van de procedure,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Bijlage I: vorderingen van de man in conventie zoals omschreven in zijn akte houdende overlegging producties en aanvulling van eis in conventie
De man verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Eigenaarslasten woning
I. te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de maandelijks verschuldigde rente- en aflossing uit hoofde van de hypothecaire lening die op de gezamenlijke woning rustte tot 28 april 2025, de woning notarieel is overgedragen aan (uitsluitend) de man;
de vrouw, uit hoofde van haar draagplicht voor wat betreft hypotheeklasten van de voormalige gezamenlijke woning aan [adres] primair op grond van artikel art. 6:10 lid 2 BW Pro en subsidiair op grond van artikel 6:203 BW Pro en nog meer subsidiair op grond van artikel 6:2 12 BW te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, dan wel binnen een termijn die uw rechtbank redelijk acht, over de periode 1 januari 2024 tot 28 april 2025 een bedrag van € 38.670,64 te voldoen aan de man althans een dusdanig bedrag over een dusdanige periode als uw rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van het ten deze door uw rechtbank te wijzen vonnis, althans met ingang van een datum die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren tot de dag der algehele voldoening; althans een zodanige voorziening te treffen als uw rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;
Premie inboedelverzekering
II. de vrouw primair op grond van artikel 6:203 BW Pro dan wel subsidiair op grond van artikel 6:212 BW Pro dan wel meer subsidiair op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis een bedrag van (C 17,28 x 24 maanden) € 414,72 aan de man te voldoen in verband de volledig door hem betaalde premie inboedelverzekering ad. € 34,56 per maand over de periode 1 januari 2024 tot 31 december 2025, dan wel een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van het ten deze door uw rechtbank;
III. de vrouw te veroordelen om met ingang van 1 januari 2026 tot aan de datum dat de inboedel is verdeeld een bedrag van € 17,28 per maand aan de man te voldoen op zijn rekeningnummer [rekening] ;
Verdeling inboedel
IV. de inboedel toe te delen aan de man onder de verplichting van de man om een bedrag van € 5.000 aan de vrouw te voldoen;
subsidiair
te bepalen dat de verdeling van de inboedel bij helfte geschiedt door middel van het opgooien van een muntstuk. Degene die de toss wint mag beginnen met het uitkiezen van een inboedelgoed vervolgens mag de ander een inboedelgoed kiezen en zo voort, althans een zodanige voorziening te treffen als uw rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;
Verklaring voor recht dat de gordijnen en verlichting van de woning aan [adres] niet voor verdeling in aanmerking komt
V. voor recht te verklaren dat de gordijnen en de verlichting van de woning aan [adres] niet gekwalificeerd kunnen worden als inboedel in de zin van artikel 3:5 dan Pro wel dat deze niet voor verdeling in aanmerking komen aangezien de vrouw daarvoor al is gecompenseerd door het bedrag c.q. de uitkoopsom die zij voor haar aandeel in de woning heeft ontvangen;
Verdeling boot
VI. de boot toe te delen aan de vrouw en om de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis een bedrag van € 25.000 aan de man te betalen, dan wel een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van het ten deze door uw rechtbank te wijzen vonnis, althans met ingang van een datum die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren tot de dag der algehele voldoening;
Gebruiksvergoeding boot
VII. de vrouw te veroordelen om vanaf 1 januari 2024 dan wel een met ingang van een datum die uw rechtbank redelijk acht tot aan de datum waarop de vrouw de overbedelingsom aan de man heeft voldaan uit hoofde van de toedeling van de boot aan haar dan wel een datum die uw rechtbank redelijk acht, aan de man ex artikel 3:169 BW Pro een (gebruiks)vergoeding te voldoen van € 100 per maand, dan wel een gebruiksvergoeding die uw rechtbank redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van het ten deze door uw rechtbank te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
Nakoming overeenkomst inzake kosten Siersema
VIII. de vrouw primair te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst dat zij de helft van de in juli 2024 nog resterende kosten van Siersema voor haar rekening zal nemen dan wel de vrouw daartoe subsidiair op grond van artikel 6:203 8W dan wel meer subsidiair op grond van artikel 6:212 8W dan wel nog meer subsidiair op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro te om binnen twee weken na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een termijn die uw rechtbank redelijk acht een bedrag van € 1.806,15 aan de man te voldoen, dan wel subsidiair een bedrag als uw rechtbank juist acht; althans een zodanige voorziening te treffen als uw rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;
Vergoedingsvordering hogere afvalstoffenheffing over het jaar 2024 als gevolg van
Onrechtmatige inschrijving vrouw in dat jaar in de BRP op het adres aan [adres]
IX. de vrouw primair op grond van artikel 6:203 5W dan wel subsidiair op grond van artikel 6:212 BW Pro dan wel meer subsidiair op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis een bedrag van € 117 aan de man te voldoen in verband het hogere bedrag aan afvalstoffenheffing dat de man verschuldigd was aan de gemeente Amsterdam over het jaar 2024 omdat de vrouw ten onrechte in de BRP nog stond ingeschreven op het adres van de voormalige gezamenlijke woning aan [adres] , dan wel een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van het ten deze door uw rechtbank te wijzen vonnis, althans met ingang van een datum die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren tot de dag der algehele voldoening; althans een zodanige voorziening te treffen als uw rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;
Uitkering depot
X. de vrouw te veroordelen om op eerste verzoek van één van de notarissen verbonden aan het kantoor Brummelhuis Notarissen standplaats [plaats] haar medewerking te verlenen aan de uitkering uit het depot bij de notaris van het geldbedrag dat de vrouw uit hoofde van het ten deze te wijzen vonnis in totaal aan de man verschuldigd is;
XI. te bepalen dat, indien de vrouw niet aan vorenstaande veroordeling sub VI voldoet, het door uw rechtbank ten deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw tot uitkering uit het depot van het door haar uit hoofde van het ten deze te wijzen vonnis aan de man verschuldigde geldbedrag;
Onrechtmatige opzegging havenplek
XII. te verklaren voor recht dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld c.q. dat er sprake is van misbruik van recht door dat zij de huurovereenkomst van de ligplaats in de jachthaven ‘ [locatie] ’ te [plaats] heeft opgezegd aan met het enkele doel om de man te benadelen, als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro en artikel 7:276 BW Pro;
XIII. de vrouw te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding, bestaande uit het verschil tussen het huurgenot van de ligplaats en de situatie na opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opzegging tot aan de dag van volledige betaling;
XIV. althans ten aanzien van het gevorderde sub 1 t/m XIV een zodanige voorziening te treffen als U.E.A. Voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
Bijlage II: vorderingen van de vrouw in reconventie zoals omschreven in haar akte inbreng en uitlating producties, verzoek nadere toelichting tevens wijziging eis
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Te verklaren voor recht dat de man is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen onder de samenlevingsovereenkomst om mee te werken aan verkoop van de woning (met parkeerplaatsen en berging) althans om mee te werken aan levering aan de hoogstbiedende.
