ECLI:NL:CRVB:2005:AU5116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op kinderbijslag bij ontbreken co-ouderschap en onvoldoende bijdrage onderhoud
Appellant, voormalig gehuwd met de moeder van zijn zoon, vordert de helft van de kinderbijslag op grond van gezamenlijk ouderlijk gezag en een echtscheidingsconvenant waarin omgangsrechten zijn vastgelegd. De Sociale verzekeringsbank heeft dit geweigerd omdat het kind bij de moeder verblijft en appellant niet substantieel bijdraagt aan het onderhoud.
De rechtbank heeft de weigering bevestigd en de Raad overweegt dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet gelijkstaat aan co-ouderschap. De feitelijke verzorging is doorslaggevend en het kind verblijft overwegend bij de moeder. De omgangsregeling met appellant betreft slechts minimaal één dag per week, wat geen co-ouderschap inhoudt.
De Raad wijst ook het argument af dat het belemmeren van contact door de moeder appellant zijn rechten ontnam. Zelfs bij volledige naleving van het convenant zou alleen bij daadwerkelijke co-ouderschap recht op gelijke verdeling van kinderbijslag ontstaan. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag omdat het kind bij de moeder woont en hij niet in belangrijke mate bijdraagt aan het onderhoud.