ECLI:NL:RBAMS:2025:9559

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
13-101499-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelwijze toewijzing Europees aanhoudingsbevel voor tenuitvoerlegging Roemeens verzamelarrest

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Roemenië voor de overlevering van een opgeëiste persoon ter uitvoering van een verzamelarrest uit 2024. Dit arrest verving een eerder verzamelvonnis uit 2020, waarvan de overlevering reeds was geweigerd. De rechtbank oordeelde dat het nieuwe verzamelarrest geldig is en dat Roemenië bevoegd is het uit te voeren, mede gelet op de Duitse erkenning en het feit dat de straf aldaar nog niet is begonnen.

De rechtbank onderzocht de aanwezigheid van weigeringsgronden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW). Voor twee onderliggende vonnissen (referenties 516/10.04.2015 en 228/10.02.2015) was voldaan aan de procesvereisten en werd overlevering toegestaan. Voor het derde vonnis (referentie 1084/26.05.2016) was echter onduidelijk of de opgeëiste persoon adequaat was opgeroepen en bijgestaan door een advocaat tijdens latere zittingen, mede omdat hij in Nederland in overleveringsdetentie zat. De rechtbank weigerde daarom overlevering voor dit vonnis.

De rechtbank nam ook kennis van de detentieomstandigheden in Roemenië en achtte de individuele garanties voldoende om te concluderen dat geen reëel gevaar bestaat op onmenselijke behandeling. De officier van justitie was ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB, en het subsidiaire verzoek tot nadere vragen aan de justitiële autoriteit werd afgewezen.

De beslissing is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De overlevering wordt toegestaan voor het gedeelte van de straf die samenhangt met de twee toegestane vonnissen en geweigerd voor het derde vonnis, waarbij de uitvaardigende lidstaat wordt opgedragen de strafuitvoering dienovereenkomstig aan te passen.

Uitkomst: Overlevering toegestaan voor twee onderliggende vonnissen van het verzamelarrest en geweigerd voor één vonnis wegens schending van verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-101499-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2025 door
the Galați Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
feitelijk verblijvende op het adres:
[feitelijk verblijfplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 3 juli 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een vordering tot behandeling van een Duits EAB (dat vlak voor deze zitting was ontvangen) in te dienen en om de uitkomst van de uitspraak van het Hof in de prejudiciële procedure in de zaak C.J. (C-305/22) (hierna:
C.J.). [2] af te wachten. De rechtbank heeft het aan de officier van justitie gelaten of nadere vragen in het kader van de toets aan artikel 12 OLW Pro moeten worden gesteld.
De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid OLW de termijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 2 september 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 2 september 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. Het Duitse EAB bleek inmiddels ingetrokken te zijn. Wel was er inmiddels een (nog onvertaalde) brief ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarin sprake zou zijn van een rolzitting op 17 september 2025, waarop het EAB besproken zou worden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor onbepaalde tijd om de uitkomst van de Roemeense procedure (waarin blijkbaar op 17 september 2025 een rolzitting was gepland) en de uitspraak van het Hof in de prejudiciële procedure in de zaak
C.J. af te wachten, alsook om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen de door de officier van justitie gestelde vragen in het kader van de toets aan artikel 12 OLW Pro te beantwoorden.
De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid OLW nogmaals de termijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 19 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 19 november 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van
the Galati Courtvan
25 november 2024met referentie 1730
,waarover in hoger beroep is geoordeeld door
the Galati County Courtin het arrest van 21 februari 2025 met referentie 32/21.02.2025 (hierna: het verzamelarrest).
Ten aanzien van dit verzamelarrest vermeldt het EAB de volgende drie onderliggende vonnissen:
  • een vonnis van
  • een vonnis van
  • een vonnis van
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Hierop moet – volgens het EAB - in mindering worden gebracht de tijd die hij gedetineerd heeft gezeten, te weten:
  • de dagen in overleveringsdetentie in Nederland, te weten van 23-02-2016 tot 08-07-2016 en 29-05-2023 tot 18-08-2023;
  • de dagen in overleveringsdetentie in Duitsland, te weten van 23-07-2017 tot 05-09-2017 en 21-04-2021 tot 10-05-2021;
  • één dag in detentie in Roemenië, te weten op 29-08-2014;
  • de dagen in voorarrest in Roemenië, te weten van 10-09-2014 tot 04-11-2014.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelarrest.
Dit verzamelarrest betreft feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Geldigheid van het EAB

