AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten UWV over WIA-uitkering
Verzoeker, voormalig directeur van een kinderopvangorganisatie, diende een schadeverzoek in tegen het UWV wegens onrechtmatige besluiten omtrent zijn WIA-uitkeringen van 18 januari 2019 en 12 mei 2021. Na diverse procedures werd vastgesteld dat deze besluiten onrechtmatig waren en dat verzoeker recht had op een IVA-uitkering met terugwerkende kracht. De rechtbank beoordeelde het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 AwbPro.
De rechtbank kende verzoeker een schadevergoeding toe van € 17.842,74, bestaande uit immateriële schadevergoeding van € 5.000, een belastingschadevergoeding van € 9.000 en een vergoeding van € 3.000 voor kosten ter vaststelling van de schade. Verzoeker kreeg daarnaast vergoeding van griffierecht en proceskosten toegewezen. Vergoedingen voor rentekosten van alternatieve financiering, advocaatkosten en medische kosten werden afgewezen wegens onvoldoende causaal verband of exclusieve regelingen.
De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatige besluiten hebben geleid tot objectief vast te stellen geestelijk letsel bij verzoeker, wat de immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. De belastingschade werd erkend vanwege de nabetaling van uitkeringen in één keer. De kosten voor het vaststellen van de schade werden deels toegewezen na beoordeling van de relevantie van de rapporten. De rechtbank sloot af met een volledige afwijzing van overige schadeposten en een veroordeling van het UWV tot betaling van de toegewezen bedragen.
Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk schadevergoeding toe van € 17.842,74 wegens onrechtmatige besluiten UWV en wijst het overige verzoek af.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5632
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigden: mr. A. Koert en mr. N. Anbergen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigden: mr. D. Brandt-van Es en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het schadeverzoek van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn schadeverzoek. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand hiervan of verzoeker recht heeft op schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoeker recht heeft op (gedeeltelijke) vergoeding van immateriële schade, belastingschade en de kosten ter vaststelling van de schade. De rechtbank stelt verzoeker daarmee deels in het gelijk en wijst een bedrag van € 17.842,74 aan schadevergoeding toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 30 september 2025 onder verwijzing naar artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de rechtbank een verzoek ingediend om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding. Het gaat om schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten van verweerder van 18 januari 2019 en 12 mei 2021. Verzoeker heeft zijn schade begroot op een totaalbedrag van € 563.744,57.
2.1.
Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding met het schadebesluit van 10 februari 2026 gehonoreerd voor een bedrag van € 570,- en voor het overige afgewezen. Voor het verweer in deze procedure verwijst verweerder naar dit schadebesluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden en vergezeld door zijn echtgenote. Daarnaast waren drie adviseurs van verzoeker aanwezig: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld intern te overleggen over de mogelijkheid om samen met verzoeker een mediationtraject aan te gaan. Verweerder heeft de rechtbank met een brief van 25 maart 2026 geïnformeerd hier niet toe bereid te zijn en de voorkeur te geven aan een uitspraak. Omdat partijen op de zitting van 19 maart 2026 al hebben laten weten geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens op 1 april 2026 gesloten.
Achtergrond verzoek tot schadevergoeding
3. Verzoeker was geruime tijd werkzaam als directeur van een kinderopvangorganisatie. Hij was vrijwillig verzekerd voor de WIA. [1] Op 7 mei 2018 heeft verzoeker zich ziekgemeld.
4. Op 2 november 2018 heeft verzoeker een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend bij verweerder. Hij meende in aanmerking te komen voor een IVA [2] -uitkering met toepassing van een verkorte wachttijd. Met het primaire besluit van 18 januari 2019 werd de toekenning van deze uitkering geweigerd.
5. Op 24 mei 2020 heeft verzoeker nogmaals – na verloop van de wachttijd van 104 weken – een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Met het primaire besluit van 12 mei 2021 werd aan verzoeker per 4 mei 2020 een WGA [3] -uitkering toegekend waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 72,71%.
