ECLI:NL:RBAMS:2018:8063

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2018
Publicatiedatum
12 november 2018
Zaaknummer
13/665565-16 (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige verdachte voor afdreiging en gewoontewitwassen

Op 12 november 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, die werd beschuldigd van het medeplegen van afdreiging, pogingen daartoe en gewoontewitwassen. De zaak betrof een criminele organisatie die slachtoffers afperste na het reageren op seksadvertenties. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met medeverdachten, betrokken was bij het afdreigen van meerdere slachtoffers door hen te bedreigen met openbaarmaking van hun seksuele contacten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie en een werkstraf, waarbij rekening is gehouden met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte en de impact op de slachtoffers. De rechtbank heeft ook bijzondere voorwaarden opgelegd ter voorkoming van recidive, waaronder toezicht door de reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan het medeplegen van afdreiging en gewoontewitwassen van in totaal € 55.405,-. De rechtbank heeft de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij de verdachte ook is veroordeeld tot schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/665565-16 (Promis)
13Malone
Datum uitspraak: 12 november 2018
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8, 9, 11, 15 en 29 oktober 2018.
De zaken in het onderzoek
13Malonerichten zich tegen zeven verdachten, waarvan drie meerderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en vier (destijds) minderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .
De zaken zijn deels gelijktijdig met elkaar en deels afzonderlijk van elkaar behandeld. De bespreking van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen en het requisitoir heeft gezamenlijk plaatsgevonden. De bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten alsmede de pleidooien hebben telkens afzonderlijk van elkaar plaatsgevonden op diverse zittingsdagen. Daarbij heeft de behandeling van de zaken tegen de minderjarigen achter gesloten deuren plaatsgevonden. De zaken tegen de zeven verdachten zijn vervolgens allen op 29 oktober 2018 gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F. van Dijk, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de heer [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) en door de vader van verdachte naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
medeplegen van afdreiging/afpersing van vijf aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016;
poging tot medeplegen van afdreiging/afpersing van drie aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016;
medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode 1 mei 2016 tot en met 15 december 2016 van € 57.465,--.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op de aangifte van de heer [naam 2] nu artikel 318 Wetboek van Strafrecht een absoluut klachtdelict betreft en van een dergelijke klacht waaruit blijkt dat de heer [naam 2] strafvervolging van verdachten wenst niet blijkt.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat uit het dossier volgt (proces-verbaal zaaksdossier aangever [naam 2] p. 2122) dat de hulpofficier van justitie op 29 november 2016 een mondelinge klacht heeft ontvangen van deze aangever. De aangever heeft daarbij uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. De officier van justitie is daarmee dan ook ontvankelijk in de vervolging.
De officier van justitie is ook overigens ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
Op 23 september 2016 neemt de politie een aangifte op van de heer [naam 3] wonende te [woonplaats] . Hij verklaart via WhatsApp en telefonisch te zijn gechanteerd door een persoon nadat hij gereageerd zou hebben op een seksadvertentie via de internetsite speurders.nl. [naam 3] moest 200 euro betalen of anders zou de persoon aangever en zijn met naam genoemde dochter wat aandoen. Deze persoon maakte gebruik van het telefoonnummer [nummer] .
Na een zoekslag door de politie in de politiesystemen blijkt dat de heer [naam 4] wonende te [woonplaats] op 22 september 2016 bij de politie melding heeft gedaan van een vergelijkbare ervaring. Ook hij heeft gereageerd op een seksadvertentie, via de site seksjobs.nl of kinky.nl, en werd vervolgens door een persoon per SMS gedwongen geld over te maken, anders zou die persoon het leven van [naam 4] ruïneren. Ook in dit geval werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer [nummer] . Blijkens de aangifte van [naam 4] zijn ook in de door hem ontvangen SMS berichten namen van zijn familieleden genoemd om de chantage kracht bij te zetten. Die namen waren op dat moment allemaal op zijn Facebook account te vinden.
Uit onderzoek bij de exploitant van de site Kinky.nl, Midhold BV, blijkt dat telefoonnummer [nummer] gekoppeld is aan een advertentie (nummer [nummer] met gebruikersnaam [gebruikersnaam] ) die weer is gekoppeld aan e-mailadres [e-mail adres] . Deze advertentie is op 11 augustus 2016 om 13.44 uur aangemaakt vanuit IP-adres [IP adres] en op die advertentie is vanaf 11 augustus 2016 om 16.19 uur regelmatig ingelogd vanuit IP-adres [IP adres] en IP-adres [IP adres] . Ook is deze advertentie meerdere keren ‘gepusht’, wat inhoudt dat deze beter zichtbaar is gemaakt. Bij dit ‘pushen’ is gebruik gemaakt van telefoonnummer [nummer] . Naast de twee voornoemde telefoonnummers zijn ook de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] gekoppeld geweest aan deze advertentie.
Volgens Midhold BV is IP-adres [IP adres] gelinkt aan Delft. Het bedrijf heeft klachten gehad van klanten dat er geld werd afgegeven aan Marokkanen. Daarom zijn er advertenties offline gezet. Vanuit het IP-adres [IP adres] zijn nog zes advertenties aangemaakt die zijn afgekeurd en offline gezet. Ook IP-adres [IP adres] linkt naar Delft. Vanuit dat adres zijn 22 advertenties aangemaakt, afgekeurd en offline gezet.
