Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
1 mei 2021 een (voorlopig) AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde.
Overwegingen
19 augustus 2021 in gebreke gesteld.
21 september 2020 heeft mogen uitgaan van de zich in het dossier bevindende handhavingsrapportage van 18 september 2019. Hierin staat dat de bewoners van de [adres] in [woonplaats] tijdens een huisbezoek van verweerder hebben verklaard dat eiser dit adres enkel als briefadres gebruikte en mogelijk in België woonde. Eiser heeft vervolgens zelf in een telefoongesprek met verweerder bevestigd dat hij vanaf juni 2018 in Portugal woonde en geweigerd verweerder daarover aanvullende informatie te verstrekken. Naderhand heeft eiser ook niet onderbouwd dat de bevindingen uit de handhavingsrapportage onjuist zijn en/of wat zijn feitelijk woon- en leefsituatie tot
21 september 2020 dan wel was.
23 september 2021) dat eiser in de periode vanaf 21 september 2020 tot en met
1 januari 2021 niet stond ingeschreven op het adres [adres] 3. Daartegenover heeft eiser niet met nadere stukken onderbouwd dat hij daar wel verbleef en/of zijn feitelijke woon- en leefsituatie in die periode nader toegelicht.
1 januari 2021. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand kunnen worden gelaten. Voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding geldt het volgende. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van het vierde lid sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover voor de periode 1 januari 2021 tot en met
- vernietigt het bestreden besluit 1 in zoverre;
- herroept het primaire besluit in zoverre dat eiser voor de periode 1 januari 2021 tot en met 2 september 2021 recht heeft op een alleenstaandenpensioen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 34.
13 september 2022.