ECLI:NL:RBAMS:2019:7234

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 september 2019
Publicatiedatum
1 oktober 2019
Zaaknummer
13/665266-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontuchtige handelingen met minderjarige en bezit van MDMA

In deze strafzaak heeft de rechtbank Amsterdam op 27 september 2019 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die wordt beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige en het bezit van MDMA. De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een minderjarige, die op het moment van de feiten 15 jaar oud was. De handelingen omvatten het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 3 februari 2016 seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer, die zich voordeed als meerderjarig. De verdachte heeft ontkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar de rechtbank oordeelt dat de verklaring van het slachtoffer consistent en voldoende onderbouwd is door andere bewijsmiddelen, waaronder WhatsApp-berichten. Daarnaast is de verdachte ook beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van 26,5 pillen MDMA, wat hij heeft erkend. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken voor de ontuchtige handelingen en een taakstraf van 80 uur voor het bezit van MDMA. De vorderingen van de benadeelde partij, het slachtoffer, zijn gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank de verdachte aansprakelijk heeft gesteld voor een schadevergoeding van €300,-.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/665266-17 (13Oscoda)
Datum uitspraak: 27 september 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres verdachte] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
13 september 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Bouwman naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

2.1
Verdachte wordt – na wijziging op de zitting van 13 september 2019 – samengevat het volgende verweten.
Feit 1
Het plegen van ontuchtige handelingen met een persoon, genaamd [slachtoffer] . (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van 12 jaar maar nog niet die van 16 jaar had bereikt, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, in de periode van 1 januari 2016 tot 25 maart 2016. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr).
Subsidiair wordt verdachte in de periode van 1 februari 2016 tot 25 maart 2016 verweten ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] . (artikel 247 Sr)
en/ofwordt verdachte verweten dat hij in die periode heeft gepoogd ontuchtige handelingen te plegen met de minderjarige [slachtoffer] . Artikel 247 en 45 Sr.
Feit 2
Het door giften of beloften van geld of goed een persoon, genaamd [slachtoffer] . (geboren op [geboortedatum] ), waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, opzettelijk bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Artikel 248a Sr (verleiding).
en/of
Het plegen van ontucht met een persoon, genaamd [slachtoffer] ., die zichzelf beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, die de leeftijd van 16 jaar maar nog niet die van 18 jaar had bereikt, in de periode van 25 maart 2016 tot en met 31 december 2016. Artikel 248b Sr (jeugdprostitutie).
Feit 3
Het op 24 juli 2017 opzettelijk aanwezig hebben van 26,5 pillen (bevattende) MDMA en/of 3 pillen (bevattende) methylfenidaat.
2.2
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
Aanvang onderzoek 13Oscoda
Op 16 januari 2017 rond 07:00 uur in de ochtend kwam de vader van het vermeende slachtoffer (hierna: [slachtoffer] ) op het politiebureau aan de Van Leijenberglaan in Amsterdam, waar hij melding maakte van zijn vermoedens dat zijn minderjarige zoon [slachtoffer] (blijkens zijn mededeling geboren op [geboortedatum] ) seksueel contact had met meerderjarige mannen.
De vader van [slachtoffer] vertelde dat hij en zijn vrouw zich al geruime tijd zorgen maakten om [slachtoffer] . Zij wisten dat hij blowde, maar ongeveer anderhalf jaar terug kwamen er grotere schommelingen in de schoolprestaties van [slachtoffer] , hield hij zich niet meer aan afspraken, begon hij leugens te vertellen en kwam hij laat thuis. De ouders van [slachtoffer] dachten dat hij een drugsverslaving had, tot de vader van [slachtoffer] op 15 januari 2017 de berichten in de telefoon van zijn zoon had gecontroleerd en tot de ontdekking was gekomen dat [slachtoffer] seksueel getinte berichten ontving van mannen en dat er kennelijk seksuele ontmoetingen met deze mannen hadden plaatsgevonden. In dat verband werden de namen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] genoemd.
Kort na de melding door de vader van [slachtoffer] werd door politiemedewerkers een huisbezoek gebracht aan het woonadres van [slachtoffer] en zijn ouders. [slachtoffer] werd geconfronteerd met de vermoedens van zijn vader en moeder en ging vervolgens in afwezigheid van zijn ouders met de politiemedewerkers in gesprek. De blijkens het proces-verbaal van bevindingen hevig geëmotioneerde [slachtoffer] verklaarde bij die gelegenheid en bij het later die dag gehouden informatieve gesprek dat hij een aantal jaar geleden via een chatsite, genaamd [naam chatsite] , was begonnen te chatten met mannen en dat hij ook contact was gaan zoeken met mannen om afspraken te maken voor het verrichten van seksuele handelingen. Hierbij deed hij zich voor als 19 jarige jongen. Hij was erachter gekomen dat hij met die afspraakjes geld kon verdienen. Meestal verdiende hij € 40,- of soms € 50,- per afspraak. Hij had zowel orale als anale seks gehad en dit was zowel met als zonder condoom. Nadat eerst via [naam chatsite] contact werd gelegd met de betreffende man, gaf hij zijn telefoonnummer en vervolgens werd, nadat er een ‘klik’ was, via WhatsApp verder gecommuniceerd.
Naar aanleiding van voornoemde bevindingen is op 17 januari 2017 het onderzoek onder de naam 13Oscoda gestart. [slachtoffer] heeft in het eerste verhoor verklaard met in totaal 15 mannen seksueel contact te hebben gehad, waaronder een aantal vaste klanten. In het onderzoek 13Oscoda zijn in totaal 11 mannen als verdachte aangemerkt, waarvan 10 verdachten terechtstaan in Amsterdam. Door de vader van [slachtoffer] is namens [slachtoffer] aangifte gedaan op 19 januari 2017.
[naam chatsite]
Uit het onderzoek van de politie naar en op de internetsite [naam chatsite] is gebleken dat [naam chatsite] een gratis
gay chatbetreft, waar mannen in contact kunnen komen met andere mannen. De chat is locatieafhankelijk. Op deze manier kunnen leden gratis in contact komen met andere mannen uit de buurt. Op je profiel kun je onder meer informatie invullen over je seksuele voorkeuren. Op [naam chatsite] kunnen leden naast chatten elkaar ook foto’s sturen of contact hebben via de webcam. Om in te loggen op de site hoeft men slechts summiere informatie in te vullen. Door te klikken op ‘chat’ en het invullen van een profielnaam kun je direct een chat beginnen. Als je gebruik maakt van [naam chatsite] verklaar je automatisch dat je 18 jaar of ouder bent.