II. Primair: de man te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, de woning (met parkeerplaatsen en berging) te leveren aan de vrouw, onder voorwaarde dat de vrouw bij gelegenheid van de levering een bedrag betaalt van € 1.600.000 minus de hierna te bepalen bedragen en voorts onder de navolgende bepalingen:
a. De levering dient vrij en onbezwaard plaats te vinden, zonder beslag of hypotheek;
b. De levering dient "vrij op naam" geschieden, zodanig dat eventuele overdrachtsbelasting voor rekening komt van de man;
c. De levering dient te geschieden ten overstaan van Brummelhuis notarissen dan wel, indien deze niet beschikbaar is, een andere door de vrouw aan te wijzen notaris;
d. De koopsom kan worden verminderd / verrekend met het bedrag terzake van verlies van de vrouw van de actuele waarde van haar deel van de hypotheeklening ad € 188.700 dan wel een ander door UEA in goede justitie te bepalen bedrag, dan wel terzake verlies van hypotheeklening zodanige maatregelen te nemen als UEA in goede justitie zal bepalen;
Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat de man nalatig zal zijn aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000
Subsidiair,
Te bepalen dat de man dient mee te werken aan verkoop van de woning (met parkeerplaatsen en berging), op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat de man nalatig zal zijn aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000 dan wel onder nadere door UEA te bepalen voorwaarden;
Dan wel, meer subsidiair, voor het geval UEA de toedeling aan de man in stand laat,
Te bepalen dat onderlinge verdeling van de woning (met parkeerplaatsen en berging) dient te geschieden tegen een waarde van € 1.600.000 k.k. en dat de overbedeling op die basis moet worden berekend.
III. De peildatum te bepalen waarop de verdeling van de woning (met parkeerplaatsen en berging) wordt berekend.
IV. Te bepalen dat bij bepaling van de overwaarde van de woning (met parkeerplaatsen en berging) cq bij enige eindafrekening, de hypotheeklening dient te worden betrokken tegen de actuele waarde op peildatum derhalve tegen verrekening van € 188.700 dan wel tegen verrekening van een bedrag zoals bepaald per peildatum door UEA dan wel een door UEA aan te wijzen deskundige.
V. De man te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan de vrouw vanaf 1 september 2023 dan wel een door UEA te bepalen aanvangsdatum, tot aan de peildatum, (primair) ter hoogte van de huurwaarde € 2.408 per maand dan wel (subsidiair) ter hoogte van de gebruikslasten en rentecomponent € 1.208,08 per maand, dan wel (meer subsidiair) tot zodanige gebruiksvergoeding per maand als UEA redelijk acht.
VI. Het saldo van de eindafrekening vast te stellen, rekening houdende met reeds door de vrouw betaalde € 21.176, en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het saldo van de aldus door UEA bepaalde overwaarde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum tot aan de dag van algehele voldoening en onder verrekening van reeds betaalde bedragen.
Ten aanzien van de inboedel
VII. De omvang van de inboedel te bepalen die moet worden betrokken in de verdeling conform productie 29.
VIII. Te bepalen dat de verdeling van de inboedel zal plaatsvinden bij helfte door middel van het opgooien van een muntstuk. Degene die de toss wint mag als eerste een inboedelgoed uitkiezen, waarbij wordt gewerkt per regel op de lijst van productie 29, vervolgens mag de ander een inboedelgoed uitkiezen enzovoorts, althans terzake de verdeling van de inboedel een zodanige verdeling vast te stellen als UEA juist voorkomt. Terzake ook te bepalen dat de verdeling zal plaatsvinden ten overstaan van een notaris verbonden aan Brummelhuis Notarissen, indien partijen niet binnen twee weken na datum vonnis in onderling overleg de verdeling hebben tot stand gebracht.
Ten aanzien van de te veel betaalde rente Rabobank
IX. De man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.250 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van uw uitspraak tot de dag van algehele voldoening;
X. Althans ten aanzien van de vorderingen 1 t/m 9 zodanige maatregelen te nemen als UEA geraden voorkomen.
Met veroordeling van de man in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3272 (niet gepubliceerd).
2.HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499, r.o. 3.2.
3.HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, r.o. 3.4 en HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, r.o. 3.3.1.
4.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:617, r.o. 3.2 onder verwijzing naar HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, r.o. 3.5.
5.HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156 onder verwijzing naar HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143.