ECLI:NL:RBAMS:2025:8942

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
017475-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 29 oktober 2025 een tussenbeschikking gegeven in het kader van een klaagschrift dat op 10 juni 2024 is ingediend. Het klaagschrift betreft de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB) en de vraag of de uitvoering daarvan kan worden geweigerd op grond van geheimhoudersgegevens. De rechtbank heeft vastgesteld dat het filterproces van eventuele geheimhoudersgegevens onder de in beslag genomen gegevens is afgerond. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat klager niet meer de status van verdachte heeft, geen reden is om het klaagschrift gegrond te verklaren. De rechtbank heeft de noodzaak om in overleg te treden met de Letse autoriteiten over de geheimhoudersgegevens en de waarborgen dat deze gegevens ontoegankelijk blijven na overdracht aan de Letse autoriteiten. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot 26 november 2025, waarbij partijen in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de vragen die aan de Letse autoriteiten moeten worden gesteld. De rechtbank heeft ook overwogen dat er geen aanleiding is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de implementatie van de weigeringsgrond in het Nederlandse recht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

RK nummer: 017475-24
Datum beschikking: 29 oktober 2025
TUSSEN-
BESCHIKKING
op het klaagschrift
ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1976,
domicilie kiezende te [geboorteplaats] ,
klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 10 juni 2024 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De officier van justitie heeft ten behoeve van de raadkamer van 10 september 2024 een schriftelijk standpunt aan de rechtbank gezonden.
Raadkamer 10 september 2024
De rechtbank heeft op 10 september 2024 het klaagschrift behandeld en de raadsman van klager, mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van pleitnotities) nader uiteengezet.
Klager is niet verschenen.
De rechtbank heeft op 10 september 2024 het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris om te doen wat nodig is in het belang van het onderzoek.
De officier van justitie heeft op 1 oktober 2024 een vordering op grond van artikelen 181-185 Sv in samenhang met artikelen 98 Sv en 218/218a Sv ingediend, strekkende tot – kort gezegd – het doen van onderzoek aan de in beslag genomen voorwerpen en/of gegevensdragers naar eventuele geheimhouderstukken betrekking hebbend op de door klager genoemde verschoningsgerechtigden door de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de uitgefilterde gegevens op overzichtelijke wijze veilig worden bewaard en dat de niet-uitgefilterde gegevens worden verstrekt aan de officier van justitie ten behoeve van verstrekking aan de Letse autoriteiten.
De rechter-commissaris heeft op 6 maart 2025 een proces-verbaal opgemaakt van zijn onderzoekshandelingen.
De officier van justitie heeft bij bericht van 14 maart 2025 een aanvullend standpunt ten behoeve van de behandeling in raadkamer van 18 maart 2025 aan de rechtbank gezonden.
De raadsman heeft bij e-mailbericht van 17 maart 2025 (met bijlage) aan de rechtbank meegedeeld dat de strafzaak tegen klager in Letland definitief is beëindigd.
Raadkamer 18 maart 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 18 maart 2025 en de raadsman van klager, mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.
De officier van justitie heeft, in reactie op het e-mailbericht van de raadsman van 17 maart 2025, bij e-mailbericht van 19 maart 2025 meegedeeld dat uit de navraag bij de Letse autoriteit is gebleken dat klager niet (langer) de status van verdachte maar van getuige heeft, maar dat het Europees onderzoeksbevel niet is ingetrokken.
Tussenbeslissing 15 april 2025
Bij tussenbeslissing van 15 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend en aangehouden, omdat zij van oordeel was dat de stand van het dossier en wat tot dan toe is besproken in raadkamer nog niet zodanig is dat de rechtbank een eindbeslissing kon nemen omtrent het beslag. De rechtbank heeft in de tussenbeslissing thema’s geformuleerd die op de volgende behandeling aan de orde zullen komen.
Raadkamer 3 juni 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 3 juni 2025 en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat in Utrecht, zijnde de raadsman van klager, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.
Tussenbeslissing 1 juli 2025
Bij tussenbeslissing van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend en aangehouden, om de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris om de verschoningsgerechtigden in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over mogelijk geprivilegieerde gegevens onder de in beslag genomen gegevens. Als het redelijkerwijs niet mogelijk blijkt de verschoningsgerechtigden in staat te stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot de inbeslaggenomen gegevens, dan dient de rechter-commissaris te handelen overeenkomstig de werkwijze zoals omschreven in het arrest van de Hoge Raad met ECLI nummer: ECLI:NL:HR:2024:375 (r.o. 6.6.4).
De rechter-commissaris heeft op 24 september 2025 een proces-verbaal opgemaakt van zijn verdere onderzoekshandelingen.
Raadkamer 1 oktober 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op 1 oktober 2025 en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat in Utrecht, zijnde de raadsman van klager, en de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.