Het algemene beeld dat tijdens de behandeling van de zaak ten aanzien van [naam chatsite] is ontstaan, is dat de site vooral ook gebruikt wordt door mannen die op zoek zijn naar een snelle seksdate diezelfde dag met een man uit de buurt, wanneer de locatieoptie wordt ingesteld. De insteek van [naam chatsite] is dat als je inlogt en één of meerdere chats start dit veelal leidt tot een fysieke afspraak op dezelfde dag waarbij seksuele handelingen worden verricht, al dan niet tegen betaling.
Hoe verdachte in beeld is gekomen
In de contactenlijst van de telefoon van [slachtoffer] stond het telefoonnummer eindigend op [nummers] opgeslagen onder de naam [verdachte] . Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer op naam stond van [verdachte] , wonende op de [adres verdachte] . Van deze [verdachte] is een foto opgevraagd, die vervolgens is getoond aan [slachtoffer] . [slachtoffer] herkende de man op de foto als zijnde de klant die woonachtig is op de [adres verdachte] . Verder heeft [slachtoffer] over verdachte verklaard dat hij scheidsrechter was en voor een sportbond werkte.
Op 24 juli 2017 werd verdachte aangehouden en verhoord en heeft een doorzoeking in zijn woning plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking werden verschillende gegevensdragers in beslaggenomen die zijn onderzocht.
Verklaringen [slachtoffer]
is door de politie verschillende malen gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in eerste instantie contact zocht met mannen op [naam chatsite] uit nieuwsgierigheid en dat hij het spannend vond. Toen kwam hij erachter dat je er geld mee kon verdienen. Het aantal afspraken met mannen nam met de jaren steeds meer toe. [slachtoffer] heeft verklaard dat het hoogtepunt in het najaar van 2016 lag, met 2 tot 4 afspraken per week. [slachtoffer] had een vaste klantenkring opgebouwd. Op [naam chatsite] kan je in je profielnaam een euro- of dollarteken zetten, zodat het voor de ander duidelijk is dat er betaald moet worden voor de seksuele handelingen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij erachter was gekomen dat dit toch een minder soort van mensen aantrekt en er minder mensen op je afkomen, maar dat hij er altijd wel bij zei dat hij een kleine vergoeding vroeg.
Van het geld kocht [slachtoffer] drank en wiet. Met het toenemende aantal afspraken is [slachtoffer] ook steeds meer gaan blowen, omdat hij dan meer afwezig was en de seks hem dan makkelijker afging. Naar eigen zeggen maakte hij de seks met de mannen dan minder bewust mee. Uit het eerste verhoor van [slachtoffer] is gebleken dat hij opgelucht is nu de zaak aan het licht is gekomen. De vicieuze cirkel waarin hij zat is doorbroken.
Over verdachte heeft [slachtoffer] verklaard dat hij ook hem heeft ontmoet via [naam chatsite] . [slachtoffer] heeft verklaard dat hij één keer bij verdachte thuis is geweest op het adres aan de [adres verdachte] . [slachtoffer] was toen 15/16 jaar oud. Hij heeft verdachte anaal gepenetreerd en verdachte en [slachtoffer] hebben elkaar over en weer gepijpt. De seks was onbeschermd. Verdachte betaalde [slachtoffer] zo’n € 40,- voor de seksuele handelingen. In een later verhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat er geen betaling heeft plaatsgevonden.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft zich tijdens de verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. In een later stadium heeft verdachte in een brief aan de officier van justitie zijn verklaring uiteengezet; deze verklaring heeft hij op de zitting herhaald en nader toegelicht. Verdachte heeft ontkend seks te hebben gehad met [slachtoffer] . Hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer] via [naam chatsite] heeft ontmoet en dat zij wel een afspraak hadden gemaakt om seks te hebben. [slachtoffer] deed zich op [naam chatsite] voor als 18-jarige jongen. Tijdens de chat had verdachte al zijn twijfels over de leeftijd van [slachtoffer] . [slachtoffer] kwam bij verdachte thuis, zij hadden wat gedronken en gepraat over elkaars levens. Op het moment dat het gesprek stilviel zijn verdachte en [slachtoffer] elkaar gaan zoenen en voelen over de kleding heen. Verdachte heeft verklaard dat bij hem rees toen nog meer twijfel rees of [slachtoffer] wel 18 jaar oud was, dat hij gestopt is met vrijen en [slachtoffer] naar zijn leeftijd heeft gevraagd. [slachtoffer] zei dat hij 19 jaar oud was, terwijl hij via de chat had aangegeven dat hij 18 jaar oud was. Verdachte heeft [slachtoffer] daarmee geconfronteerd. [slachtoffer] heeft toen verteld dat hij 16 jaar oud was. Verdachte heeft toen aan [slachtoffer] gezegd dat hij niet verder wilde gaan zonder eerst een bevestiging van [slachtoffer] te krijgen over zijn ware leeftijd. Omdat [slachtoffer] zijn identiteitskaart niet kon tonen heeft er geen seks tussen verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden. Verdachte en [slachtoffer] hebben afgesproken dat zij nog contact zouden houden.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft, op basis van de verklaring van [slachtoffer] , de processen-verbaal van bevindingen, de WhatsApp gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer] en de verklaring van verdachte, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten ontucht met iemand tussen de 12 en 16 jaar oud, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Bewezen kan worden dat tussen [slachtoffer] en verdachte seksuele handelingen zijn verricht, namelijk het over en weer pijpen en het zich anaal laten penetreren door [slachtoffer] . De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor een bewezenverklaring moet worden bezien of de verklaring van [slachtoffer] voldoende wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen, waarbij niet ieder onderdeel van de tenlastelegging dubbel bewijs behoeft. Ondanks inconsistenties in de verklaringen van [slachtoffer] , die wat het Openbaar Ministerie betreft volledig navolgbaar zijn gezien de context van de zaak, is die verklaring niet alleen voldoende betrouwbaar, maar wordt die ook op voldoende punten ondersteund door ander bewijs. Er zijn WhatsApp gesprekken tussen [slachtoffer] en verdachte aangetroffen, [slachtoffer] herkent de foto van verdachte en kan hem ook plaatsen bij het adres dat uit de chatgesprekken naar voren is gekomen. Ook kan [slachtoffer] specifieke details over verdachte noemen zoals zijn beroep en een hobby. Verdachte heeft daar een alternatief scenario tegenover gesteld, welk scenario echter niet aannemelijk is. De leeftijd in artikel 245 Sr is geobjectiveerd, zodat het er niet toe doet of verdachte daadwerkelijk wist dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar oud was.