De politie doet op 7 oktober 2016 wederom onderzoek in de politiesystemen. Er wordt gezocht op soortgelijke meldingen en registraties. Daarbij komen 19 registraties naar voren waarin bepaalde mobiele telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties voorkomen. Het gaat om de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] en de bankrekeningnummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .
9 van deze registraties leiden tot aangiftes en 8 daarvan tot de onderhavige zaaksdossiers. Naast [naam 3] en [naam 4] , doen ook [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 2] en [naam 10] aangifte van een vergelijkbare afdreiging/afpersing. Daarbij komen naast voornoemde bankrekeningnummers ook de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] voor.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 1] wonende [adres 1] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 5.947,-.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 4] wonende [adres 2] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 18.660,52.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 3] wonende [adres 3] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.110,-.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 6] wonende [adres 4] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.090,-.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 2] wonende [adres 5] . Op deze rekening worden vijf verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 1.025,-.
[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 5] wonende [adres 6] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 12.319,-.
Op de bankrekening komen verdachte betalingen voor. Dit zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant
de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. De bijschrijvingen bestaan doorgaans uit ronde bedragen, variërend tussen de € 50,- en € 750,-, en zijn in bepaalde gevallen afkomstig van de hierboven genoemde aangevers. Een zeer groot deel van de bedragen is vrijwel direct na de overmaking contant opgenomen.
Uit nieuwe informatie van Midhold B.V. en Tease Media B.V., exploitant van de website sexjobs.nl, blijkt vervolgens dat de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , de gebruikersaccounts [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] en de twee eerder genoemde IP-adressen in verschillende combinaties zijn gekoppeld aan seksadvertenties. Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 11] [adres 1] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] . Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 12] , [adres] , het woonadres van verdachte [verdachte] .
Bij huiszoekingen zijn onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [verdachte] mobiele telefoons in beslag genomen. Op de telefoons die onder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in beslag zijn genomen zijn een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s aangetroffen. Op de telefoon van [medeverdachte 4] zijn daarnaast screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van bovengenoemde telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn onder andere de gebruikersaccounts [e-mail adres] voor de website www.kinky.nl en [e-mail adres] voor de website www.sexjobs.nl aangetroffen.
Gebleken is dat een aantal van de in beslag genomen telefoons niet uitgelezen kon worden en dat van een telefoon vermoedelijk de gegevens zijn gewist door de telefoon terug te zetten in de fabrieksinstellingen. Ook zijn er vele onverklaarbare geldtransacties en blijkt dat de aard van de zaken maakt dat er een lage aangifte bereidheid is bij slachtoffers. De verdachten hebben grotendeels een beroep gedaan op hun zwijgrecht. De rechtbank realiseert zich dat het dossier zeer waarschijnlijk niet een volledig beeld geeft van de omvang van deze zaak. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat deze zeven verdachten een rol spelen in bovenstaand feitencomplex.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze verdachten strafrechtelijk betrokken zijn bij het afdreigen/afpersen van de aangevers, de pogingen daartoe en welke rol zij daarbij hadden en of er sprake was van onderlinge samenwerking. Verder is de vraag of er sprake is van het al of niet medeplegen van (gewoonte)witwassen van de geldbedragen die op de bankrekeningen stonden.
4.2
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte zich met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde afdreigingen/afpersingen en de onder 2 ten laste gelegde pogingen daartoe. Tevens heeft verdachte zich met de genoemde medeverdachten schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van € 55.405,- zoals onder 3 ten laste gelegd.
4.3
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet tot een juridische kwalificatie van afpersing kan worden gekomen. Verder is er onvoldoende bewijs in het dossier om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de (poging tot) afdreiging en het witwassen te komen. Er is in tegenstelling tot alle medeverdachten geen financieel spoor naar verdachte. Zijn bankrekening is niet gebruikt en hij heeft geen geld gepind. Ook zijn er in de telefoons van verdachte geen screenshots of ander belastend materiaal aangetroffen. Ook het aanmaken van advertenties vanaf het IP-adres dat is geregistreerd op het huisadres van verdachte zegt niets over de tenlastegelegde feiten, omdat de advertenties zijn afgekeurd. Het feit dat telefoonnummers ooit in een telefoon hebben gezeten die verdachte in zijn bezit heeft gehad bewijst ook niets. Verdachte had deze telefoon tweedehands gekocht en de nummers hebben ook in andere telefoons gezeten. Aan de eisen die de Hoge Raad aan medeplegen stelt, wordt niet voldaan. Nergens blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking en een wezenlijke bijdrage van verdachte. Ook ten aanzien van het gewoontewitwassen is onvoldoende bewijs. Er zijn geen transacties via verdachte gegaan, hij heeft geen dure bezittingen en ook van andere verhullende handelingen geeft het dossier geen blijk. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, te weten medeplegen van afdreigingen, pogingen daartoe en medeplegen van gewoontewitwassen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Anders dan de raadslieden hebben gedaan in hun pleidooien, isoleert de rechtbank de afzonderlijke zaaksdossiers niet van elkaar, maar komt zij tot de conclusie dat er sprake is van één feitencomplex waarin alle verdachten een rol spelen. De rechtbank baseert zich daarbij op de feiten en omstandigheden, waaronder de grote hoeveelheid van geldverplaatsingen en internetactiviteiten, die volgen uit de bewijsmiddelen zoals weergegeven in bijlage II, in onderlinge samenhang bezien. Juist in onderlinge samenhang bezien, blijkt uit de bewijsmiddelen dat er diverse dwarsverbanden zijn als het gaat om gebruikte IP-adressen, gebruikersaccounts, telefoonnummers en bankrekeningen. Juist die onderlinge verwevenheid vormt het beeld van deze zaak. Om die reden is niet van belang dat niet steeds alle vier de verdachten rechtstreeks zijn te verbinden aan ieder zaaksdossier. Ook het feit dat bepaalde feiten en omstandigheden – zoals door de raadslieden betoogd – buiten de tenlastegelegde periode vallen maakt dat oordeel van de rechtbank niet anders. Deze acht de rechtbank, als steunbewijs, relevant om tot de hieronder te noemen bewezenverklaring te komen.