2.Tussenbeslissingen 15 april 2025 en 1 juli 2025

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in de tussenbeslissingen van 15 april 2025 en 1 juli 2025. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

3.Het verdere onderzoek door de rechter-commissaris

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de rechter-commissaris van
24 september 2025 en van het daarbij gevoegde proces-verbaal van de geheimhouders-functionaris van 19 september 2025.
Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris volgt het volgende.
De rechter-commissaris heeft de twee verschoningsgerechtigden benaderd om zich uit te laten over mogelijke geheimhoudersgegevens op de in beslag genomen informatiedragers. Eén van de verschoningsgerechtigden heeft de rechter-commissaris voorzien van aanvullende zoektermen. De andere verschoningsgerechtigde heeft aanvankelijk gereageerd, maar vervolgens, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen nadere zoektermen aangeleverd.
De nieuwe zoektermen hebben geleid tot verdere filtering van de gegevens. Bij die filterslag
heeft de rechter-commissaris zich wederom laten bijstaan door de geheimhoudersfunctionaris
van de FIOD. Tijdens een steekproefcontrole is naar voren gekomen dat enkele zoektermen een groot aantal vals positieven oplevert. Die termen zijn van de zoektermenlijst verwijderd, nu de rechter-commissaris na de uitgevoerde controle de overtuiging heeft dat alle geheimhoudersgegevens tevens worden geraakt door de overige zoektermen.
Na het aanpassen van de zoektermenlijst heeft een tweede filterronde plaatsgevonden. De
geheimhoudersfunctionaris heeft de dataset opnieuw doorzocht met de aangepaste
zoektermen. De geraakte data van de tweede filtering zijn uitgegrijsd, waardoor deze gegevens
niet langer zichtbaar zijn voor opsporingsambtenaren die bij onderhavig onderzoek betrokken
zijn.
De geheimhoudersfunctionaris heeft op vragen van de rechter-commissaris toegelicht op
welke wijze de geschoonde data naar het buitenland kunnen worden overgedragen met behoud
van de resultaten van de filtering.
De filtering is uitgevoerd met bepaalde software, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De geheimhoudersfunctionaris heeft toegelicht dat hij een
portable casevan [bedrijf 1] en een
UFED-rapport van [bedrijf 2] kan verstrekken. Naar de rechter-commissaris heeft begrepen
wordt daarmee een
stand alonebestand verstrekt dat door de buitenlandse opsporingsdienst
kan worden geopend en gebruikt, zonder dat daarvoor vereist is dat die opsporingsdienst zelf
over de genoemde programma’s beschikt of daarvoor enige licentie heeft. Wel zouden de uitgegrijsde gegevens zichtbaar en toegankelijk kunnen worden gemaakt door het bestand te openen met andere software (dan het aangeleverde
stand alonebestand). Het is dus vereist dat afspraken worden gemaakt met het ontvangende land om te verzekeren dat het bestand met de vrij te geven geschoonde data niet met andere software wordt geopend. De rechter-commissaris
heeft met de geheimhoudersfunctionaris besproken of er een alternatieve, werkbare manier is om de geschoonde bestanden vrij te geven, waarbij het technisch niet mogelijk is de uitgegrijsde gegevens weer zichtbaar te maken. Een werkbaar alternatief is de geheimhoudersfunctionaris en de rechter-commissaris niet bekend.
De wijze waarop is gefilterd maakt het dus noodzakelijk dat de gefilterde data slechts worden
geraadpleegd in de door de geheimhoudersfunctionaris verstrekte
portable caseen UFED-
rapport. Enkel op die manier kan volgens de rechter-commissaris gewaarborgd worden dat de uitgegrijsde gegevens daadwerkelijk ontoegankelijk blijven. Bij verstrekking van de gefilterde gegevens aan de officier van justitie stelt de rechter-commissaris daarom als voorwaarde dat de verstrekte bestanden niet met andere software dan die bestanden zelf mogen worden geopend.