De officier van justitie heeft voorts betoogd dat wanneer de verklaring van verdachte wordt gevolgd een het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden, met uitzondering van de eerste twee gedachtestreepjes in de ten laste gelegde ontucht. Ook voor de toepassing van artikel 247 Sr doet het er niet toe of verdachte weet had van de leeftijd van de minderjarige. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij op 3 februari 2016 een fysieke afspraak heeft gehad met [slachtoffer] en dat zij aan elkaar hebben gevoeld en dat zij hebben gezoend. Er is sprake van een ontuchtig karakter gelet op het leeftijdsverschil en het feit dat zij geen affectieve relatie met elkaar hadden, maar via [naam chatsite] met elkaar in contact kwamen en afspraken met het doel seks te hebben.
Na die eerste afspraak op 3 februari 2016 heeft verdachte meermalen aan [slachtoffer] voorgesteld elkaar opnieuw te ontmoeten en hem gevraagd naar hem toe te komen, waarmee hij dus heeft geprobeerd ontucht te plegen. Wat verdachte van plan was, blijkt duidelijk uit de WhatsApp gesprekken.
Verdachte dient van de onder 2 ten laste gelegde feiten, verleiding en jeugdprostitutie te worden vrijgesproken, omdat [slachtoffer] niet consequent heeft verklaard over de betaling voor het seksueel contact. Ook kan dit niet uit de WhatsApp gesprekken worden afgeleid.
Het opzettelijk aanwezig hebben van 29,5 pillen MDMA, feit 3, kan worden bewezen. Deze pillen zijn in de woning van verdachte aangetroffen en verdachte heeft bekend dat deze van hem zijn.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat op basis van het dossier slechts kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] op 3 februari 2016 eenmalig met verdachte heeft afgesproken.
Verdachte moet volgens de raadsman worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde jeugdprostitutie, omdat de afspraak op 3 februari 2016 tussen verdachte en [slachtoffer] buiten de ten laste gelegde periode valt.
Daarnaast staat voor zowel de onder 2 ten laste gelegde jeugdprostitutie als verleiding de betaling centraal en kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat sprake is geweest van betaling door verdachte. Ook om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde feiten.
Daar komt volgens de raadsman voor wat betreft de ten laste gelegde verleiding bij, dat het onderdeel ‘bewegen’ niet bewezen kan worden, omdat van het brengen door verdachte van [slachtoffer] tot het plegen van ontuchtige handelingen door het breken van psychische weerstand geen sprake is. Het opzet van [slachtoffer] was vanaf het begin af aan gericht op het hebben van seksueel contact. Hij was toen al bijna 2 jaar bezig met seks met oudere mannen. Verdachte heeft hem daartoe derhalve nooit kunnen overhalen, zodat het vereiste ‘bewegen’ niet bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het volgende aangevoerd. De vraag is of tussen verdachte en [slachtoffer] seksuele handelingen zijn verricht. De enige belastende bron daarvoor is [slachtoffer] zelf. Daartegenover staat de ontkennende verklaring van verdachte. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt wel dat er afgesproken is, maar er is geen bewijs waaruit blijkt dat deze afspraak daadwerkelijk tot seksueel contact heeft geleid (ECLI:NL:RBAMS:2017:793). De enkele verklaring van [slachtoffer] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De WhatsApp gesprekken na 3 februari 2016 tussen verdachte en [slachtoffer] werpen geen of in ieder geval onvoldoende licht op de vraag of er nu wel of geen seks tussen verdachte en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde.
De raadsman heeft voor wat betreft feit 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, poging tot ontucht, betoogd dat er door het sturen van WhatsApp gesprekken geen voldoende begin van uitvoering is. Verdachte dient ook van dit feit te worden vrijgesproken.
De raadsman heeft betoogd dat feit 3 bewezen kan worden verklaard.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1
Juridisch kader, met betrekking tot het onderzoek 13Oscoda
De rechtbank acht het van belang alvorens te komen tot de beoordeling van de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging in het licht van het dossier en het verhandelde ter zitting een aantal meer algemene overwegingen te wijden aan het aan de orde zijnde wettelijk kader en haar beoordeling van de feiten in het licht van dat kader en haar visie op onderdelen daarvan.
De artikelen 245, 247, 248a en b Sr, zoals deze in het onderzoek 13Oscoda aan de orde zijn, zien op de bescherming van de minderjarige. Alle bepalingen kenmerken zich ook door een expliciet genoemde leeftijd van die minderjarige en zijn verdeeld in verschillende categorieën: van 12 tot 16 jaar (art. 245 Sr), beneden 16 jaar (art. 247 Sr) en beneden de 18 jaar (de art. 248a en 248b Sr).
Ten aanzien van de leeftijd van het slachtoffer als het bestanddeel in de artikelen 245, 247, 248a en 248b Sr kan worden vastgesteld dat deze is geobjectiveerd; opzet of schuld op dit punt is niet vereist. [1] Sinds 1959 is vaste rechtspraak ten aanzien van dit bestanddeel, in de woorden van de Hoge Raad:
  • dat de bewezenverklaarde misdrijven, strafbaar gesteld bij de artt. 245 en 247 Sr., blijkens de wettelijke omschrijving niet tot element hebben opzet of schuld met betrekking tot den leeftijd van de(n)gene, met wie(n) de dader vleselijke gemeenschap heeft dan wel ontuchtige handelingen pleegt, doch uit deze omschrijving niet kan worden afgeleid, dat ten aanzien van deze strafbare feiten de toepasselijkheid van het in ons strafrecht gehuldigde beginsel 'geen straf zonder schuld' zou zijn uitgesloten;
  • dat dan ook den verdachte, die aanvoert in dwaling te hebben verkeerd ten aanzien van den leeftijd, vermeld in de even genoemde artikelen, het beroep op afwezigheid van alle schuld met betrekking tot die dwaling niet kan worden ontzegd;
dat evenwel de vraag, of bij den dader van een strafbaar feit alle schuld in strafrechtelijken zin afwezig is, beantwoord moet worden in verband met den aard en de strekking van de strafbepaling, welker overtreding den verdachte verweten wordt;
dat voor wat de artt. 245 en 247 Sr. betreft uit de wettelijke omschrijving van die bepalingen blijkt, dat daarmede is beoogd personen beneden den leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te doen geworden;
  • dat hieruit volgt, dat deze bepalingen ook de strekking hebben deze jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan;
  • dat blijkens het bestreden arrest requirant. zijn beroep op afwezigheid van alle schuld heeft gestaafd met de bewering, dat de getuigen [getuigen] er uitzien als vrouwen, die den leeftijd van zestien jaar reeds een of meer jaren zijn gepasseerd, en dat deze getuigen, voordat hij de bewezenverklaarde feiten pleegde, desgevraagd een hogeren leeftijd dan vijftien jaar hebben opgegeven;
  • dat, gelet op de bescherming welke als voormeld bepaaldelijk art. 245 Sr. beoogt te geven aan een vrouw, die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien jaren heeft bereikt, het doel van deze strafbepaling zou worden gemist, indien een verweer als hoger weergegeven haar toepassing zou vermogen uit te sluiten;
  • dat derhalve, wat er zij van de in het aangevallen arrest vervatte overwegingen, het Hof ten aanzien van de strafbaarheid van requirant. tot een juiste beslissing is gekomen, welke vruchteloos door de voorgedragen middelen wordt bestreden.