Zwijgen
Zoals gezegd realiseert de rechtbank zich dat zij niet het volledige beeld heeft gekregen van de omvang van deze zaak. Dit is deels te verklaren door de proceshouding van de verdachten. Er wordt door de verdachten op belangrijke punten gezwegen of er worden niet verifieerbare verklaringen afgelegd. Op die manier hebben de verdachten niet de mogelijkheid benut om het belastende scenario dat volgt uit de bewijsmiddelen te weerleggen.
De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (HR 3 juni 1997,
ECLI:NL:HR:1997:ZD0733,
NJ 1997/584).
Telefoons
Voor het bewijs is de informatie relevant die is aangetroffen op de onder verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons, simkaarten en simkaarthouder.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat de onder hem in beslag genomen Huawei telefoon niet van hem is, maar van de persoon die hem gevraagd heeft zijn bankrekening ter beschikking te stellen, ene [naam 13] . Meer heeft verdachte niet willen verklaren over die [naam 13] . In chats op de telefoon wordt op 2 en 9 december 2016 ‘ [medeverdachte 4] ’ en ‘ [adres 2] ’ genoemd, respectievelijk de voornaam van verdachte en de straat waarin hij woont. Op 11 september 2016 is er tweemaal door het telefoonnummer van de moeder van verdachte ingebeld op de Huawei telefoon. Ook is op de telefoon een screenshot aangetroffen van een overboeking van € 500 omstreeks 8 september 2016 door [naam 14] vanaf een ING rekening eindigend op * [nummer] , die overeenkomt met een bijschrijving op de bankrekening van [medeverdachte 4] op dezelfde datum. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de in beslag genomen Huawei telefoon toebehoort aan [medeverdachte 4] .
[verdachte] heeft niets over de IPhone die onder hem in beslag is genomen verklaard. De Alcatel is van hem, maar verder wil hij er niets over zeggen. Met deze telefoons zijn vijf telefoonnummers gebruikt die voorkomen in aangiften en meldingen van afdreiging/afpersing. Daarnaast zijn drie van deze telefoonnummers gekoppeld geweest aan advertenties en accounts op sekssites. Vanaf het IP-adres van de woning van [verdachte] is verschillende keren ingelogd op die advertenties. De rechtbank is van oordeel dat beide telefoons bij [verdachte] in gebruik waren. Dat de raadsman van [verdachte] opmerkt dat [verdachte] de IPhone tweedehands zou hebben aangeschaft, zonder dit nader te onderbouwen, maakt dat niet anders.
[medeverdachte 6] heeft twee Samsung telefoons in zijn bezit, een zwarte en een witte. De zwarte heeft hij naar zijn zeggen begin 2016 even zelf gebruikt en daarna ongebruikt in zijn kamer laten liggen. Hij weet niet wat er daarna mee is gebeurd. De witte telefoon heeft hij een dag voor zijn aanhouding gekocht. Op deze telefoons is veel belastend materiaal aangetroffen uit de maand december 2016 dat verband houdt met deze zaak. Er zijn afbeeldingen van bankoverschrijvingen, (naakt)foto’s van mannen en vrouwen, seksadvertenties en 4780 seks gerelateerde berichten aangetroffen. Eén van de afbeeldingen betreft een screenshot van een overschrijving van € 200 op 1 december 2016 door [naam 15] vanaf een ING rekening eindigend op * [nummer] , die overeenkomt met een bijschrijving op de ING rekening van verdachte [medeverdachte 6] op dezelfde datum. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de telefoons in gebruik zijn bij [medeverdachte 6] .
De twee Samsung telefoons die in de slaapkamer van [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen, zijn volgens hem van zijn moeder en haar vriendin. Echter op de telefoons is informatie aangetroffen die erop wijst dat deze telefoons wel aan [medeverdachte 1] toebehoren. Los van de vindplaats zijn er op de ene telefoon screenshots van overschrijvingen naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en van een emailaccount [e-mail adres] gevonden en zijn er ook foto’s van verdachte zelf aangetroffen. Op de simkaart in de andere telefoon is onder ‘ma’ het telefoonnummer van de moeder van [medeverdachte 1] opgeslagen. De rechtbank is van oordeel dat de telefoons in gebruik zijn bij [medeverdachte 1] .
De rechtbank acht de verklaringen van verdachten over hun telefoons ongeloofwaardig. De verklaringen zijn weinig concreet, ontijdig, onaannemelijk en niet verifieerbaar. Alle verweren van de raadslieden met betrekking tot de telefoons, waaruit zou moeten volgen dat de telefoons niet van de betreffende verdachten zijn of dat zij niet weten wat er met hun telefoon is gebeurd, en dat het belastende materiaal niet aan de verdachten is toe te schrijven, worden daarmee verworpen.