Eerder, bij uitspraak van 25 augustus 2023 is de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd door deze rechtbank op grond van artikel 12 OLW Pro. [4] In die zaak (EAB van 4 december 2020) was sprake van een ander verzamelvonnis van
the Galati Court, te weten van 5 november 2020 (no. 1419), waaraan echter exact dezelfde vonnissen ten grondslag lagen.
De raadsvrouw bepleit dat het niet mogelijk is om een nieuw verzamelarrest te wijzen en op grond daarvan een nieuw EAB uit te vaardigen en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [5] De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het wel mogelijk is.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het blijkbaar mogelijk is in Roemenië een eerder verzamelvonnis in te trekken en er een nieuw verzamelvonnis voor in de plaats te wijzen. Dit blijkt ook uit de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 oktober 2025 waarin is aangegeven dat een nieuw verzamelvonnis en arrest is gewezen en een nieuw EAB is uitgevaardigd.
Procedure in Duitsland
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 2 OLW Pro, omdat geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis. De raadsvrouw voert daartoe aan dat in 2020 een verzamelvonnis is gewezen, waaraan dezelfde onderliggende vonnissen ten grondslag lagen als die welke nu ook ten grondslag liggen aan het hiervoor genoemde verzamelarrest van 2025. De opgeëiste persoon is eerder op 21 april 2021 op basis van een EAB uit Roemenië ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis uit 2020 in Duitsland (waar hij af en aan woont) aangehouden, waarna de overlevering is geweigerd door Duitsland gelet op de detentieomstandigheden in Roemenië. De Roemeense autoriteiten hebben daarop, via een WETS-procedure, de Duitse autoriteiten verzocht de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen. De Duitse rechter (
the Regional Court in Krefeld) heeft het Roemeense verzamelvonnis uit 2020 bij beslissing van 30 november 2022 vervolgens erkend en beslist dat de opgelegde straf in Duitsland ten uitvoer kan worden gelegd – met aftrek van de reeds uitgezeten dagen. De raadsvrouw verwijst hiervoor naar artikel 21, sub b, en artikel 22 van Pro het Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: het Kaderbesluit). De opgeëiste persoon wil zijn straf in Duitsland uitzitten en was bovendien gemakkelijk te traceren – in tegenstelling tot hetgeen in de brief van de Duitse autoriteiten van 1 juli 2025 staat vermeld.
Uit de aanvullende informatie van 30 oktober 2025 blijkt dat Roemenië heeft besloten om het eerdere verzamelvonnis in te trekken, een nieuw verzamelvonnis te wijzen en daarbij een nieuw EAB uit te vaardigen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat Roemenië hiertoe niet bevoegd was nu in Duitsland de straf ook nog geëxecuteerd kan worden. De opgeëiste persoon moet de kans krijgen de in Roemenië opgelegde straf in Duitsland uit te zitten. De raadsvrouw verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 78 uit het arrest
C.J.Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is het arrest
C.J.niet van toepassing, omdat Roemenië het verzamelvonnis uit 2020 en het certificaat in 2022 heeft toegezonden aan de Duitse autoriteiten in het kader van een WETS-procedure en niet in het kader van een overleveringsprocedure zoals bedoeld in artikel 4, punt 6 van het Kaderbesluit. Uit de aanvullende informatie van 30 oktober 2025 blijkt dat Duitsland nog niet is overgegaan tot executie van deze straf omdat de opgeëiste persoon niet te vinden was. De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar artikel 22, eerste lid van het Kaderbesluit, op het standpunt dat Roemenië de bevoegdheid tot executie van de straf niet heeft verloren. Derhalve was Roemenië bevoegd een nieuw verzamelvonnis te wijzen met betrekking tot de vonnissen en een ander EAB uit te vaardigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw niet kan slagen. De rechtbank overweegt dat, gelet op de aanvullende informatie en de beslissing van de Duitse rechter, de overname van de straf door Duitsland bij beslissing van
the regional court van Krefeldvan 16 december 2022 (met kenmerk: Az 22 StVK 262/22) op basis van het Kaderbesluit heeft plaatsgevonden.
In artikel 22 van Pro dit Kaderbesluit staat:
Gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon
Behoudens lid 2 gaat de beslissingsstaat niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie over, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan.
Het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie valt opnieuw aan de beslissingsstaat toe, zodra deze van de tenuitvoerleggingsstaat bericht ontvangt dat de sanctie in de zin van artikel 21, onder h), gedeeltelijk niet ten uitvoer is gelegd.