Verwerpt het beroep.
Zoals vermeld in de conclusie van de AG Paridaens bij HR ECLI:NL:HR:2019:763 (randnummer 9 en 10), evenals veel ‘lagere’ rechtspraak, geldt nog steeds een hoge drempel voor een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld. Als voor de verdachte mogelijkheden openstonden om de leeftijd van het slachtoffer te verifiëren en er (bijvoorbeeld) niets aan in de weg stond aan het slachtoffer om een legitimatiebewijs te vragen dan is het van de verdachte te vergen onderzoek niet gebleken en kan niet met succes een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld worden gedaan.
De rechtbank sluit zich hierbij aan. De omstandigheid dat een slachtoffer er wellicht ouder uitziet, zich presenteert als een meerderjarige, zelf initiatieven ontwikkelt die leiden tot seksuele handelingen en mogelijk zelf daarin leidend is maakt dat in het licht van het belang van de bescherming van de minderjarige, niet anders. De minderjarige moet ook tegen zichzelf worden beschermd.
Ten aanzien van artikel 245 Sr merkt de rechtbank op dat voor een bewezenverklaring sprake moet zijn geweest van “ontuchtige handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het binnendringen van het lichaam” van het slachtoffer. Voor zover het betreft ontuchtige handelingen kan blijkens de wetgeschiedenis [2] overigens worden vastgesteld dat deze zien op handelingen die zijn gericht op seksueel contact, althans contacten van seksuele aard in strijd met de sociaal- ethische norm. De soms door verdachten veronderstelde – overigens niet rechtens relevante – instemming van slachtoffers die de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt, berust op de misvatting van verdachten dat er van consensus met dit slachtoffer sprake kon zijn.
Tenslotte merkt de rechtbank ten aanzien van artikel 248a Sr - waarin eveneens de bescherming van jeugdigen tegen seksuele verleiding centraal staat - en artikel 248b Sr - het sluitstuk op de aanpak van jeugdprostitutie - op dat bij het beoordelen van de bestanddelen “opzettelijk bewegen tot (..)”, in het licht van het arrest van het Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:301) - een uitleg van die bestanddelen moet worden gegeven die ruimer is dan dat er sprake moet zijn van het breken van de psychische weerstand van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het erom, of voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van giften of beloften van geld of goed is overgegaan tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Ten aanzien van het opzet op het bewegen heeft de rechtbank mede acht geslagen op de recente conclusie van de PG bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2019:710).
4.4.2
Inleiding
Op grond van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] en de in het dossier gevoegde WhatsApp berichten kan worden vastgesteld dat tussen verdachte en [slachtoffer] op 3 februari 2016 een fysieke ontmoeting heeft plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij en verdachte elkaar tijdens die ontmoeting over en weer hebben gepijpt en dat [slachtoffer] verdachte anaal heeft gepenetreerd. Verdachte heeft echter verklaard dat er op 3 februari 2016 geen seksuele handelingen zijn verricht. Verdachte ontkent seks te hebben gehad met [slachtoffer] .
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat tussen verdachte en [slachtoffer] seksuele handelingen zijn verricht op 3 februari 2016.
4.4.3
Overwegingen
4.4.3.1 Betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte
Zoals hiervoor reeds overwogen heeft verdachte ter terechtzitting van 13 september 2019 verklaard dat hij op 3 februari 2016 een afspraak heeft gehad met [slachtoffer] , dat [slachtoffer] bij hem thuis is geweest, dat zij wat hebben gepraat, gezoend en dat zij aan elkaar hebben gevoeld over de kleding heen. Er heeft geen seks tussen verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden, omdat verdachte, nadat hij eenmaal was begonnen met zoenen en voelen, twijfelde aan de leeftijd van [slachtoffer] en [slachtoffer] die twijfel niet kon wegnemen door het tonen van zijn identiteitsbewijs.
De rechtbank acht deze verklaring echter ongeloofwaardig, in de eerste plaats omdat deze op gespannen voet staat met de inhoud van de WhatsApp gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer] , enkele dagen tot weken na de fysieke ontmoeting.
Zo appt verdachte op 7 februari 2016 naar [slachtoffer] :
“Ey.. Hoe is het? Toevallig zin en tijd…?Is wel een fuck friend hier, maar die wil vooral relaxen. En zien hoe ik geneukt word…”en
“En ik heb fakking veel zin om die paal van jenog eenste voelen”Op 18 februari 2016 appt verdachte verder:
“Damn…hebwel weerzin in je pik” (onderstreping Rechtbank).
Deze berichten kunnen, in samenhang en in de context van het dossier bezien, moeilijk anders worden uitgelegd dan dat zij refereren aan het seksuele contact tussen verdachte en [slachtoffer] op een eerder moment, namelijk de fysieke afspraak op 3 februari 2016. De rechtbank vindt niet geloofwaardig - gelet op het expliciete seksuele karakter van de WhatsApp-berichten - dat verdachte in de apps refereert naar het geslachtsdeel van [slachtoffer] alleen omdat hij dit over de kleding van [slachtoffer] heen zou hebben gevoeld op 3 februari 2016.
Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij in eerste instantie dacht dat [slachtoffer] 18 jaar was, dat [slachtoffer] uiteindelijk op 3 februari 2016 heeft opgebiecht dat hij 16 jaar was en dat hij een identiteitsbewijs van [slachtoffer] wilde zien om zijn ware leeftijd te achterhalen voordat er seks plaats kon vinden, maar in de WhatsApp berichten valt nergens terug te lezen dat verdachte (nogmaals) aan [slachtoffer] vraagt om zijn leeftijd te verifiëren voordat ze weer een seksdate kunnen plannen.