Modus Operandi
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vier verdachten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] hebben samengewerkt bij het afdreigen van slachtoffers en de pogingen daartoe. Overigens kan de rechtbank niet uitsluiten dat er ook nog anderen hierbij betrokken zijn. Dit maakt niet anders dat ook de hiervoor genoemde verdachten hierbij betrokken zijn. De aangevers hebben naar het oordeel van de rechtbank allemaal te maken gehad met dezelfde dadergroep. De telefoon van [medeverdachte 6] bevatte 4780 seks gerelateerde berichten uit de periode van 1 tot 11 december 2016, hetgeen mogelijk een aanwijzing is voor de daadwerkelijke omvang van de criminele praktijken van de verdachten, hetgeen ook geldt voor honderden verdachte transacties op de bankrekeningen van de verdachten van in totaal ruim € 56.000, waarvan slechts een klein deel aan de uiteindelijke aangevers is te linken.
Uit de acht zaaksdossiers en de aangifte van de heer [naam 10] is een overeenkomstige werkwijze af te leiden. Er wordt een seksadvertentie geplaatst en deze wordt zichtbaar gehouden door deze te pushen.
Nadat een slachtoffer heeft gereageerd op een seksadvertentie wordt met deze persoon contact gelegd door iemand die zich voordoet als een vrouw/prostituee. Er volgt een uitwisseling van seksueel getinte berichten en er wordt soms om een naaktfoto van het slachtoffer gevraagd waar zowel het hoofd als het geslachtsdeel van de man op staat..
Intussen worden er – vermoedelijk aan de hand van het telefoonnummer van het slachtoffer via Facebook – namen van het slachtoffer en personen uit zijn omgeving achterhaald.
Dan veranderen de berichten van toon en komt ‘de pooier’ aan het woord. Het slachtoffer moet geld betalen om bekendmaking van zijn ‘schaamtevolle’ gedrag aan de met naam genoemde personen uit zijn omgeving te voorkomen. De slachtoffers ‘moeten er van leren dit niet meer te doen’.
Er wordt gevraagd welke bank de slachtoffers hebben, waarna een rekeningnummer van één van de verdachten bij dezelfde bank wordt doorgegeven waarnaar het geld moet worden overgemaakt. Daarbij wordt veelal als tenaamstelling genoemd [tenaamstelling 1] of [tenaamstelling 2] . Het geld moet snel worden overgemaakt en er moet een screenshot als bewijs van de betaling worden verzonden. Het bedrag dat op de rekening wordt gestort wordt daarna snel cash opgenomen.
Als slachtoffers hebben betaald worden zij gedwongen steeds opnieuw te betalen. De bedreigingen houden uiteindelijk op als de slachtoffers niet betalen of daarmee stoppen.
Indien het slachtoffer het eerste telefoonnummer van de afdreiger blokkeert, zoekt die met een ander telefoonnummer weer contact met het slachtoffer. Naast het feit dat steeds in de zaken een wisselende combinatie van eerder genoemde telefoonnummers, de bankrekeningnummers van verdachten en/of IP-adressen aan de orde is, vindt ook de afdreiging veelal in dezelfde bewoordingen plaats.
Zo wordt er bijvoorbeeld in de berichten aan bijna alle aangevers geschreven ‘…verpest je alles’, ‘maak ik er/hier met haat werk van’, ‘geen kleine kind’, ‘blockeren’, ‘ik ben de pooier’, ‘ik kan vriendelijk zijn’, ‘wees verstandig’, ‘ik ga gekke dingen doen’, ‘wil je dit oplossen’, ‘ben man van mijn woorden, dat zweer ik’, ‘pfff’, ‘sorry’’. In de bijlage II zijn de aangiftes en de bijbehorende chats terug te vinden.
(Mede)plegen
De rechtbank is – mede gelet op het voorgaande – met de officier van justitie van oordeel dat de verdachten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] zich samen schuldig hebben gemaakt aan het afdreigen van de aangevers en de pogingen daartoe, zoals onder 1 (primair) en 2 ten laste gelegd en ook samen de bedragen hebben witgewassen, zoals hierna in dit vonnis nog aan de orde komt.
De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist is dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). (Vgl. HR 12 juni 2018,
ECLI:NL:HR:2018:893).
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012,
ECLI:NL:HR:2012:BW9972,
NJ 2012/452 (https://www.legalintelligence.com/documents/7273156)).
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier verdachten en dat zij alle vier een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de ten laste gelegde feiten. Zij zijn betrokken geweest bij verschillende onderdelen van de uitvoering van de werkwijze van de dadergroep: het plaatsen en beheren van seksadvertenties, het leggen van contact met potentiële slachtoffers, het vergaren van informatie over de slachtoffers en van mensen uit hun naaste omgeving, het afdreigen van de slachtoffers en het op de bankrekening ontvangen en vrijwel direct daarna contant opnemen van de betalingen door de slachtoffers.
Vanaf de IP adressen die geregistreerd staan op de adressen van [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn seksadvertenties aangemaakt en beheerd. Telefoonnummers die gekoppeld zijn geweest aan de advertenties hebben in de telefoons gezeten die bij [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn aangetroffen; van één van die telefoonnummers is de simkaarthouder bij [medeverdachte 1] aangetroffen. Een aantal van deze telefoonnummers wordt ook genoemd door aangevers als de telefoonnummers waarmee zij werden benaderd door de afdreiger. De telefoonnummers die daarvoor zijn gebruikt stralen ook zendmasten aan in de omgeving van de woningen van die verdachten. Op de telefoons van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] stonden afbeeldingen van mannelijke geslachtsdelen en grote hoeveelheden seks gerelateerde berichten die passen binnen de hiervoor beschreven vaste werkwijze van de dadergroep. Drie van de vier hoofdverdachten, te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] hebben hun bankrekeningnummer gebruikt om de stortingen door de aangevers op te laten plaatsvinden. [medeverdachte 2] heeft op enig moment bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 4] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld. Er was sprake van een geoliede machine, waarmee op een relatief makkelijke manier veel geld werd verkregen.
