Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
1.Procesgang
2.Tussenbeslissingen 15 april 2025 en 1 juli 2025
3.Het verdere onderzoek door de rechter-commissaris
portable casevan [bedrijf 1] en een
stand alonebestand verstrekt dat door de buitenlandse opsporingsdienst
stand alonebestand). Het is dus vereist dat afspraken worden gemaakt met het ontvangende land om te verzekeren dat het bestand met de vrij te geven geschoonde data niet met andere software wordt geopend. De rechter-commissaris
portable caseen UFED-
4.Standpunt klager
5.Standpunt van het Openbaar Ministerie
hierna: HvJ EU). Daarmee zou onder meer duidelijk moeten worden of de weigeringsgrond van artikel 11, lid 1 onder a van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (
hierna: de richtlijn) nog kan worden toegepast op het moment dat de erkenning van het EOB en de feitelijke inbeslagneming (en daarmee volgens de officier van justitie de tenuitvoerlegging van het EOB) al hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het volgens de officier van justitie de vraag of de weigeringsgronden van artikel 11 van de richtlijn juist zijn geïmplementeerd in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), omdat de facultatieve weigeringsgronden in de richtlijn zijn omgezet in dwingende weigeringsgronden in artikel 5.4.4 Sv.
6.Het oordeel van de rechtbank
a) eventuele redenen voor doorbreking van het verschoningsrecht
corpora et instrumenta delicti' genoemd (art. 98, lid 5 Sv). De in beslag genomen stukken zijn in dat geval geen object van het verschoningsrecht. De enkele omstandigheid dat een in beslag genomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding brengt niet mee dat het stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend. [2] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat onder zeer uitzonderlijke omstandigheden het belang van de waarheidsvinding kan meebrengen dat het in artikel 98, lid 5 Sv genoemde verbod wordt geschonden. Deze uitzondering geldt ook voor het bepaalde in artikel 98, lid 1 Sv. Een inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit [3] en voor de uitzondering gelden zware motiveringseisen. [4] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de volgende algemene factoren bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol kunnen spelen: [5]
portable casevan het programma [bedrijf 1] en een UFED-rapport van [bedrijf 2] . Daarmee kunnen de geschoonde data door de Letse autoriteiten worden geraadpleegd zonder dat zij daarvoor over de genoemde programma’s beschikken of daarvoor enige licentie hebben. Wanneer de Letse autoriteiten gebruikmaken van het aangeleverde
stand alonebestand, dan hebben zij geen toegang tot de geheimhoudersgegevens. Wel kunnen de uitgegrijsde geheimhoudersgegevens weer zichtbaar worden als het bestand wordt geopend met een ander programma dan het aangeleverde
stand alonebestand.
portable casevan het programma [bedrijf 1] en het UFED-rapport van [bedrijf 2] en, zo ja, welke concrete maatregelen zullen worden genomen om deze garantie na te komen.