Sterker nog: verdachte stelt in de appberichten van 10 februari 2016 een trio voor, stuurt [slachtoffer] (van wie hij zegt te weten dat hij minderjarig is, en twijfels te hebben over de werkelijke leeftijd) een foto van een derde persoon en vraagt [slachtoffer] om een foto van zichzelf te sturen:
“ey… stuur je ff berichtje, omdat ik het net met die andere gap had over evt trio. Wat ik jou toen voorstelde om te doen, binnenkort. Enne.. hij is heel geïnteresseerd. ;p moest z’n foto sturen, dus… komt-ie”en
“als je er eentje terug hebt…;) thnx”. Ook in de hierop volgende berichten die tussen verdachte en [slachtoffer] worden verstuurd is geen enkel bericht aangetroffen dat erop kan duiden dat verdachte uitsluitend nog met [slachtoffer] af wil spreken onder de voorwaarde dat hij zijn identiteitsbewijs kan tonen.
Verdachte heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] hem een identiteitsbewijs heeft getoond of bijvoorbeeld een foto daarvan heeft gestuurd. Nu vast staat dat [slachtoffer] destijds pas vijftien was, kan hij ook geen geldig identiteitsbewijs hebben getoond waaruit bleek dat hij (ten minste) zestien was. Dat [slachtoffer] hem een vals identiteitsbewijs zou hebben getoond heeft verdachte niet verklaard en ook andere aanwijzingen daarvoor ontbreken.
Tenslotte valt op dat verdachte in een WhatsApp-gesprek van 25 juni 2016 aan [slachtoffer] vraagt:
“Of wat doe je nu? Uni?...”Hieruit ontstaat de indruk dat verdachte denkt dat hij te maken heeft met een universitaire student. Deze opmerking strookt weer niet met de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] al bij hun eerste ontmoeting had ontmaskerd als 16-jarige en dat hij sindsdien wist dat [slachtoffer] geen student kon zijn. Het duidt er juist op dat verdachte wellicht geen vraagtekens heeft geplaatst bij wel de bewering van [slachtoffer] dat hij 18 jaar oud was. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte.
Gelet op het al voorgaande concludeert de rechtbank dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is, terwijl de verklaring van [slachtoffer] over het seksuele contact op 3 februari 2016 consistent is en voldoende steun vindt in het dossier. De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 3 februari 2016 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] , welke handelingen bestonden uit het over en weer pijpen en het zich anaal laten penetreren door [slachtoffer] .
4.4.3.2 Betaling voor het verrichten van seksuele handelingen
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft betaald voor de seksuele handelingen dan wel betaling in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarvoor bevat het dossier onvoldoende bewijs, nu [slachtoffer] op dit punt wisselend heeft verklaard en de belastende verklaring niet wordt ondersteund door ander bewijs.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel.
4.4.4
Vrijspraak feit 2, verleiding en jeugdprostitutie
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, omdat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer] een betaling heeft ontvangen voor het verrichten van de seksuele handelingen dan wel dat de verdachte hem een betaling of andere vorm van compensatie in het vooruitzicht heeft gesteld. Het dossier biedt daarvoor, zoals in 4.4.3.2 overwogen, onvoldoende aanknopingspunten.
4.4.5
Bewezenverklaring feit 1 primair
De rechtbank acht, met de officier van justitie, bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (15 jaar), welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De seksuele handelingen bestonden uit het over en weer pijpen en het zich door [slachtoffer] anaal laten penetreren.
4.4.6
Bewezenverklaring feit 3
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 24 juli 2017 opzettelijk 26,5 pillen MDMA (XTC) en 3 pillen methylfenidaat (bevattende MDMA) aanwezig heeft gehad.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen en de overwegingen in rubriek 4.4 bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1 primair
op 3 februari 2016 te Amsterdam, met een persoon genaamd [slachtoffer] ., geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte:
  • de penis van die [slachtoffer] . in zijn mond genomen en
  • zich door die [slachtoffer] . anaal laten penetreren en
  • zijn penis in de mond van die [slachtoffer] . gebracht;
ten aanzien van feit 3
op 24 juli 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 26,5 pillen MDMA (XTC) en 3 pillen methylfenidaat.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voor feit 3 heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uur wordt opgelegd, te vervangen door 60 dagen hechtenis. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Een deels voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur voor verdachte om te voorkomen dat meer slachtoffers vallen, maar heeft ook een afschrikkende werking voor anderen die zich op hetzelfde hellende vlak begeven als verdachte.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht voor wat betreft feit 3, vanwege het tijdsverloop in de zaak, verdachte te veroordelen zonder het opleggen van een straf of maatregel (artikel 9a Sr) of aan hem een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de raadsman verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat [slachtoffer] , bijna 16 jaar oud was. Verdachte is daarnaast niet bewust op zoek geweest naar contact met een minderjarige. Daarnaast heeft deze zaak grote gevolgen voor verdachte gehad. [slachtoffer] heeft verdachte om de tuin geleid door zichzelf voor te doen als 18/19 jarige. De raadsman heeft erop gewezen dat het opleggen van een taakstraf met een (zeer) korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot de wettelijke mogelijkheden behoort die de rechter ter beschikking staan bij de bepaling van de op te leggen straf (ECLI:NL:GHDHA:2018:2601). Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
8.3.1
Ten aanzien van feit 1, primair
Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (15 jaar), die mede bestaan uit het seksueel binnendringen. Die seksuele handelingen bestonden uit het over en weer pijpen en het zich anaal laten penetreren door [slachtoffer] . Ook heeft tussen verdachte en [slachtoffer] onbeschermde seks plaatsgevonden, waarbij verdachte [slachtoffer] op onverantwoorde wijze heeft blootgesteld aan de gevaren die het hebben van onbeschermde seks met zich meebrengt, zoals het overbrengen van SOA’s.
De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij de ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd, ondanks het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en [slachtoffer] . [slachtoffer] bevond zich als (zoekende) puber in een zeer kwetsbare fase van zijn leven, waarbij hij zijn seksualiteit nog volop aan het ontdekken was. Niet voor niets is door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook juist op seksueel gebied. Die ontwikkeling is door het handelen van onder meer verdachte, waarbij het bevredigen van de seksuele behoeftes van verdachte op de voorgrond stond., verstoord. Verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde 36 jaar oud en had beter moeten weten.