Typerend voor de samenwerking is een WhatsAppconversatie die in de telefoon van [medeverdachte 4] is aangetroffen: ‘breng die tellie mee’, waarop wordt geantwoord:
‘Stallem ff.t die tellie ben nog steeds bezig met die man hij is nu werken hij heb vandaag salaris gekregen 1500 En hij heb ing’. Hieruit leidt de rechtbank af dat er tussen de verdachten overleg is op de te plegen feiten en dat er kennelijk gezamenlijk gebruik wordt gemaakt van een telefoon.
Dat er tussen de verdachten onderling nauw is samengewerkt leidt de rechtbank ook af uit de vele dwarsverbanden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. [medeverdachte 4] ontvangt geld op zijn ING rekening van de aangevers [naam 8] en [naam 7] , die blijkens hun aangiften zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [verdachte] zijn gebruikt. Ook [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] ontvangen geld op hun bankrekeningen van aangevers die zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [verdachte] zijn gebruikt. Daarnaast ontvangen zowel [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] als [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] gelden op hun bankrekeningen van andere personen die bij de politie melding hebben gedaan van afdreiging/afpersing. Daarbij valt op dat de aangevers eerst wordt gevraagd bij welke bank zij een rekening hebben, en pas dáárna een rekeningnummer van één van de medeverdachten bij diezelfde bank wordt opgegeven waarnaar de aangevers het geld moeten overmaken. Op deze wijze hebben de verdachten verzekerd dat de betalingen snel werden geëffectueerd. Nadat de aangevers een screenshot van de betaling hebben gestuurd, worden de bedragen vrijwel geheel en binnen enkele minuten tot enkele uren contant van de betreffende bankrekening opgenomen. Gelet hierop kan het niet anders dan dat de verdachten nauw contact met elkaar onderhielden en bewust hebben samengewerkt. Als de rechtbank dit anders moet zien, dan hadden verdachten - zoals hiervoor gezegd - moeten uitleggen hoe dit belastende materiaal anders dient te worden geïnterpreteerd. Dit hebben zij nagelaten, ondanks daartoe uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd.
De medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben ook hun rekening beschikbaar gesteld aan deze vier hoofdverdachten en betalingen van de aangevers ontvangen. Er is echter onvoldoende bewijs voorhanden om te concluderen dat zij op een bepaalde wijze betrokken zijn geweest bij de afdreigingen en de pogingen daartoe. Wel worden zij veroordeeld voor het (gewoonte)witwassen van de bedragen die op hun eigen rekeningen hebben gestaan.
Vrijspraak afpersing
De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van de onderdelen van de tenlastelegging die betrekking hebben op afpersing (bedreiging met geweld). Weliswaar hebben meerdere aangevers verklaard dat zij zich bedreigd voelden door de berichten en dat zij bang waren dat hen of hun familie iets zou worden aangedaan. Ook heeft een aangever verklaard dat de verdachten hem en zijn familie ook daadwerkelijk gedreigd hebben ‘wat aan te doen’. Echter, voor zover daarmee al sprake zou zijn van de in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde dreiging met geweld, ontbreekt er in het dossier enig objectief bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte en zijn medeverdachten dergelijke concrete bedreigingen hebben geuit. De berichten die zich wel in het dossier bevinden zijn naar het oordeel van de rechtbank passend bij de afdreiging met smaad(schrift) en zijn onvoldoende om aan te merken als bedreiging met geweld, zodat niet van afpersing kan worden gesproken.
Gewoontewitwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005,
ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010,
ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010,
ECLI:NL:HR:2010:BM2471en HR 28 januari 2014,
ECLI:NL:HR:2014:194).
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat de verdachten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] gevieren betrokken waren bij criminele praktijken waardoor slachtoffers geld overmaakten naar bankrekeningen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en naar die van de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Uit de overzichten, die deel uitmaken van bijlage II, blijkt dat er honderden transacties hebben plaatsgevonden naar die rekeningen. Het zijn steeds ronde bedragen variërend tussen € 50,- en € 750,-, soms meerdere keren per dag van dezelfde personen, met soms seks gerelateerde omschrijvingen of omschrijvingen als ‘gift’ en ‘lenen’. De bedragen worden veelal direct weer contant opgenomen bij een pinautomaat of supermarkt of besteed. Hiermee is een mistgordijn opgetrokken en is het geld uit het zicht verdwenen.
Bij de overboekingen die horen bij een aangifte of melding in het dossier is het bewijs van de criminele herkomst gegeven met die aangiften en meldingen. Ten aanzien van de overige overschrijvingen geldt dat het hiervoor omschreven patroon van de betalingen het vermoeden rechtvaardigt is dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die geldbedragen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die de verdachten daarover hebben gegeven, niet kunnen worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het gezamenlijk plegen van de omvangrijke afdreigingen, komt de rechtbank ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen van de bedragen uit de verdachte transacties op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Hoewel er op de ING rekening van [verdachte] geen verdachte transacties hebben plaatsgevonden, was [verdachte] , gelet op de vanuit zijn telefoons verstuurde berichten waarin de aangevers werden gedwongen om te betalen, wel op de hoogte van het feit dat het afgedwongen geld op de bankrekeningen van de andere verdachten binnenkwam, dat er verhullende omschrijvingen werden gedicteerd en valse tenaamstellingen werden gebruikt. Deze werkwijze is consequent toegepast en ook [verdachte] moet hebben geweten dat de gelden vervolgens grotendeels contant werden opgenomen en onder de verdachten werd verdeeld. Dit maakte namelijk een vast onderdeel uit van de criminele activiteiten die geldelijk gewin tot doel hebben.