4.Standpunt klager

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EOB, nu klager – aldus door de raadsman overgelegde stukken – niet meer de status van verdachte heeft. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verschoningsgerechtigde die de rechter-commissaris niet van verdere zoektermen heeft voorzien, daartoe nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld. Verder heeft de raadsman zijn bedenkingen geuit ten aanzien van de door de geheimhoudersfunctionaris en de rechter-commissaris voorgestelde wijze waarop de gefilterde data aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zou moeten worden verstrekt.

5.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de door de raadsman overgelegde informatie over de status van klager in het Letse strafrechtelijke onderzoek in een eerder stadium – namelijk voorafgaande aan de raadkamer van 18 maart 2025 – al is geverifieerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft laten weten dat het EOB niet is ingetrokken en zij nog steeds uitvoering daarvan verlangt. De omstandigheid dat klager inmiddels niet langer de status van verdachte heeft staat dus niet aan uitvoering van het EOB in de weg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: HvJ EU). Daarmee zou onder meer duidelijk moeten worden of de weigeringsgrond van artikel 11, lid 1 onder a van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (
hierna: de richtlijn) nog kan worden toegepast op het moment dat de erkenning van het EOB en de feitelijke inbeslagneming (en daarmee volgens de officier van justitie de tenuitvoerlegging van het EOB) al hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het volgens de officier van justitie de vraag of de weigeringsgronden van artikel 11 van de richtlijn juist zijn geïmplementeerd in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), omdat de facultatieve weigeringsgronden in de richtlijn zijn omgezet in dwingende weigeringsgronden in artikel 5.4.4 Sv.
Tot slot heeft de officier van justitie zich afgevraagd op welke (naar de rechtbank begrijpt: Unierechtelijke) grondslag voorwaarden zouden mogen worden verbonden aan de wijze waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit kennis mag nemen van de gefilterde gegevens. Daarbij komt dat momenteel niet bekend is of mogelijk sprake is van een reden voor doorbreking van het verschoningsrecht, zoals bedoeld op pagina 8 van de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) van de implementatiewetgeving, Kamerstuk 34 611, nummer 3.

