ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2498
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van kinderbijslag bij co-ouderschap en hoorplicht
Eiser en zijn ex-echtgenote hadden een co-ouderschapsregeling vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, waarbij de kinderbijslag gelijk werd verdeeld. Na een rechterlijke beschikking van 9 april 2008 werd deze regeling beëindigd en werd de verblijfplaats van de kinderen bij de moeder vastgesteld, met een omgangsregeling voor de vader. Verweerder besloot daarop de kinderbijslag volledig aan de moeder uit te betalen en wees het bezwaar van eiser ongegrond zonder hem te horen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet had mogen afzien van het horen van eiser in de bezwaarfase, omdat niet zonder meer kon worden vastgesteld dat het bezwaar ongegrond was. De feitelijke verzorging en het onderhoud van de kinderen waren niet voldoende in kaart gebracht, terwijl eiser aannemelijk maakte dat hij en zijn ex-echtgenote nog steeds in gelijke mate voor de kinderen zorgden en kosten droegen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen na het horen van eiser en zijn ex-echtgenote. Tevens wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht en een zorgvuldige feitenvaststelling bij beslissingen over kinderbijslag in situaties van co-ouderschap.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen na het horen van eiser en zijn ex-echtgenote.