De rechtbank sluit wat betreft pleegperioden en witgewassen bedragen aan bij de officier van justitie, zoals deze door haar op basis van de bewijsmiddelen zijn bijgesteld, overeenkomstig haar requisitoir. Bij [medeverdachte 4] dient te worden opgemerkt dat in de periode tot 22 juli 2016 er onvoldoende bewijs voor medeplegen voorhanden is.
[medeverdachte 4] 24 mei 2016 tot en met 15 dec 2016 € 56.151,-
[verdachte] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,-
[medeverdachte 1] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,-
[medeverdachte 6] 27 aug 2016 tot en met 15 dec 2016 € 49.848,-

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016 te Delft, Den Haag, Leeuwarden, Utrecht, Odiliapeel, Sittard en/of Nieuweroord, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim
- aangever 2 ( [naam 5] ),
- aangever 5 ( [naam 7] ),
- aangever 6 ( [naam 8] ),
- aangever 7 ( [naam 9] ) en
- aangever 8 ( [naam 2] )
heeft gedwongen tot de afgifte van
- ( aangever 2) 1.000 euro en codes voor beltegoed ter waarde van 280 euro,
- ( aangever 5) 1.700 euro,
- ( aangever 6) 1.000 euro,
- ( aangever 7) 750 euro en
- ( aangever 8) 600 euro,
toebehorende aan aangever 2, 5, 6, 7, en/of 8,
immers hebben verdachte en zijn mededaders aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 (meermalen) gedreigd:
- hun familie, vrienden, werkgever(s) en/of anderen in te lichten over seksueel getinte berichten die aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 hebben ontvangen en/of verstuurd, een seksafspraak tussen aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 en een vrouw/prostituee en/of contact(en) van aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 met een prostituee, sekslijn en/of sekssite,
- een naaktfoto van aangever 2 en/of 7 te publiceren/delen en/of niet te verwijderen,
- er (met haat) werk van te maken,
- het leven van aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 te ruineren/verpesten, (echte) problemen te veroorzaken, gekke dingen te doen en/of een last te worden,
- bij aangever 5, 6, 7 en/of 8 thuis langs te komen,
- aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 niet met rust te laten f
als aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 geen geldbedragen zouden betalen en/of codes voor beltegoed zouden sturen;
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016 te Delft, Den Haag, [woonplaats] , [woonplaats] en/of Bemmel, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim
- aangever 1 ( [naam 3] ),
- aangever 3 ( [naam 4] ) en
- aangever 4 ( [naam 6] )
te dwingen tot de afgifte van
- ( aangever 1) 200 euro,
- ( aangever 3) 250 euro en
- ( aangever 4) 200 euro,
toebehorende aan aangever 1, 3 en/of 4,
met zijn mededaders heeft gedreigd:
- hun familie, vrienden, werkgever(s) en/of anderen in te lichten over seksueel getinte berichten die aangever 1, 3 en/of 4 hebben ontvangen en/of verstuurd, een seksafspraak tussen aangever 1, 3 en/of 4 en een vrouw/prostituee en/of contact(en) van aangever 1, 3 en/of 4 met een prostituee, sekslijn en/of sekssite,
- een naaktfoto van aangever 4 te publiceren/delen en/of niet te verwijderen,
- er (met haat) werk van te maken,
- het leven van aangever 1, 3 en/of 4 te ruineren/verpesten, (echte) problemen te veroorzaken, gekke dingen te doen en/of een last te worden,
- bij aangever 4 thuis langs te komen,
- aangever 1, 3 en/of 4 niet met rust te laten
als aangever 1, 3 en/of 4 geen geldbedrag(en) zouden betalen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
in de periode van 22 juli 2016 tot en met 15 december 2016 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededaders van geldbedragen (van in totaal 55.405 euro) de werkelijke aard, de vindplaats en de verplaatsing verhuld en verhuld wie (deze) geldbedragen (van in totaal 55.405 euro) voorhanden hadden
en
(deze) geldbedragen (van in totaal 55.405 euro) voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en van (deze) geldbedragen (van in totaal 55.405 euro) gebruik gemaakt door deze geldbedragen te ontvangen op de bankrekeningen
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 4] ,
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] ,
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] ,
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 6] ,
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 2] en
- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 5]
en vervolgens (direct) contant op te nemen, uit te geven en/of te overhandigen aan zijn mededader(s), terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig waren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 267 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals door de Raad geadviseerd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele strafoplegging aansluiting dient te worden gezocht bij het positieve rapport van de Raad. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat het herhalingsrisico laag wordt ingeschat, verdachte geen relevante documentatie heeft, het een oude zaak is, hij ook nadien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en verdachte een fulltime baan heeft. De strafeis is dan ook te hoog, en overigens kan een proeftijd bij jeugdigen niet langer zijn dan 2 jaren.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijkt af van het gevorderde door de officier van justitie.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de hoeveelheid slachtoffers, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich met medeverdachten schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Zij hebben in ieder geval de acht aangevers die vermeld staan in de tenlastelegging en bewezenverklaring afgedreigd of gepoogd af te dreigen. Nadat de aangevers hadden gereageerd op een door de verdachten gemaakte seksadvertentie, werden zij vervolgens via telefoonberichten door verdachte en zijn medeverdachten onder druk gezet en zo bewogen om geld over te maken. Het leven van de aangevers zou worden geruïneerd en hun bij naam genoemde familieleden zouden worden geïnformeerd. Een deel van de aangevers heeft uit angst ook daadwerkelijk een of meerdere keren betaald. Het enige doel van de chantage door verdachte en zijn medeverdachten was geld verdienen ten koste van de slachtoffers door in te spelen op hun kwetsbaarheid en angst. Verdachte en zijn mededaders waren zich ervan bewust dat het hebben van betaalde seksuele contacten maatschappelijk niet algemeen is geaccepteerd en dat slachtoffers deze contacten veelal geheim wenste te houden. Hiervan is misbruik gemaakt waardoor slachtoffers gedwongen zijn geweest dit onderdeel van hun te respecteren privéleven openbaar te maken. Het handelen van verdachte heeft geleid tot financiële schade, maar ook tot angst en gevoelens van onveiligheid. Verdachten hebben hiermee een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers. De heer [naam 3] heeft zich bedreigd gevoeld en is naar zijn zeggen psychisch onder druk gezet. Hij heeft aangifte gedaan omdat hij wilde ‘dat dit stopt’. De heer [naam 5] heeft meerdere keren geld overgemaakt omdat hij bang was dat zijn familiebedrijf negatief in de publiciteit zou komen. Hij was bang dat zijn door hem toegestuurde naaktfoto gepubliceerd zou worden. De heer [naam 4] was bang dat zijn familie wat zou worden aangedaan op het moment dat hij geen geld betaalde. Hij heeft er niet van kunnen slapen en niet kunnen werken, zoals blijkt uit zijn vordering als benadeelde partij. Tegen de heer [naam 6] is gezegd dat ‘de pooier’ naar hem toe zou komen om het geld op te halen. Gelukkig kreeg hij niet te lezen naar welk adres die zou komen. De heer [naam 7] raakte in paniek toen hij de berichten van verdachten ontving. Hij voelde zich bedreigd en was bang dat zijn familie wat zou worden aangedaan. Door zijn hoofd schoot ook dat zijn adres op de site van zijn hobbymatige bedrijf stond. Daarom heeft hij meerdere keren geld overgemaakt. De heer [naam 8] wilde per se niet dat zijn familie op de hoogte kwam van zijn handelen. Hij dacht werkelijk dat hij bedreigd werd door verdachten en heeft daarom vier keer geld overgemaakt. [naam 8] heeft lang gedacht dat verdachten hem zouden komen opzoeken. Daar heeft hij geruime tijd last van gehad. De heer [naam 9] heeft een naaktfoto gemaakt en deze toegestuurd aan verdachten. Vervolgens is hij steeds bedreigd door verdachten en zo gedwongen meerdere bedragen naar hen over te maken. Daarbij gaven ze hem te kennen te weten dat hij een zoon had. Hij heeft daar slapeloze nachten van gehad, zo blijkt uit zijn vordering benadeelde partij. De heer [naam 2] heeft zich door de chantage getroffen gevoeld in zijn persoonlijke vrijheid. De heer [naam 10] heeft meerdere keren geld betaald aan verdachten omdat hij heel bang was dat zijn familie daadwerkelijk iets zou worden aangedaan. Dat er veel meer slachtoffers zijn gemaakt dan dat er aangevers zijn, blijkt wel uit de financiële stromen op de bankrekeningen van de medeverdachten en de vele duizenden telefoonberichten die zich in het dossier bevinden. In totaal is er ruim € 56.000 crimineel geld rond gegaan op de rekeningen. Dit geld is vrijwel in alle gevallen direct contant opgenomen door de verdachten. Hiermee hebben zij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde. De rechtbank rekent dit toe aan alle verdachten. Nog steeds is niet duidelijk waar het meeste van dat geld is gebleven. De rechtbank neemt dit verdachte en zijn mededaders zeer kwalijk.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2018 waaruit blijkt dat verdachte
  • op 18 januari 2013 een transactie aangeboden heeft gekregen in de vorm van een werkstraf in verband met een diefstal en bedreiging, en deze heeft voldaan;
  • op 9 juli 2013 door de kinderrechter te Den Haag is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf in verband met een diefstal met geweld en opzetheling;
  • op 12 mei 2014 een transactie aangeboden heeft gekregen in de vorm van een werkstraf in verband met belediging, en deze heeft voldaan.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
  • rapport van de Raad opgemaakt op 1 oktober 2018;
  • rapport van Jeugdbescherming West opgemaakt op 8 juli 2015;
De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, nu verdachte ook slechts in verzekering gesteld is geweest en niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Verdachte wil niet verklaren over zijn aandeel, maar als hij betrokken is geweest bij deze ernstige feiten, is dit zorgelijk. Verdachte maakt een positieve indruk en heeft werk. De politie heeft zijn zorgen geuit over het feit dat verdachte nog steeds wordt gezien in een risicovolle groep. Het is dan ook zinvol om verdachte gedurende de proeftijd te laten begeleiden door Reclassering Nederland (afdeling jongvolwassenen).
