ECLI:NL:CRVB:2018:2932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens vertraagde WIA-uitkering naast wettelijke rente
Appellant verzocht om vergoeding van materiële schade voortvloeiend uit de onrechtmatige vaststelling dat hij geen WIA-uitkering ontving van 1 december 2011 tot 28 januari 2013. Deze schade omvatte onder meer kosten door gedwongen verkoop van zijn woning en verhuiskosten.
Het UWV betaalde de uitkering met wettelijke rente na, maar wees verdere schadevergoeding af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat artikel 6:119 BW Pro de schadevergoeding beperkt tot wettelijke rente bij vertraging in betaling van een geldsom.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze lijn. De Raad oordeelt dat de civielrechtelijke normering van artikel 6:119 BW Pro ook geldt voor bestuursrechtelijke schadevergoeding bij vertraagde uitkeringen. De door appellant opgevoerde extra materiële schade valt onder de schade wegens vertraging, die reeds is vergoed met de wettelijke rente.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit, waarmee het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dit betekent dat alleen de wettelijke rente vergoed wordt bij te late betaling van een WIA-uitkering, ook als de uitkering voor het levensonderhoud noodzakelijk is.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat naast de wettelijke rente geen verdere schadevergoeding wordt toegekend voor de vertraging in de WIA-uitkering.