Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Samenvatting
Procesverloop
Achtergrond verzoek tot schadevergoeding
Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding
status, sprake is van (gevolgschade door) een zelfstandige onrechtmatige daad, die los staat van de vertraging in de uitbetaling van de IVA-
uitkering. Volgens de rechtbank is het schade toebrengend handelen in dit geval uitsluitend gelegen in het onrechtmatige besluit tot weigering van de IVA-uitkering na einde wachttijd.
statuswas toegekend, dan zou dit niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Reden hiervoor is dat het vereiste causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde vermogensschade ontbreekt. Voor aansprakelijkheid is vereist dat verzoeker aannemelijk maakt dat de schade niet zou zijn ontstaan als het onrechtmatige besluit niet was genomen en verweerder meteen een rechtmatig besluit had genomen over de aanspraak op een IVA-uitkering (na einde wachttijd). De bewijslast hiervoor rust dus op verzoeker. Daarin is hij niet geslaagd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatige besluit genoodzaakt was om, in plaats van de hypothecaire lening, de alternatieve financiering voor de verbouwing af te sluiten. De rechtbank acht daarbij van belang dat verzoeker de woning, die onbewoonbaar was en ingrijpend verbouwd moest worden, al in 2019 heeft gekocht, terwijl zowel het onrechtmatige besluit over de WIA-uitkering (na einde wachttijd) als de hypotheekaanvraag van (ruim) na de koop dateren. Ten tijde van de aankoop bestond al geen zekerheid over de inkomenspositie en het al dan niet verkrijgen van een IVA-uitkering, maar die onzekerheid heeft kennelijk geen doorslaggevende rol gespeeld bij de beslissing in 2019 om een woning te kopen die ingrijpend verbouwd moest worden. De aankoop werd destijds ingegeven door de wens van verzoeker om zijn drie opgroeiende kinderen ieder een eigen slaapkamer te kunnen bieden en om te beschikken over een, gelet op zijn medische situatie, beter passende woning. De financieringsbehoefte voor de verbouwing vloeit daarmee primair voort uit de eigen keuze van verzoeker om in 2019 een beter passende woning te kopen die verbouwd moest worden en waarvoor aanvullende financiering nodig was. De daarmee samenhangende onzekerheden, waaronder de afhankelijkheid van externe financiering en de mogelijkheid van afwijzing, behoren tot de gebruikelijke financiële risico’s van een dergelijke beslissing.