ECLI:NL:CRVB:2007:BB8867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens schending hoorplicht
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank had dit besluit bevestigd, stellende dat de medische beperkingen correct waren vastgesteld en dat appellante passende functies kon vervullen zonder significant inkomensverlies.
De Raad overweegt echter dat het UWV de hoorplicht heeft geschonden door niet schriftelijk te bevestigen dat de hoorzitting was verplaatst, waardoor appellante niet daadwerkelijk is gehoord. Dit is een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure en leidt tot vernietiging van het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Desondanks heeft appellante in het beroep en hoger beroep haar standpunten volledig kunnen toelichten. De Raad stelt vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en belastbaarheid van appellante juist zijn vastgesteld. Het verlies aan verdiencapaciteit is minder dan 15%, waardoor de weigering van de WAO-uitkering terecht is.
De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht aan appellante. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven echter in stand, zodat appellante geen WAO-uitkering ontvangt per 8 augustus 2003.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.