6. Naar aanleiding van beide besluiten volgde een bezwaar-, beroeps-, en hoger beroepsprocedure.
7. In een uitspraak van rechtbank Amsterdam van 8 mei 2023 werd geoordeeld dat het bestreden besluit over de WIA-uitkering (na de wachttijd van 104 weken) op medische en arbeidsdeskundige gronden geen stand kon houden en dat verweerder een nieuw besluit diende te nemen. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. In een uitspraak van 25 oktober 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder het beroepschrift niet tijdig had ingediend. Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 27 december 2023 heeft verweerder bepaald dat verzoeker per 4 mei 2020 recht had op een IVA-uitkering.
8. Op 28 februari 2024 heeft verweerder de IVA-uitkering over de periode van 4 mei 2020 tot en met 31 december 2023 aan verzoeker nabetaald. Dit betrof een bedrag van € 53.732,58 bruto, zijnde € 30.107,63 netto. Over dit bedrag werd € 2.175,29 aan wettelijke rente vergoed.
9. In een uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat verweerder aan verzoeker ten onrechte geen IVA-uitkering met toepassing van een verkorte wachttijd heeft toegekend. Door de CRvB is bovendien zelf in de zaak voorzien. Zij heeft het besluit van 18 januari 2019 herroepen en bepaald dat verzoeker met ingang van 11 januari 2019 recht heeft op een IVA-uitkering.
10. Op 12 december 2024 werd de IVA-uitkering over de periode van 11 januari 2019 tot en met 31 mei 2020 aan verzoeker nabetaald. Dit betrof een bedrag van € 55.390,63 bruto, zijnde € 37.794,80 netto. Over dit bedrag werd € 10.944,39 aan wettelijke rente vergoed.
Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding
Bevoegdheid van de rechtbank
11. De bestuursrechter is bevoegd om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding die is veroorzaakt door een van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde oorzaken, waaronder: een onrechtmatig besluit.
12. Volgens artikel 8:89, eerste lid, Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd als de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de CRvB of de Hoge Raad (HR) in enige of hoogste aanleg oordeelt.
13. Verzoeker heeft zijn verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank Amsterdam. In artikel 8:90, eerste lid, Awb staat dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Voor het besluit van 12 mei 2021 was dat rechtbank Amsterdam, zodat deze rechtbank bevoegd is het verzoek dat daarmee verband houdt, te beoordelen. Voor wat betreft de schade gevorderd als gevolg van het besluit van 18 januari 2019 geldt echter dat de rechtbank Den Haag op grond van voornoemd artikel bevoegd is om het schadeverzoek te behandelen. Omdat dit pas kort voor de zitting is onderkend, heeft de rechtbank (Amsterdam) – met toestemming van partijen – het volledige schadeverzoek behandeld om redenen van procesefficiëntie.
Beoordelingskader
14. Volgens vaste rechtspraak kan een bestuursorgaan worden gehouden tot vergoeding van schade als een besluit onrechtmatig is en de gestelde schade in causaal verband staat met dat besluit. [4] Partijen zijn het erover eens dat, met de nieuwe beslissing op bezwaar van 27 december 2023 en de uitspraak van de CRvB van 16 oktober 2024, de onrechtmatigheid van beide voornoemde bestreden besluiten vaststaat. Hiermee is in beginsel gegeven dat verweerder is gehouden om de schade die verzoeker als gevolg van de onrechtmatige besluiten heeft geleden te vergoeden.
15. Het is daarnaast vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om de gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [5]
16. De rechtbank bespreekt hieronder de verschillende door verzoeker opgevoerde schadeposten achtereenvolgens.
Schade wegens overschrijding redelijke termijn en restant wettelijke rente
17. Verzoeker heeft op de zitting zijn verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de vergoeding van de door hem geleden schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en onbetaalde wettelijke rente van € 500,- respectievelijk € 70,- ingetrokken, omdat verweerder deze bedragen inmiddels heeft betaald. De rechtbank zal hier daarom niet verder op ingaan.