6.Het oordeel van de rechtbank

Klager geen status van verdachte meer
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft per e-mail van 19 maart 2025 bevestigd dat klager inmiddels de status van getuige heeft, maar dat het onderzoek nog gaande is. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het EOB niet ingetrokken en verlangt nog steeds uitvoering daarvan. Met de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat de enkele omstandigheid dat klager niet meer de status van verdachte heeft geen reden is om het klaagschrift gegrond te verklaren.
Toetsing van de weigeringsgrond van artikel 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a, Sv in het kader van de onderhavige klaagschriftprocedure
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het nog maar de vraag is of de weigeringsgrond van artikel 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a, Sv (de implementatie van artikel 11, lid 1, aanhef en onder a, van de richtlijn) nog van toepassing is in dit stadium van de procedure, nu de uitvoering van het EOB, te weten volgens de officier van justitie de feitelijke inbeslagneming van de informatiedragers, al is afgerond. De officier van justitie heeft verzocht dat de rechtbank hierover een prejudiciële vraag stelt aan het HvJ EU.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Uit artikel 1 van de richtlijn volgt dat de lidstaten zich ertoe hebben verbonden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn erkent de uitvoerende autoriteit het overeenkomstig de richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt zij voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.
De rechtbank stelt vast dat de filtering van de inbeslaggenomen voorwerpen op stukken die onder het verschoningsrecht vallen, voor zover daarop door een verschoningsgerechtigde beroep wordt gedaan, onderdeel is van de beslagprocedure naar Nederlands recht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn en daarom valt onder de tenuitvoerlegging van het EOB als bedoeld in artikel 11 van de richtlijn. De beperkte uitleg van het begrip “tenuitvoerlegging van het EOB” die de officier van justitie voorstelt zou zich bovendien niet verhouden met artikel 14 van de richtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten erop toezien dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. Ook als het gaat om inbeslagneming op grond van een EOB, moet een mogelijk verschoningsrecht dus onderwerp kunnen zijn van een klaagschrift ex artikel 552a Sv. Er is geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van ‘acte clair’ op dit punt.
Afronding filterproces
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het filteren van eventuele geheimhoudersgegevens, zoals gevorderd door de officier van justitie, naar Nederlands recht op de juiste wijze is uitgevoerd door de rechter-commissaris, met inachtneming van wat de rechtbank hierover in haar tussenbeschikking van 1 juli 2025 heeft overwogen.
Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris blijkt dat beide verschoningsgerechtigden zijn bereikt. Eén van de verschoningsgerechtigden heeft nadere zoektermen ter filtering aangeleverd, die vervolgens door de rechter-commissaris bij het filterproces zijn toegepast. De andere verschoningsgerechtigde is wel bereikt, maar heeft, na herhaalde verzoeken, de rechter-commissaris niet van verdere zoektermen voorzien. Nu is komen vast te staan dat deze verschoningsgerechtigde daadwerkelijk is bereikt en dat al meerdere verzoeken zijn gedaan, ziet de rechtbank – anders dan de raadsman – geen aanleiding om de behandeling van het klaagschrift aan te houden om de verschoningsgerechtigde nogmaals in de gelegenheid te stellen om nadere zoektermen aan te leveren.
Nu door de rechter-commissaris redelijke inspanningen zijn verricht en beide verschoningsgerechtigden daadwerkelijk in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over mogelijk geprivilegieerde gegevens onder de in beslag genomen gegevens is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de werkwijze zoals omschreven in de beslissing van de Hoge Raad met ECLI-nummer: ECLI:NL:HR:2024:375. De in beslag genomen gegevens zijn blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris gefilterd op mogelijk geprivilegieerde gegevens conform de gepubliceerde werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal. De rechter-commissaris heeft na de uitgevoerde controle de overtuiging dat alle geheimhoudersgegevens worden geraakt door de zoektermen. Naar het oordeel van de rechtbank is het filterproces hiermee afgerond.
De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende. De rechtbank realiseert zich dat de werkwijze zoals omschreven door de Hoge Raad in de beslissing met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2024:375 ziet op de situatie dat de officier van justitie gegevens heeft gevorderd van aanbieder van een communicatiedienst (art. 126ng/ug Sv) en niet op inbeslagneming van informatiedragers op grond van art. 94 Sv in het kader van een doorzoeking ter vastlegging van gegevens (art. 125i Sv), zoals in de onderhavige zaak het geval is. De vraag rijst of in dit geval niet de procedure als bedoeld in artikel 98, lid 3 Sv (had) moet(en) worden gevolgd, te weten dat de beslissing van de rechter-commissaris om de inbeslagneming toe te staan aan de verschoningsgerechtigden wordt betekend zodat zij eventueel zelf in een klaagschriftprocedure een beroep kunnen doen op hun verschoningsrecht. In dat geval is, kort samengevat, de beslissing op het klaagschrift van de niet-verschoningsgerechtigde onder wie de stukken in beslag zijn genomen afhankelijk van de onherroepelijke beslissing in de klaagschriftprocedure(s) van de verschoningsgerechtigde(n). [1] De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de officier van justitie het onderzoek naar mogelijke geheimhoudersgegevens heeft gevorderd op grond van artikel 181 e.v. Sv, nadat de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris had verwezen teneinde dat onderzoek uit te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank is, door de analoge toepassing van de werkwijze als omschreven in het arrest met ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2024:375, voldoende gewaarborgd dat de geheimhoudersgegevens op de inbeslaggenomen informatiedragers zijn uitgefilterd met inachtneming van het standpunt daarover van de verschoningsgerechtigden zelf, zodat in materiële zin hetzelfde resultaat is bereikt als wanneer de procedure was gevolgd zoals omschreven in de in voetnoot 1 genoemde beschikkingen van de Hoge Raad. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om de zaak aan te houden om alsnog de laatstgenoemde procedure in gang te zetten.
Overleg met uitvaardigende justitiële autoriteit
Uit het proces-verbaal van 24 september 2025 volgt dat als resultaat van het filterproces meerdere gegevens op de informatiedragers zijn aangemerkt als geheimhoudersgegevens. Dit betekent dat de uitvoering van het EOB partieel zou kunnen worden geweigerd op grond van artikel 5.4.4, eerste lid, aanhef en onder a Sv, namelijk voor zover deze uitvoering ziet op de geheimhoudersgegevens op de inbeslaggenomen informatiedragers. Op grond van dat artikel kan de erkenning of uitvoering van een EOB pas (partieel) worden geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit waaronder mede wordt verstaan een verschoningsrecht.
De rechtbank ziet aanleiding om in overleg te treden met de Letse autoriteiten alvorens te beslissen of de hiervoor bedoelde weigeringsgrond (partieel) aan uitvoering van het EOB in de weg staat. De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie van de Letse autoriteiten over twee onderwerpen, te weten:
a) eventuele redenen voor doorbreking van het verschoningsrecht, en
b) waarborgen dat de uitgegrijsde gegevens ontoegankelijk blijven na overdracht aan de Letse autoriteiten.
a.
a) eventuele redenen voor doorbreking van het verschoningsrecht
Naar Nederlands recht is het verschoningsrecht van advocaten niet absoluut. Er bestaan immers uitzonderingen op de hoofdregel dat de waarheidsvinding moet wijken voor het professioneel verschoningsrecht van een advocaat. Zo’n uitzondering doet zich onder meer voor als de in beslag genomen stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, ook wel de '
corpora et instrumenta delicti' genoemd (art. 98, lid 5 Sv). De in beslag genomen stukken zijn in dat geval geen object van het verschoningsrecht. De enkele omstandigheid dat een in beslag genomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding brengt niet mee dat het stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend. [2] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat onder zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van de waarheidsvinding kan meebrengen dat het in artikel 98, lid 5 Sv genoemde verbod wordt geschonden. Deze uitzondering geldt ook voor het bepaalde in artikel 98, lid 1 Sv. Een inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit [3] en voor de uitzondering gelden zware motiveringseisen. [4] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de volgende algemene factoren bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol kunnen spelen: [5]
- de vraag of het gaat het om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;
- de aard en zwaarte van de delicten;
- de aard en de omvang van de gegevens; en
- de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen.
De rechtbank wenst daarom van de Letse autoriteiten te vernemen of, aan de hand van het hiervoor geschetste beoordelingskader, er reeds op voorhand aanleiding bestaat om te veronderstellen dat een van de genoemde uitzonderingen zich voordoet. Voor zover dit het geval is, dienen de Letse autoriteiten informatie te verschaffen aan de hand waarvan de rechtbank kan vaststellen dat een dergelijke uitzondering zich voordoet. De rechtbank realiseert zich dat de Letse autoriteiten mogelijk pas kunnen beoordelen of één van de bovengenoemde uitzonderingen zich voordoet nadat zij hebben kennisgenomen van de overige, niet uitgegrijsde inhoud van de inbeslaggenomen informatiedragers. De onderhavige procedure leent zich er echter niet voor om de Letse autoriteiten reeds in dit stadium daarvan kennis te laten nemen. Mocht de uitvoering van dit EOB partieel geweigerd worden en mocht vervolgens uit nader onderzoek door de Letse autoriteiten naar de overige documenten blijken dat zich ten aanzien van de uitgegrijsde verschoningsstukken (één van) de voornoemde uitzonderingen zich voordoen, dan staat het de Letse autoriteiten vrij een nader EOB uit te vaardigen om alsnog beschikking te krijgen over de documenten waarvan door de rechter-commissaris is vastgesteld dat deze in beginsel onder het verschoningsrecht van de betrokken advocaten vallen.
b) waarborgen dat de uitgegrijsde gegevens ontoegankelijk blijven na overdracht aan de Letse autoriteiten
De Hoge Raad heeft zich in een arrest van 1 juli 2025 [6] uitgelaten over de vraag of het digitaal ‘uitgrijzen’ van geheimhoudersgegevens gelijk kan worden gesteld aan het vernietigen daarvan. De hoge Raad overweegt in dat verband:
“3.2.1
Van vernietiging van geheimhoudersgegevens is ook sprake als die gegevens niet meer kenbaar zijn door bewerking van de gegevensdrager of de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, waarbij de gekozen werkwijze zo moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.
3.2.2
Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging in het licht van het onder 3.2.1 vermelde vereiste, moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een proces-verbaal. In het bijzonder moet in het proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens.
3.2.3.
Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het onder 3.2.1 bedoelde vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht. (Vgl. HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rechtsoverwegingen 3.4.1-3.4.3.)”
Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 24 september 2025 blijkt dat bij vernietiging van de geheimhoudersgegevens gebruik is gemaakt van een technische voorziening. De geschoonde data kunnen aan de Letse autoriteiten worden verschaft in de vorm van een
portable casevan het programma [bedrijf 1] en een UFED-rapport van [bedrijf 2] . Daarmee kunnen de geschoonde data door de Letse autoriteiten worden geraadpleegd zonder dat zij daarvoor over de genoemde programma’s beschikken of daarvoor enige licentie hebben. Wanneer de Letse autoriteiten gebruikmaken van het aangeleverde
stand alonebestand, dan hebben zij geen toegang tot de geheimhoudersgegevens. Wel kunnen de uitgegrijsde geheimhoudersgegevens weer zichtbaar worden als het bestand wordt geopend met een ander programma dan het aangeleverde
stand alonebestand.
Om vast te kunnen stellen dat er voldoende waarborgen zijn dat de Letse autoriteiten geen toegang zullen hebben tot de uitgegrijsde geheimhoudersgegevens wenst de rechtbank van de Letse autoriteiten te vernemen of zij kunnen garanderen dat in het strafrechtelijk onderzoek slechts gebruik zal worden gemaakt van de te verstrekken
portable casevan het programma [bedrijf 1] en het UFED-rapport van [bedrijf 2] en, zo ja, welke concrete maatregelen zullen worden genomen om deze garantie na te komen.
Heropening onderzoek voor het formuleren van de te stellen vragen
De rechtbank acht het voor het nemen van een beslissing noodzakelijk, dat de officier van justitie eerst antwoord krijgt van de Letse autoriteiten op (in ieder geval) de volgende vragen:
Is er op dit moment aanleiding om te veronderstellen dat zich onder de inbeslaggenomen geheimhoudersgegevens stukken bevinden die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend? Zo ja, kunt u concreet aangeven waarom dit het geval is?
Doet zich in het strafrechtelijk onderzoek de zeer uitzonderlijke omstandigheid voor dat de waarheidsvinding zwaarder weegt dan het verschoningsrecht van de betrokken advocaten? Zo ja, kunt u concreet aangeven waarom dit het geval is, waarbij u in het bijzonder aandacht besteed aan de volgende aspecten:
- de vraag of het gaat het om een tegen de verschoningsgerechtigde(n) bestaande verdenking;
- de aard en zwaarte van de delicten;
- de aard en de omvang van de gegevens; en
- de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen.
3. Kunt u garanderen dat de gefilterde data slechts zullen worden geraadpleegd in de door de geheimhoudersfunctionaris verstrekte portable case van het programma [bedrijf 1] en UFED rapport en, zo ja, welke concrete maatregelen zullen worden genomen om deze garantie na te komen?
De rechtbank zal het onderzoek in raadkamer heropenen om de raadsman en officier van justitie in de gelegenheid te stellen om zich uiterlijk op 12 november 2025 (in een schriftelijke ronde) uit te laten over de vragen die aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld. De rechtbank zal de behandeling op de (uitspraken)zitting van 26 november 2025 weer enkelvoudig sluiten en een tussenbeschikking met de definitieve vragen geven.
Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de implementatie van de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in art. 11, lid 1, aanhef en onder a EOB-richtlijn in de imperatieve weigeringsgrond in art. 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a Sv. De rechtbank zal eerst de uitkomst van het overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit afwachten en, mede afhankelijk van de uitkomst daarvan, vervolgens bezien of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank komt immers pas toe aan het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EU indien beantwoording daarvan noodzakelijk is voor de beslissing in de onderhavige klaagschriftprocedure. [7] Daarvan zou sprake kunnen zijn als de rechtbank vaststelt dat de weigeringsgrond van artikel 5.4.4, lid 1, aanhef en onder a Sv zich weliswaar voordoet, maar zij aanleiding ziet om, ook na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit als bedoeld in de betreffende bepalingen in de richtlijn en het Wetboek van strafvordering, af te zien van die weigeringsgrond. Die situatie doet zich vooralsnog niet voor.

7.Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek in raadkamer en stelt de raadsman en officier van justitie in de gelegenheid om zich uiterlijk op 12 november 2025 in een schriftelijke ronde uit te laten over de (hiervoor geformuleerde) vragen die in het overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld;
- houdt de raadkamerbehandeling aan tot de uitsprakenzitting van 26 november 2025, waarop een tussenbeschikking met de definitieve vragen zal worden gegeven.
Deze beslissing is op 29 oktober 2025 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.C. Hooibrink, griffiers.

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076 en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970.
2.HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8.
3.HR 29 juni 2004, NJ 2005/273.
4.HR 9 mei 2006, NJ 2006/622.
5.Vgl. HR 29 juni 2004, NJ 2005/273 en HR 9 mei 2006, NJ 2006/622.
7.Hof van Justitie EU 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C-508/19, ECLI:EU:C:2022:201, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak.