Overwegingen
1. Op 31 mei 2021 heeft eiser een AOW-pensioen aangevraagd. Eiser heeft veel in het buitenland gewoond en verweerder heeft in het kader van de aanvraag de woon- en leefsituatie van eiser onderzocht.
2. Vanwege het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag heeft eiser verweerder op
19 augustus 2021 in gebreke gesteld.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder met ingang van 1 mei 2021 een voorlopig AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde, omdat verweerder van eiser nog niet alle gegevens had ontvangen over eisers feitelijke verblijfplaats(en).
4. Eiser heeft hiertegen op 9 september 2021 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat hij recht heeft op een AOW-pensioen vanaf 1 januari 2021 naar de norm voor een alleenstaande.
5. Met het bestreden besluit 1 heeft verweerder beslist dat eiser vanaf 1 mei 2020 een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde ontvangt. Vanwege onduidelijkheid over eisers woon- en leefsituatie acht verweerder het niet mogelijk te bepalen of eiser recht heeft op een alleenstaandenpensioen. Verweerder heeft verder beslist dat eiser geen recht heeft op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
6. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder de ingangsdatum van het AOW-pensioen gewijzigd naar 6 april 2020.
7. Volgens eiser heeft verweerder hem ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase. Hij stelt dat hij verweerders formulier met de vraag of hij in de bezwaarfase wilde worden gehoord, niet heeft ontvangen en daarom niet heeft gereageerd. Verweerder had eiser erop moeten wijzen dat hij het formulier nog niet had teruggestuurd.
8. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij vanaf 6 april 2020 recht heeft op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij tot 21 september 2020 in [woonplaats] verbleef aan de [adres] , nadien in [woonplaats] (België) aan de [adres] 3 en vanaf 1 januari 2021 in [woonplaats] aan de [adres] . Anders dan verweerder stelt, is er in de periode vanaf 1 januari 2021 bovendien geen sprake van een gezamenlijke huishouding, omdat er geen zorgtaken over en weer zijn. Eiser heeft bij mevrouw [naam 2] ( [naam 2] ), een aangetrouwde nicht, een kamer gehuurd en hiertoe een commerciële overeenkomst zijnde een ‘kostgangersovereenkomst’ gesloten. Eiser doet ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eisers broer woont eveneens bij [naam 2] en heeft van verweerder wel een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande toegekend gekregen. Verweerder heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd.
9. Tevens stelt eiser dat verweerder een dwangsom is verschuldigd als gevolg van het niet tijdig beslissen, omdat rekening moet worden gehouden met de tijd die zit tussen de verzending van het primaire besluit door verweerder en de ontvangst daarvan door eiser.
Het oordeel van de rechtbank
10. Met het bestreden besluit 2 is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepsgrond van eiser dat de ingangsdatum van het AOW-pensioen ten onrechte op 1 mei 2020 is vastgesteld. De norm van het AOW-pensioen is echter niet gewijzigd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich daarom mede tegen het bestreden besluit 2.
11. Op grond van artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, alvorens op het bezwaar te beslissen.
12. Verweerder voert aan dat op 28 september 2021 een formulier aan eiser is verzonden waarop hij kon aangeven of hij een gesprek over het bezwaarschrift wenste. Eiser heeft dit formulier niet teruggestuurd en daarom is eiser niet uitgenodigd voor een gesprek.
13. De rechtbank stelt vast dat het formulier niet aangetekend is verzonden en dat verweerder de verzending ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt. De ontkenning van de ontvangst van het formulier door eiser acht de rechtbank niet ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser geen uitnodiging voor een hoorzitting heeft gehad en is op grond hiervan van oordeel dat de hoorplicht is geschonden.
14. De rechtbank ziet echter aanleiding de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep alsmede ter zitting voldoende de gelegenheid gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen en is naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet in zijn belangen geschaad.
Vaste verblijfplaats en leefsituatie
15. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een besluit op aanvraag, zoals in deze zaak, de bewijslast voor de feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden, in hoofdzaak bij de aanvrager ligt.Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat hij op basis van zijn woon- en leefsituatie recht heeft op een alleenstaandenpensioen. De te beoordelen periode loopt van 6 april 2020 tot en met 2 september 2021.
16. Verweerder heeft betoogd dat het tot en met 31 december 2020 onduidelijk is waar eiser daadwerkelijk verbleef. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat eiser in de periode vanaf 1 januari 2021 tot en met 12 september 2021 (bedoeld zal zijn 2 september 2021, zijnde de datum van het primaire besluit) niet aan de voorwaarden voor een commerciële relatie voldoet. Eiser heeft namelijk geen afzonderlijke, zelfstandige kamer gehuurd en geen betaalbewijzen in de vorm van bankafschriften overgelegd.
17. De rechtbank oordeelt dat verweerder voor wat betreft de periode tot
21 september 2020 heeft mogen uitgaan van de zich in het dossier bevindende handhavingsrapportage van 18 september 2019. Hierin staat dat de bewoners van de [adres] in [woonplaats] tijdens een huisbezoek van verweerder hebben verklaard dat eiser dit adres enkel als briefadres gebruikte en mogelijk in België woonde. Eiser heeft vervolgens zelf in een telefoongesprek met verweerder bevestigd dat hij vanaf juni 2018 in Portugal woonde en geweigerd verweerder daarover aanvullende informatie te verstrekken. Naderhand heeft eiser ook niet onderbouwd dat de bevindingen uit de handhavingsrapportage onjuist zijn en/of wat zijn feitelijk woon- en leefsituatie tot
21 september 2020 dan wel was.
18. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft mogen uitgaan van de zich in het dossier bevindende informatie van de gemeente [woonplaats] (zie de tussenrapportage van
23 september 2021) dat eiser in de periode vanaf 21 september 2020 tot en met
1 januari 2021 niet stond ingeschreven op het adres [adres] 3. Daartegenover heeft eiser niet met nadere stukken onderbouwd dat hij daar wel verbleef en/of zijn feitelijke woon- en leefsituatie in die periode nader toegelicht.
19. Verweerder heeft over de periode 1 mei 2020 tot en met 31 december 2020 aan eiser daarom terecht een gehuwdenpensioen toegekend, omdat de verblijfplaats en de leefsituatie van eiser niet is vast te stellen.
20. Over de periode 1 januari 2021 tot en met 2 september 2021 volgt de rechtbank deze conclusie van verweerder echter niet. Het betoog van verweerder dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een commerciële relatie, is hiervoor onvoldoende. Alvorens wordt toegekomen aan de vraag of er sprake is van een commerciële relatie, moet namelijk eerst worden vastgesteld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de SVB Beleidsregels (SB1237) waarin staat dat het hebben van een commerciële relatie uitsluitend relevant is als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn. Indien deze er niet zijn, dan is niet voldaan aan het zorgcriterium en is geen sprake van een gezamenlijke huishouding.
21. Verweerder heeft dit aspect in het bestreden besluit 1 ten onrechte buiten beschouwing gelaten en ook ter zitting is geen afdoende toelichting gegeven waarom deze beleidsregels niet zijn toegepast. Het bestreden besluit 1 is in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
22. Het beroep van eiser is gegrond voor zover het betreft de periode vanaf
1 januari 2021. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand kunnen worden gelaten. Voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding geldt het volgende. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van het vierde lid sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
23. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
24. Niet in geschil is dat eiser en [naam 2] vanaf 1 januari 2021 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat eiser en [naam 2] geen bloedverwanten in de eerste graad zijn, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.
25. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.
26. Uit het op 9 juni 2021 door eiser ingevulde formulier ‘Onderzoek gezamenlijke huishouding’ volgt dat niet wordt voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Eiser heeft de ‘Financiële vragen’ ontkennend beantwoord en bij ‘Wederzijdse zorg’ heeft eiser aangekruist dat hij geen activiteiten deelt met andere personen in de woning. Verweerder heeft naar aanleiding van de informatie in dit formulier geen nader onderzoek meer verricht waaruit anderszins blijkt. De rechtbank gaat daarom uit van de gegevens in het formulier. Dit betekent dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Anders dan verweerder is de rechtbank dus van oordeel dat eiser vanaf 1 januari 2021 tot 2 september 2021 recht heeft op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 kunnen daarom niet in stand blijven. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat zij het niet aannemelijk acht dat eventueel onderzoek door verweerder naar een periode in het verleden nog op korte termijn een toereikende grondslag zal opleveren voor de conclusie dat eiser in de te beoordelen periode wel een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam 2] . Bovendien heeft verweerder vanaf het moment van het nemen van het primaire besluit tot aan de behandeling van de zaak in beroep in beginsel reeds voldoende gelegenheid gehad om een dergelijk onderzoek uit te voeren als zij dit had gewenst.
27. Gelet hierop komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of aan de inwoning van eiser bij [naam 2] een commerciële relatie ten grondslag ligt, in hoeverre de kostgangersovereenkomst voldoet aan de daartoe gestelde eisen en of eventueel het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Deze aspecten zijn immers uitsluitend relevant als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn.
28. Indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Na een schriftelijke ingebrekestelling heeft het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb nog twee weken om alsnog te beslissen. De termijn vangt aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
29. Eiser heeft verweerder op 19 augustus 2021 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Verweerder diende dus op 2 september 2021 een besluit te nemen.
30. Verweerder stelt dat binnen de termijn een besluit is genomen en verzonden, namelijk op 2 september 2021. Eiser stelt dat hij het besluit vervolgens pas op 9 september 2021 heeft ontvangen.
31. De rechtbank overweegt dat artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat als bekendmaking geldt de datum van verzending en niet de datum van ontvangst. De wet biedt geen uitzondering voor het geval de post er langer over doet. Het besluit is binnen de termijn van twee weken verzonden. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
32. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gedeeltelijk gegrond voor zover daarin voor de periode 1 januari 2021 tot en met 2 september 2021 is bepaald dat eiser slechts recht heeft op een gehuwdenpensioen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 1 op dit onderdeel. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit gedeeltelijk te herroepen en te bepalen dat eiser voor de periode 1 januari 2021 tot en met 2 september 2021 recht heeft op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande.
33. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.
34. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser gemaakte proceskosten. De gemachtigde, de neef van eiser, heeft ter zitting verzocht om een reiskostenvergoeding van € 0,50 per kilometer en parkeerkosten van € 9. De reiskosten van een niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener te beschouwen gemachtigde, komen voor vergoeding in aanmerking.De rechtbank stelt deze in dit geval vast op € 34 (zijnde de met 9292.nl berekende kosten van openbaar vervoer van [adres] te [woonplaats] Rotterdam naar de rechtbank en terug).Dat het niet mogelijk zou zijn om vanuit de woonplaats van de gemachtigde van eiser met het openbaar vervoer naar de rechtbank te reizen, is de rechtbank namelijk niet gebleken.
35. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond.