Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
22 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Deze zaak betreft de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen tussen partijen, waarbij de rechtbank de gemeenschappelijke woning aan de vrouw heeft toegewezen. De man stelde hoger beroep in tegen deze toedeling. Omdat de man niet meewerkte aan de levering van de woning, vorderde de vrouw in kort geding medewerking aan het notarieel transport. De voorzieningenrechter bepaalde dat het vonnis dezelfde kracht zou hebben als de handtekening van de man onder de leveringsakte indien hij niet binnen zeven dagen medewerking verleende.
Het hof behandelde de bodemzaak en het kort geding samen en bekrachtigde het vonnis over de woning in de bodemzaak. De man stelde cassatieberoep in tegen het eindarrest van het hof in de bodemzaak, maar niet tegen het arrest in het kort geding. De vrouw voerde aan dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk was omdat niet was voldaan aan de inschrijving in het rechtsmiddelenregister binnen acht dagen, zoals vereist door art. 3:301 lid 2 BW Pro.
De Hoge Raad overwoog dat deze wettelijke bepaling slechts van toepassing is op uitspraken die in de plaats treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Omdat in de bodemzaak geen dergelijke bepaling was opgenomen, is art. 3:301 lid 2 BW Pro niet van toepassing op het cassatieberoep tegen het eindarrest in de bodemzaak. De Hoge Raad verwierp daarom het verweer van niet-ontvankelijkheid en verwees de zaak voor schriftelijke toelichting naar een roldatum, waarbij verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de man ontvankelijk en verwees de zaak voor schriftelijke toelichting.