Schade als gevolg van aangetrokken (alternatieve) financiering
18. Verzoeker vraagt om vergoeding van twee verschillende posten aan vermogensschade in verband met afgesloten leningen. Hij stelt allereerst schade te hebben geleden doordat hij, vanwege de onrechtmatige besluitvorming waarbij een IVA-uitkering na einde wachttijd is afgewezen, geen hypothecaire lening kon krijgen voor de verbouwing van zijn nieuwe woning. Hierdoor was hij genoodzaakt om alternatieve financiering aan te trekken tegen ongunstigere voorwaarden. Het verschil tussen de betaalde rentelasten voor de alternatieve financiering en de rente die hij zou hebben betaald bij het afsluiten van een hypothecaire lening, begroot verzoeker op € 422.000,-. Daarnaast stelt verzoeker schade te hebben geleden doordat hij leningen heeft moeten afsluiten om de kosten van levensonderhoud voor zichzelf en zijn gezin te kunnen blijven betalen en hierover rente heeft moeten betalen. Deze rentekosten bedragen € 7.200,- en zou hij niet hebben gehad als hij vanaf mei 2020 een IVA-uitkering had ontvangen.
19. Artikel 6:119 BWPro normeert de omvang en de duur van een civielrechtelijke schadevergoedingsverplichting. In het eerste lid is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. [6] Dit betekent dat met de vergoeding van de wettelijke rente alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, wordt geacht te zijn voldaan. [7]
20. De rechtbank vat het verzoek om schadevergoeding in verband met de afgesloten lening voor het levensonderhoud op als een verzoek om schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, te weten de IVA-uitkering. Gezien wat onder 19 is overwogen, komen de door verzoeker opgevoerde kosten, naast de wettelijke rente, niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Partijen zijn het erover eens dat verweerder intussen alle verschuldigde wettelijke rente heeft betaald (zie overweging 17). De rechtbank zal in zoverre het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.
21. De rechtbank overweegt dat in principe ook de schade in verband met de rentekosten van de alternatieve financiering moet worden aangemerkt als schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom als bedoeld in artikel 6:119 BWPro. Deze schade hangt eveneens samen met het later beschikbaar komen van de IVA-uitkering. Gelet op wat hiervoor is overwogen, wordt deze schade ook geacht te zijn vergoed door de betaling van de wettelijke rente. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de rechtbank, mede gelet op de onder 19 aangehaalde rechtspraak, onvoldoende aanknopingspunten om strikte toepassing van artikel 6:119 BWPro op grond van overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. De rechtbank kan verzoeker daarnaast niet volgen in zijn standpunt dat, met het niet toekennen van de IVA- status, sprake is van (gevolgschade door) een zelfstandige onrechtmatige daad, die los staat van de vertraging in de uitbetaling van de IVA- uitkering. Volgens de rechtbank is het schade toebrengend handelen in dit geval uitsluitend gelegen in het onrechtmatige besluit tot weigering van de IVA-uitkering na einde wachttijd.
22. Ook als de schade van verzoeker wel als zelfstandige vermogensschade zou worden aangemerkt (in plaats van als vertragingsschade), omdat ten tijde van de hypotheekaanvraag geen IVA- statuswas toegekend, dan zou dit niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Reden hiervoor is dat het vereiste causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde vermogensschade ontbreekt. Voor aansprakelijkheid is vereist dat verzoeker aannemelijk maakt dat de schade niet zou zijn ontstaan als het onrechtmatige besluit niet was genomen en verweerder meteen een rechtmatig besluit had genomen over de aanspraak op een IVA-uitkering (na einde wachttijd). De bewijslast hiervoor rust dus op verzoeker. Daarin is hij niet geslaagd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatige besluit genoodzaakt was om, in plaats van de hypothecaire lening, de alternatieve financiering voor de verbouwing af te sluiten. De rechtbank acht daarbij van belang dat verzoeker de woning, die onbewoonbaar was en ingrijpend verbouwd moest worden, al in 2019 heeft gekocht, terwijl zowel het onrechtmatige besluit over de WIA-uitkering (na einde wachttijd) als de hypotheekaanvraag van (ruim) na de koop dateren. Ten tijde van de aankoop bestond al geen zekerheid over de inkomenspositie en het al dan niet verkrijgen van een IVA-uitkering, maar die onzekerheid heeft kennelijk geen doorslaggevende rol gespeeld bij de beslissing in 2019 om een woning te kopen die ingrijpend verbouwd moest worden. De aankoop werd destijds ingegeven door de wens van verzoeker om zijn drie opgroeiende kinderen ieder een eigen slaapkamer te kunnen bieden en om te beschikken over een, gelet op zijn medische situatie, beter passende woning. De financieringsbehoefte voor de verbouwing vloeit daarmee primair voort uit de eigen keuze van verzoeker om in 2019 een beter passende woning te kopen die verbouwd moest worden en waarvoor aanvullende financiering nodig was. De daarmee samenhangende onzekerheden, waaronder de afhankelijkheid van externe financiering en de mogelijkheid van afwijzing, behoren tot de gebruikelijke financiële risico’s van een dergelijke beslissing.
23. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van schade in verband met de rentekosten van de alternatieve financiering gelet op het voorgaande afwijzen.
Immateriële schade
24. Verzoeker vraagt om een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. Hij stelt dat de onrechtmatige besluiten hem veel psychische klachten hebben bezorgd, waardoor hij verschillende behandeltrajecten op advies van zijn behandelaren meermaals heeft moeten uitstellen. Daarnaast hebben de onrechtmatige besluiten grote impact gehad op hem en zijn gezin, met name door stress en geldzorgen. Daardoor is hij als gevolg van de onrechtmatige besluiten in zijn persoon aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Verweerder heeft zich op de zitting van de rechtbank bereid verklaard om € 2.500 te vergoeden.
25. Van immateriële schade vanwege aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. [8] Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. [9]
26. Uit de overgelegde verklaring van zijn behandelend psycholoog van 15 juli 2024 blijkt dat verzoeker sinds 26 maart 2024 met het behandelprogramma ‘Hersenz’ is gestart. In dit programma leren cliënten omgaan met alle veranderingen en onzichtbare, blijvende restverschijnselen die zijn opgetreden in het leven na opgelopen letsel. De psycholoog geeft aan dat verzoeker al in september 2022 heeft willen starten met het programma, maar niet goed kon deelnemen omdat hij alleen maar gefocust was op de procedures tegen verweerder. Deze mentale en emotionele belasting zorgde er ook voor dat zowel de individuele behandeling in december 2022 als de groepsbehandeling in juni 2023 niet konden worden voortgezet. De in maart 2024 gestarte behandeling heeft verzoeker wel afgemaakt, hoewel ook toen veel spanningen en stress bleven bestaan. Dit heeft geleid tot de aanvullende inzet van een individueel traject, met psychomotorische therapie en psychologie, met als doel de spanningen te verminderen. De psycholoog concludeert dat het geschil met verweerder de behandeling van verzoeker zowel langer (mede door de onderbreking) als intensiever (door het inzetten van individuele therapie) heeft gemaakt.
27. De rechtbank concludeert hieruit dat de onrechtmatige besluiten rechtstreeks hebben bijgedragen aan het feit dat verzoeker niet in staat is geweest zijn niet-aangeboren hersenletsel adequaat en op gebruikelijke wijze te behandelen. De ontstane stress- en spanningsklachten zorgden ervoor dat verzoeker langere tijd niet (beter) heeft kunnen leren omgaan met zijn beperkingen, wat essentieel is voor zijn functioneren. Ook heeft het geleid tot een onderbreking en vertraging van de behandeling en tot een intensiever behandeltraject dan gebruikelijk. De verklaring van de psycholoog bevestigt dat dit anders was geweest zonder de onrechtmatige besluiten. Het voorgaande wijst op objectief vast te stellen geestelijk letsel, dat verder gaat dan alleen emotioneel onbehagen. Dit rechtvaardigt toekenning van immateriële schadevergoeding.
28. Hier komt bij dat verzoeker tot tweemaal toe tot de hoogste rechterlijke instantie heeft moeten procederen om zijn gelijk te krijgen, omdat verweerder tweemaal een onrechtmatig besluit heeft genomen. Hierdoor hebben hij en zijn gezin bijna 6 jaar in onzekerheid, stress en financiële zorgen geleefd. Ook de (aanloop naar de) voorliggende procedure heeft een tijd geduurd. De rechtbank begrijpt dat dit niet alleen verzoeker zelf, maar ook zijn gezin zwaar heeft belast.