De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 1 juli 2025 van de autoriteiten in Krefeld en van 4 september en 30 oktober 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit vast dat in Duitsland – de tenuitvoerleggingsstaat – nog geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de Roemeense straf. De Duitse autoriteiten schrijven onder meer: “
The enforcement has not yet commenced due to the convicted person’s changing whereabouts”. Weliswaar hebben de Duitse justitiële autoriteiten op 30 juni 2025 een EAB uitgevaardigd, maar dit EAB is ook weer ingetrokken. Reeds hierom kan dit niet als een begin van de tenuitvoerlegging van de straf worden aangemerkt. Gelet op het eerste lid van artikel 22 Kaderbesluit Pro kan de in Roemenië opgelegde straf aldaar dus nog ten uitvoer worden gelegd, omdat nog een reststraf openstaat. Roemenië was derhalve bevoegd om een nieuw verzamelvonnis en -arrest te wijzen met betrekking tot de vonnissen waarvan de tenuitvoerlegging in Duitsland is overgenomen en daarbij een nieuw EAB uit te vaardigen. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar verzamelarrest. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen het EAB. De rechtbank wijst daarom ook het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw af, nu er geen aanleiding is om nadere vragen te stellen aan de justitiële autoriteit.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Zoals hiervoor in paragraaf 3 is vastgesteld, betreft het EAB een verzamelarrest met drie onderliggende vonnissen. Zowel de procedures die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid als de procedure die tot het verzamelarrest heeft geleid, vallen onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en in het verzamelarrest de eerder opgelegde straffen zijn samengevoegd tot één straf, waarbij de Roemeense rechter een beoordelingsmarge heeft gehad met betrekking tot de duur van die straf.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat dat de overlevering moet worden geweigerd ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie 1084/26.05.2016. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zittingen van 23 april en 7 mei 2015. De opgeëiste persoon is vervolgens niet meer verschenen op de zittingen in 2016, waarop de zaak ook inhoudelijk is behandeld. Dit blijkt uit aanvullende informatie die eerder, in 2023, is verstrekt. Het vonnis dateert ook pas van mei 2016. Het is niet aan de opgeëiste persoon te wijten dat hij op latere zittingen niet verschenen is, omdat uit het EAB volgt dat hij destijds in Nederland in overleveringsdetentie zat. Blijkbaar is er op enig moment wel een advocaat aan hem toegevoegd, maar het is niet duidelijk of deze op de zittingen was en gemachtigd was. Ook is er geen reden om af te zien van weigering. Tot slot merkt de raadsvrouw op, dat er géén verzetsgarantie is verstrekt. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het verzamelarrest en de overige onderliggende vonnissen geen opmerkingen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is ten aanzien van het verzamelarrest de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW van toepassing. Uit de aanvullende informatie van 25 juni 2025 blijkt immers dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is bijgestaan door een gekozen raadsman die hij een volmacht had gegeven. De opgeëiste persoon heeft vervolgens zelf hoger beroep ingesteld waarbij hij weliswaar niet aanwezig was maar de advocaat wel. Subsidiair verzoekt de officier van justitie om af te zien van de toepassing van de weigeringsgrond, aangezien de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld en het dus op zijn weg had gelegen zich te vergewissen van de datum van de behandeling in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest.
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie 1084/26.05.2016 op het standpunt dat moet worden afgezien van de toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is immers aanwezig geweest op de zittingen van
23 april en 7 mei 2015, waarbij hem op de laatste zitting is aangezegd wanneer de volgende zitting zou zijn. De opgeëiste persoon is vervolgens niet meer verschenen. Hij heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest. Ter onderbouwing verwijst de officier van justitie naar twee uitspraken van de rechtbank Amsterdam. [6] Tot slot merkt de officier van justitie op dat het niet relevant is dat de opgeëiste persoon niet op de zitting in mei 2016 is verschenen (toen uitspraak is gedaan) vanwege zijn detentie in Nederland, omdat hij al eerder afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Ten aanzien van de onderliggende vonnissen met referenties 516/10.04.2015 en 228/10.02.2015 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de weigeringsgrond niet aan de orde is, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zittingen die tot deze vonnissen hebben geleid.