Handelingen zoals verdachte die heeft gepleegd, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en kunnen leiden tot blijvende psychische schade. Dat ook bij [slachtoffer] sprake is van psychische schade blijkt, naast zijn verklaringen in het dossier, uit de onderbouwing van het ingediende verzoek tot schadevergoeding. Hieruit volgt dat bij [slachtoffer] PTSS is gediagnosticeerd en dat [slachtoffer] , ondanks reeds ondergane behandeling, nog altijd last heeft van sombere stemmingen, nachtmerries en hij sterke gevoelens van schaamte en schuld ervaart. Regelmatig haat hij zichzelf. Hieruit wordt dus onmiskenbaar duidelijk dat [slachtoffer] nog altijd last heeft van hetgeen hem is overkomen.
Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank op volstrekt onvoldoende wijze rekening gehouden met de mogelijke nadelige gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] . Hij heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang en de bevrediging van zijn eigen behoeften. Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] in ernstige mate aangetast en zijn seksuele ontwikkeling verstoord.
De bewezen verklaarde feiten worden bedreigd met maximale gevangenisstraffen van 4 jaar (voor de artikelen 248a en 248b Sr) en 6 jaar (voor artikel 247 Sr). Als ondergrens voor de strafoplegging heeft de wetgever daarbij het zogenoemde taakstrafverbod van artikel 22b Sr in het leven geroepen voor feiten als de onderhavige. Op grond van dit artikel mag in geval van veroordeling voor voornoemde feiten in ieder geval niet enkel een “kale” taakstraf worden opgelegd (ECLI:NL:HR:2018:202).
De rechtbank heeft voorts gekeken naar uitspraken in soortgelijke zaken. Voor een aantal type delicten worden binnen de rechtspraak oriëntatiepunten gehanteerd, die een vertrekpunt van denken over de in een concreet geval op te leggen strafmodaliteit en hoogte van de straf bieden. Deze zogeheten LOVS Oriëntatiepunten voor de straftoemeting zijn met betrekking tot de onderhavige strafbare feiten nog niet voorhanden. Daarbij vertonen de uitgangspunten die in eerdere uitspraken worden geformuleerd onderling grote verschillen. Zo zijn voor een overtreding van het bepaalde in artikel 248b Sr uitgangspunten geformuleerd die variëren van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag, gecombineerd met een taakstraf tussen de 120 en 200 uur (ECLI:NL:GHSHE:2016:5683) tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden (ECLI:NL:GHDHA:2018:2605).
De rechtbank komt tegen deze achtergrond tot de volgende strafoplegging.
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een taakstraf, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde. De ernst van het feit, die met name is ingegeven door de jonge leeftijd van [slachtoffer] en de omstandigheid dat onbeschermde seks heeft plaatsvonden rechtvaardigen het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.
Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 7 juni 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank vindt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een gevangenisstraf van 3 weken een passende sanctie ten aanzien van feit 1.
8.3.2
Ten aanzien van feit 3
Verdachte heeft opzettelijk 26,5 pillen MDMA (XTC) en 3 pillen methylfenidaat (bevattende MDMA) aanwezig gehad. Dit zijn voor de volksgezondheid schadelijke middelen. De handel in verdovende middelen en de verdere verspreiding daarvan werkt andere vormen van criminaliteit in de hand en houdt verslavingen in stand, met alle gevolgen van dien. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op het aanwezig hebben van 10 tot 50 gram harddrugs (29,5 pillen is 14,75 gram) staat een taakstraf van 80 uur gesteld. De rechtbank vindt deze straf passend en geboden.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1
De vorderingen
De benadeelde partijen, te weten [slachtoffer] en zijn beide ouders, worden bijgestaan door hun raadsvrouw mr. L. Scheffer, die namens hen een aantal vorderingen heeft ingediend.
[slachtoffer] heeft in totaal € 17.380,- aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. De materiële schade bestaat voor € 17.000,- uit studievertraging en voor € 380,- uit schoolgeld.
De vader van [slachtoffer] heeft € 6.046,- aan materiële schadevergoeding, bestaande voor € 536,- uit de kosten voor een studieblok voor zijn eigen studie, voor € 5.000,- uit studievertraging, voor € 380,- aan schoolgeld voor [slachtoffer] en voor € 130,- aan benzinekosten gevorderd. Voorts heeft de vader van [slachtoffer]
€ 15.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd.
De moeder van [slachtoffer] heeft € 2.157,23 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit de kosten voor de behandeling door een psycholoog, gevorderd. Voorts heeft de moeder van [slachtoffer] € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd.
De benadeelde partijen hebben verzocht het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - samengevat - betoogd dat de vordering van [slachtoffer] , voor wat betreft de immateriële schade van € 15.000,- en de materiële schade voor de opgelopen studievertraging van
€ 17.000,- , voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is. De officier van justitie heeft verzocht het totaal toegewezen bedrag te verdelen over de verdachten die in het onderzoek 13Oscoda zullen worden veroordeeld.
De door [slachtoffer] gevorderde post schoolgeld van € 380,- dient te worden afgewezen, omdat dit bedrag door de vader van [slachtoffer] is voldaan en daarom in de vordering van vader voor toewijzing vatbaar is.
Wat betreft de vordering van de vader van [slachtoffer] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de post schoolgeld van € 380,- en de post benzinekosten van € 130,- voor toewijzing vatbaar zijn. De vorderingen van de vader en moeder van [slachtoffer] dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie heeft verzocht het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair gesteld dat de vordering van [slachtoffer] moet worden afgewezen vanwege de verzochte vrijspraak. Daarnaast levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. Nader onderzoek is nodig naar het aandeel van iedere verdachte in de schade en of er causaal verband bestaat tussen het handelen van verdachte en de gestelde schade. De gestelde psychische schade is onvoldoende onderbouwd. De post schoolgeld moet worden afgewezen, omdat deze niet door [slachtoffer] zelf is betaald. De post studievertraging is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Verzocht wordt om de immateriële schadepost te matigen.
De raadsman heeft voor wat betreft de vordering van de ouders betoogd dat de gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen. Subsidiair wordt verzocht hen hierin niet te ontvangen. Meer subsidiair wordt verzocht om de vorderingen te matigen. De gevorderde verplaatste schade door de vader moet worden afgewezen omdat de ouders van de minderjarige ten tijde van het feit niet genoemd werden als voegingsgerechtigden in de thans geldende tekst van artikel 51f, lid 1 en 2 Sv.