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de volgende strafoplegging.
De ernst van de feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gehad, rechtvaardigen een forse jeugddetentie. Bij strafoplegging wordt in strafverzwarend opzicht ook rekening gehouden met de eerdere veroordelingen van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank ook de eisen en straffen in de strafzaken van de medeverdachten bij de weging van de strafoplegging betrokken. Dat maakt dat de rechtbank tot oplegging van een hogere jeugddetentie komt dan geëist door de officier van justitie.
Nu verdachte – anders dan de minderjarige medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] – slechts drie dagen in voorarrest heeft doorgebracht, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dat dan ook betekent dat een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gepast en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat gelet op mate van organisatie, de hoeveelheid slachtoffers, de ernst en de omvang van de feiten als ook de rol die verdachte daarbij heeft gehad, niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gelijk aan die drie dagen. Het is inherent aan het zo kort mogelijk houden van de voorlopige hechtenis dat, wanneer de rechtbank in latere instantie tot een hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie komt, een veroordeelde terug zal moeten naar een jeugdgevangenis.
Wel zal, gelet op het advies van de Raad, ter voorkoming van recidive een deel van de jeugddetentie in voorwaardelijke vorm worden opgelegd met daaraan verbonden diverse bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd. Verdachte zal moeten meewerken met de begeleiding vanuit de reclassering en ervoor moeten zorgen dat hij een dagbesteding heeft in de vorm van werk of school. Indien verdachte zich niet houdt aan (één van) deze bijzondere voorwaarden loopt hij het risico om opnieuw gedetineerd te raken. De proeftijd zal – conform artikel 77y Wetboek van Strafrecht en anders dan door de officier van justitie gevorderd – worden gesteld op de maximale duur van 2 jaren. Daarnaast zal – gezien de ernst van de feiten – aan verdachte de maximale werkstraf worden opgelegd.
Beslag
Onder verdachte is een hoverboard in beslag genomen, zoals weergegeven op de beslaglijst.
De raadsman heeft verzocht dit goed te retourneren aan de eigenaar, het zusje van verdachte. Het is een oud goed en de nieuwprijs overstijgt de 150 euro niet.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat dit goed op een wijze als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht betrokkenheid heeft met onderhavige strafzaak. Gelet hierop kan het beslag ingevolge artikel 353 Wetboek van Strafvordering worden opgeheven en kan het goed worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de zus van verdachte.
Echter, op het goed is eveneens conservatoir beslag gelegd in het kader van eventueel te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit beslag zal nog blijven voortduren, zodat het goed niet feitelijk in het bezit zal komen van de rechthebbende. Eventuele beslissingen met betrekking tot het conservatoir beslag maken geen deel uit van dit vonnis.
Benadeelde partijen
[naam 4] (ZD 3)
De benadeelde partij [naam 4] vordert € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 500,--.
De rechtbank is – met de raadsvrouw – van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is toegelicht en onderbouwd waarbij het toelaten van nadere onderbouwing/bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[naam 7] (ZD 5)
De benadeelde partij [naam 7] vordert € 1.700,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [naam 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[naam 8] (ZD 6)
De benadeelde partij [naam 8] vordert € 1.000,-- aan materiële schadevergoeding en € 250,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank ten aanzien van het materiële gedeelte niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De benadeelde partij zal ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, zoals ook door de raadsvrouw bepleit. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [naam 8] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[naam 9] (ZD 7)
De benadeelde partij [naam 9] vordert € 750,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
In het belang van [naam 9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[naam 10]
De benadeelde partij [naam 10] vordert € 502,25 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de benadeelde partij zijn vordering bijgesteld naar € 475,01, omdat hij minder verlofuren heeft moeten opnemen om de terechtzitting bij te kunnen wonen dan aanvankelijk door hem was gevorderd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 475,01. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De rechtbank constateert dat benadeelde partij [naam 10] niet is opgenomen in de tenlastelegging. Gelet echter op de hierboven beschreven werkwijze van de groep verdachten in combinatie met de aangifte van de heer [naam 10] en het feit dat hij geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 6] , komt de rechtbank tot het oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De gevorderde schadevergoeding – zoals ter zitting gewijzigd – komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
In het belang van [naam 10] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 318, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
poging tot medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
medeplegen van gewoontewitwassen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van
300 (driehonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, te weten 3 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 240 (tweehonderd veertig) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de
algemene voorwaardendat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
en onder de
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
- zich gedurende een door Reclassering Nederland (afdeling jongvolwassenen) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd een dagbesteding heeft in de vorm van werk of een opleiding;
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland (afdeling jongvolwassenen) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
200 (tweehonderd) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende (zus verdachte) van:
1 . 1.00 STK Skatebord
Air Runner 5302673
Verklaart
[naam 4]niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Wijst de vordering van
[naam 7]toe tot € 1.700,-- (zeventienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 7] , aan de Staat € 1.700,-- (zeventienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 10 (tien) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van
[naam 8]toe tot € 1.000,-- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 8] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart [naam 8] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 8] , aan de Staat € 1.000,-- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 8 (acht) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van
[naam 9]toe tot € 750,-- (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 9] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 9] , aan de Staat € 750,-- (zevenhonderd vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 7 (zeven) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van
[naam 10]toe tot € 475,01 (vierhonderd vijfenzeventig euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 10] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 10] , aan de Staat € 475,01 (vierhonderd vijfenzeventig euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 5 (vijf) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.H.J. Evers, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. H.P.E. Has en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.