Oordeel van de rechtbank
Het verzamelarrest met referentie 32/21.02.2025
De rechtbank overweegt dat als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [7] De rechtbank zal daarom het verzamelarrest toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelarrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Anders dan door de officier van justitie betoogd, kan de rechtbank niet vaststellen of de advocaat die in hoger beroep voor de opgeëiste persoon is opgetreden, daartoe ook gemachtigd was.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure tot verkrijging van een (nieuw) verzamelvonnis en is weliswaar niet aanwezig geweest op de zitting in eerste aanleg, maar heeft wel een gekozen advocaat gemachtigd met een volmacht voor hem op te treden. Nadat het vonnis in eerste aanleg was uitgesproken heeft hij zelf hoger beroep ingesteld. Vervolgens is hij niet verschenen op de zitting in hoger beroep, maar heeft een andere, aan hem toegevoegde advocaat, hem vertegenwoordigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon zelf had moeten navragen wanneer de zitting in hoger beroep zou plaatsvinden. Ook had hij contact met de aan hem toegevoegde advocaat kunnen opnemen. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering derhalve geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
Het onderliggend vonnis met referentie 1084/26.05.2016
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. De rechtbank merkt daarbij op dat over dit vonnis in het EAB niets wordt vermeld en dat ondanks dat hierom herhaaldelijk is gevraagd, geen ingevuld D-formulier ten aanzien van dit vonnis is nagezonden. Wel is – tot vijf keer toe – aanvullende informatie verstrekt te weten op 3, 10 juli en 17 augustus 2023, 25 juni 2025 en 4 september 2025. Hieruit blijkt nog steeds niet of hij in deze zaak een advocaat gemachtigd heeft en of deze advocaat op de zittingen aanwezig was. Wel is sprake van een toegevoegd advocaat maar deze was niet “
retained”, en ook onduidelijk is of deze advocaat hem op alle zittingsdagen waarop hij zelf niet aanwezig was, daadwerkelijk verdedigd heeft.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd en de rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Weliswaar is de opgeëiste persoon verschenen op de zittingen van 23 april en 7 mei 2015, waarbij hij tijdens de laatste zitting zou zijn aangezegd op welke datum de volgende zitting zou plaatsvinden. Vervolgens hebben echter gedurende een heel jaar, tot de uitspraak van 26 mei 2016, diverse zittingen plaatsgevonden (zie de aanvullende informatie van 17 augustus 2023). Onduidelijk is hoe de oproepen voor die andere zittingen zijn verlopen. Bovendien blijkt ook uit het EAB dat de opgeëiste persoon zich in die periode (van februari tot juli 2016) in Nederland in overleveringsdetentie bevond. Dit maakt de situatie anders dan in de uitspraak onder ECLI:NL:RBAMS:2024:2579: in die zaak was het blijkbaar volgens de Poolse wet niet nodig iemand voor latere zittingen op te roepen: voor wat betreft de Roemeense wet is dat onbekend. Bovendien is de situatie anders omdat de opgeëiste persoon mogelijk in overleveringsdetentie zat toen de zittingen plaats vonden, zodat hij onmogelijk naar latere zittingen kon komen. Onbekend is op welke zittingsdag de aanzegging zag die hij op 7 mei 2015 heeft gekregen en of hij toen in Nederland vastzat. De situatie is ook anders dan in de andere uitspraak onder ECLI:NL:RBAMS:2022:4685, die door de officier van justitie eveneens is genoemd: in die (Poolse) zaak zat de opgeëiste persoon ook niet mogelijk in Nederland in overleveringsdetentie in de periode dat er zittingen plaats vonden, en bovendien waren de oproepen voor latere zittingen in die zaak naar zijn adres verstuurd. In de onderhavige zaak weet de rechtbank niet of er nog oproepen voor latere zittingen naar hem verstuurd zijn. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt voor het stellen van nadere vragen, zal de overlevering voor dit vonnis worden geweigerd.
De onderliggend vonnissen met referenties 516/10.04.2015 en 228/10.02.2015
De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 25 juni 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide procedures is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en daarnaast werd bijgestaan door een raadsman. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 12 OLW Pro niet aan de orde is.

6.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

7.Artikel 11: detentieomstandigheden in Roemenië

Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [8]
Op 25 juni 2025 heeft
the Chief Commissioner of Prison Police, Director General of the National Administration of Penitentiariesin Roemenië informatie verstrekt met daarin de volgende individuele garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon:
“(…) regarding (…) Mr. [de opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] , 1993, residing in [geboorteplaats] County, sentenced to 3 years and 5 months of imprisonment) (…) we hereby communicate the following:
In the situation where the person deprived of liberty will be handed over to the Romanian authorities at Henri Coanda Airport in Bucharest, they will be initially placed inRahova Bucharest Penitentiaryfor the quarantine period, for a period of 21 days, in a room that will provide them with aminimum space of 3 square meters.
(...)
Considering the severity of the sentence, it is likely that the defendant will initially serve his custodial sentence ina closed regime. Additionally, considering their place of residence, it is possible for them to serve the sentence initially atGalati Penitentiary.
(…)
Mr. [de opgeëiste persoon] will benefit from aminimum individual space of 3 s square meters, throughout the duration of his sentence, including the bed and related furniture, excluding the space allocated for the sanitary group.
(…)
the National Administration of Penitentiaries guarantees the provision of a minimal personal space of 3 square meters throughout the entire period of sentence execution, including the bed and furniture, without including the space allocated for the sanitary group.”
Standpunten van partijen
De raadsvrouw heeft ten aanzien van artikel 11 OLW Pro geen standpunt ingenomen.
Volgens de officier van justitie is de verstrekte detentiegarantie voldoende en staat artikel 11 OLW Pro niet aan de overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [9] De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense rechterlijke autoriteit, met de officier van justitie van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB ten aanzien van het verzamelarrest en de daaraan ten grondslag liggende onderliggende vonnissen met referentie 516/10.04.2015 en 228/10.02.2015 voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor deze vonnissen toe.
Ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie 1084/26.05.2016 stelt de rechtbank vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Bij dit vonnis was aan de opgeëiste persoon, zo blijkt uit het EAB, een gevangenisstraf van één jaar en tien maanden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
Het vonnis 1084/26.05.20 maakt onderdeel uit van het verzamelarrest. Het staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat om de straf aan te passen, nu zij gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 48, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Galați Court, Roemenië ten behoeve van de tenuitvoerlegging van:
- het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd voor de feiten zoals die staan omschreven in onderdeel e) van het EAB en horen bij de aan het verzamelarrest van
21 februari 2025 ten grondslag liggende vonnissen met referentie 516/10.04.2015 en 228/10.02.2015.
WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Galați Court, Roemenië ten behoeve van de tenuitvoerlegging van:
- het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd voor het feit zoals dat staat omschreven in onderdeel e) van het EAB en hoort bij het aan het verzamelarrest van 21 februari 2025 ten grondslag liggende vonnis met referentie 1084/26.05.2016.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2023:6041.
5.Rechtbank Amsterdam 12 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4759.
6.Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2579 en Rechtbank Amsterdam 5 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4685.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
8.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.