Voor wat betreft de door de vader gevorderde post reis-/benzinekosten wordt gesteld dat onduidelijk is of dit vóór of na de 18e verjaardag van [slachtoffer] is gemaakt. Voor de materiële schade door het niet kunnen afronden van een studieblok en de gestelde studievertraging wordt gesteld dat dit in een te ver verwijderd verband staat. De door de moeder van [slachtoffer] gevorderde materiële schade, de behandeling door een psycholoog, is onvoldoende onderbouwd.
9.4
Het oordeel van de rechtbank
9.4.1
Inleiding
De rechtbank heeft er oog voor dat de situatie waarin [slachtoffer] zich bevond, niet alleen voor hem veel impact heeft gehad, maar ook voor zijn ouders zeer ingrijpend is geweest. De rechtbank ziet het verdriet en leed dat [slachtoffer] en zijn ouders hebben naar aanleiding van wat er is gebeurd. Hieronder zal worden beoordeeld of hun vorderingen in deze strafrechtelijke procedure kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal allereerst het toepasselijke juridisch kader schetsen waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden besproken en beoordeeld.
9.4.2
De vorderingen tot vergoeding van materiële schade
9.4.2.1 Vermogensschade
Vermogensschade ziet op afname van het vermogen van de benadeelde. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfd inkomen. Dit volgt uit artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vermogensschade komt voor vergoeding in aanmerking als de schade is ontstaan door een onrechtmatige daad.
9.4.2.2 Verplaatste schade
Derden (waaronder naasten van het slachtoffer) hebben geen aanspraak op vergoeding van materiële schade, behalve wanneer het gaat om zogeheten verplaatste schade, zoals bedoeld in artikel 6:107 BW. Hiermee wordt bedoeld de schade die bestaat uit kosten die derden hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer en die het slachtoffer zelf had kunnen vorderen, indien hij deze kosten had gemaakt.
9.4.3
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade
9.4.3.1 Ander nadeel, smartengeld
In artikel 6:106 BW is de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade geregeld. Bij delicten zonder fysiek letsel, zoals in dit geval, dient te worden bezien of sprake is van aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze (artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Van aantasting in de persoon op andere wijze kan sprake zijn als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Een ‘enkel psychisch onbehagen’ of een zich gekwetst voelen is niet genoeg. Het onderhavige strafbare feit vormt evenwel een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht (lichamelijke integriteit) dat dit op zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Daarmee kan ook zonder dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld vergoeding van smartengeld aan de orde zijn.
9.4.3.2 Affectieschade
De wet geeft derden niet alleen beperkt recht op materiële schadevergoeding maar ook beperkt recht op immateriële schadevergoeding. Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt. De Wet affectieschade is op 1 januari 2019 in werking getreden en is niet van toepassing op strafbare feiten gepleegd vóór die datum.
9.4.3.3 Shockschade
Affectieschade moet worden onderscheiden van shockschade. Bij shockschade gaat het om een normschending jegens degene die de vergoeding vordert zelf. Deze persoon heeft zelf geestelijk letsel opgelopen als direct gevolg van het waarnemen van een ernstig schokkende gebeurtenis of door directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. De Hoge Raad heeft strikte voorwaarden gesteld aan de toekenning van shockschade. Onder meer vereist is dat het geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een ‘enkel psychisch onbehagen’ of een zich gekwetst voelen is niet genoeg.
9.4.4
De vordering van [slachtoffer]
9.4.4.1 De vordering tot materiële schade
Studievertraging
De rechtbank vindt aannemelijk dat [slachtoffer] als gevolg van de bewezen verklaarde feiten studievertraging heeft opgelopen. Uit de vordering van [slachtoffer] blijkt dat [slachtoffer] het schooljaar 2016/2017, het jaar waarin hij aangifte heeft gedaan, over heeft moeten doen. De ontucht beheerste zijn leven. [slachtoffer] heeft verklaard dat het hoogtepunt in het najaar van 2016 lag, met 2 tot 4 afspraken per week. Hij blowde ook steeds meer om de seks minder bewust mee te hoeven maken. Vanaf januari 2017 moest [slachtoffer] regelmatig op het politiebureau komen voor een verhoor en daarnaast heeft [slachtoffer] aan het eind van dat schooljaar 10 weken een interne behandeling ondergaan voor zijn psychische problemen.
De rechtbank neemt als vaststaand aan dat deze omstandigheden, waarin verdachte een aandeel heeft gehad, ertoe hebben geleid dat [slachtoffer] is blijven zitten. Deze post is voldoende onderbouwd en de hoogte ervan is niet voldoende betwist, zodat het gehele gevorderde schadebedrag van € 17.000,- voor vergoeding in aanmerking komt. Welk deel hiervan voor rekening van verdachte komt zal hierna in 9.4.4.3 worden beoordeeld.
Schoolgeld
Het door [slachtoffer] gevorderde schoolgeld ter hoogte van € 380,- wordt afgewezen, nu dit bedrag feitelijk door de vader van [slachtoffer] is betaald en deze post in diens vordering, op grond van artikel 6:107 BW, voor vergoeding in aanmerking komt.
9.4.4.2 De vordering tot vergoeding van immateriële schade
Zoals hiervoor is overwogen mag als ervaringsregel worden aangenomen dat seksueel misbruik leidt tot ernstige lichamelijke en fysieke gevolgen, die zijn aan te merken als geestelijk letsel en als aantasting van de persoon in de zin van artikel 106 lid 1 onder b BW. Daar komt bij dat [slachtoffer] als gevolg van deze periode van ontucht een post traumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Ondanks reeds ondergane behandeling heeft [slachtoffer] nog altijd last van sombere stemmingen, heeft hij nachtmerries en ervaart hij sterke gevoelens van schaamte en schuld. Regelmatig haat hij zichzelf. Hieruit wordt dus onmiskenbaar duidelijk dat [slachtoffer] nog altijd last heeft van hetgeen hem is overkomen. De vordering van [slachtoffer] is voldoende onderbouwd, de hoogte ervan is niet gemotiveerd betwist. Om die reden komt de vordering van [slachtoffer] tot vergoeding van immateriële schade (onder verwijzing naar rubriek 9.4.3.1) van € 15.000,- in beginsel geheel voor toewijzing in aanmerking. Voor welk deel verdachte aansprakelijk is komt hierna aan de orde.
9.4.4.3 Conclusie en verdeling van aansprakelijkheid
In totaal is de vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van € 32.000,- toewijsbaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld voor welk aandeel van die schade verdachte aansprakelijk is. In deze zaak 13Oscoda zijn, zoals gezegd, in totaal 11 personen als verdachte aangemerkt. Indien zij worden veroordeeld voor de hen ten laste gelegde feiten, mag worden aangenomen dat die feiten weliswaar alle hebben bijgedragen aan het ontstaan van de materiële en de immateriële schade, maar niet dat tussen (het geheel van) de strafbare gedraging(en) van ieder van die personen afzonderlijk en de schade een voldoende causaal (conditio sine qua non) verband bestaat. De feiten hebben alle additioneel tot de schade bijgedragen, zodat niet kan worden gezegd dat de feiten los van elkaar tot dezelfde schade hebben geleid. Dit brengt mee dat er aanleiding bestaat om iedere veroordeelde aansprakelijk te achten voor het deel van de schade dat hem aangaat. Het aandeel van verdachte is beperkt, gelet op het feit dat hij eenmalig seks heeft gehad met [slachtoffer] en op de totale hoeveelheid seksuele contacten met [slachtoffer] die (tot nu toe) als strafbare gedragingen zijn aangemerkt. De rechtbank stelt het bedrag waarvoor verdachte aansprakelijk is in goede justitie vast op € 300,- en wijst de vordering tot dat bedrag toe. [slachtoffer] wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
9.4.4.4 Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag van € 300,- vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2016.
9.4.5
De vordering van de vader van [slachtoffer]
9.4.5.1 De vordering tot vergoeding van materiële schade
Benzinekosten en schoolgeld [slachtoffer]
De gevorderde benzinekosten en schoolgeld voor [slachtoffer] zijn aan te merken als verplaatste schade, zoals genoemd in rubriek 9.4.2.2. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank niet onredelijk voor. De schade is toewijsbaar tot een bedrag van € 510,-.
Overige materiële schade
De gevorderde kosten voor studievertraging en kosten voor een studieblok van de vader zelf komen (onder verwijzing naar rubriek 9.4.2.2) niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering van de benadeelde partij wordt op dit punt afgewezen.
9.4.5.2 De vordering tot vergoeding van immateriële schade
De gevorderde immateriële schade, de shockschade, is in de vordering niet onderbouwd. Tegen de achtergrond van het in rubriek 9.4.3.3 geschetste juridisch kader overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld of sprake is van psychisch letsel dat is veroorzaakt als gevolg van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding, zodat hij de vordering desgewenst nog met een nadere onderbouwing bij de burgerlijke rechter aanhangig kan maken.
9.4.5.3 Conclusie en verdeling van aansprakelijkheid
In totaal is de vordering van de vader van [slachtoffer] tot een bedrag van € 510,- toewijsbaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld voor welk aandeel van die schade verdachte aansprakelijk kan worden gesteld. Onder verwijzing naar hetgeen daarover in rubriek 9.4.4.3 is overwogen bepaalt de rechtbank het aandeel van verdachte in deze schadepost op € 5,-.
9.4.5.4 Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
In het belang van de vader van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag € 5,- vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019.
9.4.6
De vordering van de moeder van [slachtoffer]
9.4.6.1 De vordering tot materiële schade, behandeling door psycholoog
De gevorderde kosten voor de ondergane behandeling door een psycholoog komen (onder verwijzing naar rubriek 9.4.2.2) niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering van de benadeelde partij wordt op dit punt afgewezen.
9.4.6.2 De vordering tot immateriële schade
De gevorderde immateriële schade, de shockschade, is in de vordering niet onderbouwd. Tegen de achtergrond van het in rubriek 9.4.3.3 geschetste juridisch kader overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld of sprake is van psychisch letsel dat is veroorzaakt als gevolg van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot immateriële schadevergoeding, zodat zij de vordering desgewenst nog met een nadere onderbouwing bij de burgerlijke rechter aanhangig kan maken.

10.Beslag

Op 24 juni 2017 zijn twee telefoons en een computer onder verdachte in beslag genomen, welke staan opgenomen in de in
bijlage IIIopgenomen beslaglijst, genoemd onder de nummers 1 tot en met 3. De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen goederen aan verdachte te retourneren.
De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Ten aanzien van die in beslag genomen goederen onder 1, 2 en 3 op de beslaglijst zal een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12.Beslissing

Verklaart het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
ten aanzien van feit 3
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1:
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van feit 3:
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van
80 (tachtig) uren.
Beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
40 (veertig) dagen.
Beslag:
Gelast de teruggave aan [verdachte] van de in bijlage III opgenomen voorwerpen genoemd onder de nummers 1 tot en met 3.
De vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] :
De vordering tot vergoeding van schoolgeld (materiële schade)
Wijst de vordering van
[slachtoffer]tot vergoeding van schoolgeld af.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade en studievertraging
Wijst de vordering van
[slachtoffer]tot vergoeding van immateriële schade en studievertraging toe tot € 300,- (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 3 februari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 300,- (zegge driehonderd euro) aan de Staat te betalen. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 3 februari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 6 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van de benadeelde partij, de vader van [slachtoffer] :
De vordering tot vergoeding van studievertraging en studieblok (materiële schade)
Wijst de vordering van de
vader van [slachtoffer]tot vergoeding van de posten studievertraging en studieblok af.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade
Verklaart de
vader van [slachtoffer]niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade.
De vordering tot vergoeding van benzinekosten en schoolgeld (materiële schade)
Wijst de vordering van de
vader van [slachtoffer], toe tot € 5,- (zegge vijf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de vader van [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de vader van [slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de vader van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de vader van [slachtoffer] , € 5,- (zegge vijf euro) aan de Staat te betalen. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van de benadeelde partij, de moeder van [slachtoffer] :
De vordering tot vergoeding van materiële schade
Wijst de vordering, van de
moeder van [slachtoffer], tot vergoeding van materiële schade af.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade
Verklaart de
moeder van [slachtoffer]niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.J. Fehmers en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2019.

Voetnoten

1.Ingevolgde de zogenoemde Leeftijdsarresten (NJ 1959/102 en 103 nt. Pompe) en NJ 1998/772 (nt. ’t Hart), conclusie AG ECLI:NL:PHR:2019:275 bij HR ECLI:NL:HR:2019:763 (81 RO) – (het slachtoffer bleek 17 ½ jaar oud (Rb). In dit kader ook de 248b Sr uitspraak van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2019 (slachtoffer presenteerde zich als studente geneeskunde en bleek 15 jaar te zijn).
2.Kamerstukken II 1988/89 20930, p. 2, zie in dit verband ook het WODC onderzoek uit 2015 (Herziening van de zedendelicten? Een analyse van Titel XIV, Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht met het oog op samenhang, complexiteit en normstelling; Lindenberg, K., Dijk, A.A. van