ECLI:NL:CRVB:2001:AD5017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H. Bolt
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering helft kinderbijslag bij geen co-ouderschap volgens AKW
Appellant, vader van drie kinderen uit een huwelijk dat in 1994 is ontbonden, verzocht de Sociale Verzekeringsbank om toekenning van de helft van de kinderbijslag op grond van een co-ouderschapsregeling. De kinderen wonen hoofdzakelijk bij de moeder en verblijven slechts gedurende 26 weekenden en zes vakantieweken per jaar bij appellant. Het echtscheidingsconvenant bevatte geen afspraken over co-ouderschap of gelijke verzorging.
De Sociale Verzekeringsbank wees het verzoek af omdat er geen sprake was van co-ouderschap in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het besluit samenloop. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er mondelinge afspraken waren gemaakt over co-ouderschap, maar de Raad stelde vast dat deze afspraken niet tot een duurzame wijziging in de feitelijke verzorging hadden geleid.
De Raad benadrukte dat de feitelijke mate van verzorging bepalend is voor de toepassing van artikel 5a van het besluit samenloop. Omdat appellant niet de kinderen overwegend in gelijke mate verzorgt, heeft hij geen aanspraak op de helft van de kinderbijslag. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant krijgt geen recht op de helft van de kinderbijslag omdat hij de kinderen niet overwegend in gelijke mate verzorgt.