Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De uitspraak van het hof
wederrechtelijkis. Ten aanzien van de vijf in de tenlastelegging met naam genoemde vreemdelingen [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] stelt het hof vast dat zij allen destijds beschikten en wellicht nog steeds beschikken over een verblijfsvergunning die zij ontleenden aan hun duurzame relatie met vijf Spaanse vrouwen, EU-burgers dus. Zoals (zo heeft het hof het begrepen) betoogd door de verdediging en ook één en andermaal op is gewezen door de verdachte, zou het feit dat er in alle vijf gevallen (nog steeds) sprake is van een verblijfsvergunning in de weg staan aan de vaststelling dat er sprake is van wederrechtelijk verblijf.
3.Het eerste cassatiemiddel
De eerste deelklacht
[AG: tot 1 juli 2016: vier jaren]of geldboete van de vijfde categorie.
[AG: tot 1 juli 2016: acht jaren]of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.”
voortsde situatie kan voordoen dat ook het handelen “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” als zodanig meermalen is gepleegd en dat dus sprake is van op zichzelf staande handelingen die meer dan één misdrijf opleveren. [2] Van dat laatste was naar het oordeel van de Hoge Raad bijvoorbeeld sprake in een geval van bedrog met valse merken, waarbij in een periode van bijna vijf maanden meerdere op zichzelf staande handelingen in de uitoefening van een bedrijf van de verdachte op uiteenliggende tijdstippen konden worden onderscheiden, die betrekking hadden op telkens verschillende partijen uiteenlopende waren (kleding, parfums of schoenen). Onder die omstandigheden had het hof volgens de Hoge Raad kunnen oordelen dat het bewezenverklaarde plegen “als bedrijf” als zodanig “meermalen” gepleegd was. [3] De Hoge Raad overwoog in dat verband in zijn arrest:
oogmerktot herhaling en niet zozeer de herhaling zelve, klinkt in de overwegingen van het hof mijns inziens door dat (ook) het feit dat het ging om meerdere personen heeft bijgedragen aan het oordeel dat de verdachte van dat feit een beroep heeft gemaakt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het bewezenverklaarde handelen “meermalen is gepleegd”. Dat oordeel acht ik, gelet op de bewijsvoering van het hof, niet onbegrijpelijk. Uit die bewijsvoering volgt immers dat op verschillende tijdstippen in een periode van meerdere jaren de verdachte op georganiseerde wijze verschillende personen elk op een te individualiseren wijze behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf, bijvoorbeeld door de afzonderlijke partners van die personen van een gefingeerd dienstverband te voorzien. Het oordeel van het hof dat aldus sprake is van beroepsmatig verrichte, op zichzelf staande handelingen die meer dan één misdrijf opleveren getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is mijns inziens niet onbegrijpelijk.
elkvan de onder de tenlastelegging begrepen personen behulpzaam te zijn geweest in de zin van art. 197a lid 2 Sr, terwijl de verdachte van het plegen van (telkens) dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Die uitleg van de tenlastelegging, die is voorbehouden aan de feitenrechter, komt mij – mede gelet op het bepaalde in art. 197a lid 2 Sr (“een ander” behulpzaam zijn) – niet onbegrijpelijk voor.
4.Het tweede middel
winstbejag(gericht op verrijking) plaatsvond. Dat oordeel is wat mij betreft toereikend gemotiveerd. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de bewijsvoering van het hof volgt dat die beroepsmatige behulpzaamheid door de verdachte steeds vergelijkbare vormen heeft aangenomen, alsmede de overwegingen van het hof over de georganiseerdheid van het handelen van de verdachte. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep
isvoorzien, nu de verdediging in hoger beroep heeft voorgesteld een Excelbestand te overleggen met een overzicht van in- en uitgaande bedragen, voornamelijk betrekking hebbend op de overige 14 vreemdelingen in het dossier. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de verdachte wist wat de omvang van het verwijt was. Verder heeft het hof bij de afwijzing betrokken dat alle informatie omtrent de vreemdelingen zich van het begin af aan in het dossier heeft bevonden, dat de verdediging zowel in eerste als in tweede aanleg over het dossier en deze informatie daarin heeft beschikt en dat deze informatie zowel in eerste als in twee aanleg aan de orde is geweest en aan de verdachte is voorgehouden, terwijl nimmer aan de verdediging is toegezegd dat het aan verdachte gemaakte verwijt beperkt zou blijven tot de in de tenlastelegging met naam vermelde personen.
child sexual abuse material). In dergelijke zaken kan het grootschalige karakter van het delict naar het oordeel van de Hoge Raad een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter moet dan op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden. [9] In verband met de wijze van tenlastelegging heeft de Hoge Raad bij grootschalig bezit van
child sexual abuse materialwel overwogen dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een gering aantal afbeeldingen, zo mogelijk ten hoogste vijf. [10]