29. Gezien de samenloop van voornoemde omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat verzoeker door de onrechtmatige besluiten geestelijk letsel heeft opgelopen dat objectief kan worden vastgesteld. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De verzochte schadevergoeding van € 5.000,- is daarvoor passend en staat in verhouding tot de aard en ernst van het geestelijk letsel. De rechtbank wijst dit bedrag daarom toe.
Belastingschade
30. Verzoeker vraagt om vergoeding van een bedrag van € 18.351,- aan belastingschade. Verzoeker stelt deze schade te hebben geleden als gevolg van de nabetalingen van de IVA-uitkeringen ineens, waardoor een hoger inkomstenbelastingtarief is betaald dan wanneer de uitkeringen maandelijks, over de jaren, zouden zijn uitbetaald.
31. Verzoeker heeft op de zitting zijn verzoek in dit kader verlaagd tot een bedrag van € 9.000,-, gelet op de mogelijkheid tot het indienen van een middelingsverzoek bij de Belastingdienst. Verweerder heeft het bestaan van belastingschade ter hoogte van dit verlaagde bedrag niet weersproken en toegezegd dit bedrag te vergoeden. De rechtbank zal daarom de vergoeding van de belastingschade voor een bedrag van € 9.000,- toewijzen.
Advocaatkosten
32. Verzoeker vraagt om vergoeding van € 82.215,60 aan juridische kosten gemaakt voor de gevoerde procedures met betrekking tot de onrechtmatige besluiten.
33. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB heeft de wetgever met artikel 7:15 AwbPro, artikel 8:75 AwbPro en 8:108 Awb, in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), een exclusieve regeling getroffen voor vergoeding van proceskosten met een limitatief en forfaitair karakter. Dit betekent dat – anders dan verzoeker heeft betoogd – geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van zijn juridische kosten langs de weg van artikel 8:88 AwbPro. [10] Het verzoek om vergoeding van de juridische kosten wordt daarom afgewezen.
Kosten voor medisch advies
34. Verzoeker vraagt om vergoeding van € 4.050,47 aan medische advieskosten in het kader van de gevoerde procedures met betrekking tot de onrechtmatige besluiten. Het gaat om kosten die verzoeker heeft betaald aan [bedrijf 1] en zijn huisarts en in de eerdere procedures niet heeft gevorderd.
35. Verweerder heeft op de zitting verklaard bereid te zijn om een bedrag van € 842,74 aan medische advieskosten te vergoeden. Voor het overige refereert verweerder zich aan het oordeel van de rechtbank.
36. Kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, zoals de door verzoeker verzochte medisch advieskosten, kunnen op grond van artikel 7:15 AwbPro, artikel 8:75 AwbPro en 8:108 Awb in samenhang met het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten worden meer specifiek berekend overeenkomstig artikel 8:36, tweede lid, Awb in samenhang met artikel 6 vanPro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Btis). Zoals onder 33 overwogen, betreft het een exclusieve regeling voor vergoeding van proceskosten (waaronder kosten voor een deskundige) met een limitatief en forfaitair karakter. Dit betekent dat er geen ruimte is voor een (aanvullende) vergoeding van dergelijke kosten via artikel 8:88 AwbPro.
37. Dat (de advocaat van) verzoeker de medische advieskosten in eerdere procedures (mogelijk) is vergeten te vorderen, maakt voorgaande niet anders. Uit de aard en strekking van artikel 8:75 AwbPro volgt dat het gaat om een exclusieve mogelijkheid van de behandelend bestuursrechter om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs in verband met de behandeling van het betreffende beroep heeft moeten maken. Volgens vaste rechtspraak moet bij vergoeding van deskundigenkosten worden beoordeeld of degene die de deskundige heeft ingeschakeld, op het moment van inschakeling, mocht verwachten dat de deskundige zou bijdragen aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter(s) van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Daarbij moet een verband bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in de procedure aan de orde zijn. [11] Voor rechters die een opvolgend schadeverzoek behandelen, is een dergelijke beoordeling, anders dan voor de bestuursrechters die de betreffende (hoger) beroepsprocedures behandelden waarvoor de betreffende deskundige is ingeschakeld, niet mogelijk. Zij kunnen namelijk niet treden in de inhoudelijke (her)beoordeling van die eerdere procedures. Bovendien, zelfs als de rechtbank hier wel in zou kunnen treden, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt of en, zo ja, in hoeverre er een verband bestaat tussen de ingeroepen deskundigheid van [bedrijf 1] en/of de huisarts en de specifieke vragen die in de eerdere procedures aan de orde waren. Dit valt ook niet af te leiden uit de door verzoeker overgelegde eerdere uitspraken.
38. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van € 842,74 toewijzen en het verzoek voor het overige afwijzen.
Kosten ter vaststelling van de schade
39. Verzoeker vraagt tot slot om vergoeding van de kosten betaald aan [bedrijf 2] van € 22.340,- en aan [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) van € 2.087,50 ter vaststelling van de schade.
40. Op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder c, BW komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. [12]
41. Verweerder betwist dat de kosten voor [bedrijf 2] van € 22.340,- daadwerkelijk door verzoeker zijn betaald, omdat de facturen zijn gericht aan [bedrijf 4] B.V. ( [bedrijf 4] ). Gelet hierop behandelt de rechtbank eerst de vraag of verzoeker daadwerkelijk de kosten aan [bedrijf 2] heeft gemaakt. Op de zitting heeft verzoeker, ondersteund door zijn financieel adviseur, toegelicht dat [bedrijf 4] de kosten heeft voorgeschoten, omdat hij de kosten zelf niet kon betalen. Verzoeker heeft verder aangegeven dat hij aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] is en dat [bedrijf 4] geen operationele vennootschap meer is. Ook heeft verzoeker toegelicht dat hij in een rekening-courant verhouding staat met [bedrijf 4] , verplicht is de facturen voor [bedrijf 2] aan haar terug te betalen en dat hierbij geen belastingvoordelen gemoeid zijn. Verzoeker heeft benadrukt dat hij altijd met fatsoen handelt en deze kosten zal terugbetalen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan deze toelichting te twijfelen, mede omdat verweerder op zitting daarop verder niet is ingegaan, en acht die toelichting geloofwaardig. Dit betekent dat de gemaakte kosten voor [bedrijf 2] als kosten van verzoeker worden aangemerkt, ondanks het feit dat zij door [bedrijf 4] zijn voorgeschoten.
42. De rechtbank beoordeelt vervolgens de vraag of en zo ja, in hoeverre de gemaakte kosten in causaal verband staan met de onrechtmatige besluiten. De rechtbank stelt vast dat een groot deel van het rapport van [bedrijf 2] bestaat uit algemene tekstblokken, zoals een inleiding en een algemeen juridisch en financieel raamwerk voor schadeberekening, en uit schadeposten die (volgens deze uitspraak) niet voor vergoeding in aanmerking komen, zoals rentekosten als gevolg van de aangetrokken (alternatieve) financiering en proceskosten. Dit geldt ook voor het advies van [bedrijf 3] , dat gaat over rentepercentages die [bedrijf 2] heeft gebruikt voor de berekening van de (hogere) rentekosten. Slechts een beperkt deel van het rapport van [bedrijf 2] ziet op schadeposten die wel voor vergoeding in aanmerking komen, te weten belastingschade en immateriële schade. Gelet hierop acht de rechtbank (alleen) het [bedrijf 2] rapport in beperkte mate relevant voor de vaststelling van de schade en komt een groot deel van de daarmee gemoeide kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding de vergoeding te matigen en acht een bedrag van € 3.000,-, uitgaande van circa 12 uren aan werkzaamheden tegen een uurtarief van € 250,-, passend en toewijsbaar.
Conclusie en gevolgen
43. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 17.842,74 voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek om schadevergoeding wordt voor het overige afgewezen.
44. Omdat het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk wordt toegewezen, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan verzoeker het griffierecht van € 53,- vergoedt.
45. De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder de proceskosten van verzoeker voor het verzoek om schadevergoeding vergoedt. Deze vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee punten met een gemiddeld gewicht. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 17.842,74 aan verzoeker;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.