Conclusie
de vrouw(verzoekster tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep) respectievelijk
de man(verweerder in cassatie, verzoeker in het incidenteel cassatieberoep).
1.Inleiding
2.Feiten
Artikel 1
nietis besteed ter dekking van de kosten van de huishouding waaronder begrepen de kosten van verzorging en de opvoeding der kinderen;
nietis besteed danwel niet ten goede is gekomen aan beide echtgenoten casu quo het gezin.
de rechtbank) verzocht de echtscheiding uit te spreken en heeft verschillende nevenverzoeken ingediend. Voor zover in cassatie van belang heeft de vrouw, na wijziging/aanvulling van haar verzoek, met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime verzocht:
de sloep) aan de man toe te delen onder betaling door hem aan de vrouw van de helft van de waarde ervan. [3]
het eiland) met blokhut/recreatievoorziening en verminderd met de helft van de getaxeerde waarde van [het perceel] (hierna ook:
[het perceel]) en de graafmachine.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime’:
Eenvoudige gemeenschappen’ oordeelde de rechtbank met betrekking tot de sloep onder meer:
Ad c) [de sloep]
Te verrekenen vermogen
het hof). Zij heeft verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen. Het hof stelt vast dat de man niet heeft aangetoond hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep.
de beschikking). De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft van zijn zijde incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft in dat beroep geconcludeerd tot verwerping.
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
nietgevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. [9] Daartoe mag van die echtgenoot worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen. [10]
nietop de waarde van het te verrekenen vermogen. [11] De Hoge Raad overwoog hierover:
ik lees: art. 149 lid 1 Rv Pro, A-G]. Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 1:143 BW Pro echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 679 Rv Pro een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.
eerste onderdeelis gericht tegen de afwijzing door het hof in de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.17 van de verzoeken van de vrouw onder III en IV van haar beroepschrift (beschrijving van het vermogen van de man en beslissing over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden inzake het te verrekenen vermogen). Het onderdeel bevat de klacht dat het oordeel onjuist is of onbegrijpelijk, omdat het hof heeft verzuimd om op de daarin opgenomen grieven van de vrouw en op grief 5 te reageren, althans heeft miskend dat met afwijzing van de verzoeken nog niet op de grieven 3 tot en met 5 is beslist. Ter toelichting op de klacht voert het onderdeel, puntsgewijs weergegeven, het volgende aan:
grief 3is de vrouw opgekomen tegen het oordeel dat zij na verrekening een vordering op de man heeft van € 30.000,-. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gehele nog vast te stellen waarde van [het perceel] tot het te verrekenen vermogen behoort, omdat dit deels is gefinancierd met de privévermogens van partijen en deels met overgespaarde inkomsten van partijen. [16] Wat betreft het eiland heeft de vrouw aangevoerd dat zij een bedrag van € 48.500,- aan privévermogen daarin heeft geïnvesteerd en dat de rechtbank deze stelling ten onrechte als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen. [17] De vrouw heeft in de grief verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de aandelen ING buiten de verrekening heeft gehouden [18] en de waarde van de aandelen AT Osborne ten onrechte heeft gesteld op € 113.688,-. [19]
Grief 4van de vrouw richtte zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vaststaat dat zij giften tot het door haar gestelde bedrag heeft ontvangen. [20]
Peildatum’ (p. 10):
voorhuwelijkse vermogen. [25] De voorhuwelijkse vermogens van beide partijen worden gelijkgetrokken en bepaald op het door de man gestelde bedrag van € 18.379,02.
giften/schenkingenis onvoldoende vast te stellen, zodat daarmee bij de bepaling van de omvang van het vermogen van de vrouw geen rekening wordt gehouden. [26]
erfenis van zijn moederheeft verkregen. Dit bedrag moet buiten de verrekening blijven.
eiland en de recreatiewoning/blokhutmet een bedrag van € 48.500,- is gefinancierd met haar privégeld. De vrouw heeft niet alleen niet duidelijk gemaakt wat de juridische grondslag is van haar stelling (schenking/giften of voorhuwelijks vermogen), maar heeft voorts onvoldoende aangetoond dat zij met privégeld het eiland en de recreatiewoning/blokhut heeft gefinancierd. De gehele, door een makelaar nog te taxeren waarde van het eiland met de recreatiewoning/blokhut moet in het nog te verrekenen bedrag worden betrokken.
lening aan de zoonmoet worden meegenomen in het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw.
graafmachinemoet worden betrokken in het nog te verrekenen bedrag.
contant geldter hoogte van € 30.000,- in haar bezit had, zodat dit bedrag niet zal worden meegenomen in het te verrekenen vermogen.
aandelen INGdie de man heeft aangeschaft dient buiten de verrekening te blijven.
aandelen AT Osbornemoeten in de verrekening worden betrokken tegen de door de man gestelde waarde van € 113.688,-, nu deze waarde door de vrouw niet is betwist.
door de mangestelde vermogensbestanddelen van beide partijen (en de daaromtrent vervolgens door de vrouw ingenomen stellingen en ingediende stukken), lag in het licht van de vaststelling dat de vrouw niet aan haar stelplicht had voldaan, voor de hand. In haar grieven 3 tot en met 5 is de vrouw opgekomen tegen oordelen van de rechtbank met betrekking tot (de waarde van) specifieke vermogensbestanddelen: [het perceel] , het eiland, de aandelen ING, de aandelen AT Osborne, giften aan de vrouw van haar ouders, het voorhuwelijkse vermogen van de vrouw en de overige (roerende) goederen. Ook indien moet worden aangenomen dat de vrouw ook in hoger beroep niet een eigen beschrijving van de vermogensbestanddelen heeft overgelegd, met toekenning van een waarde daaraan, kon (en diende) het hof te responderen op de onderbouwde grieven van de vrouw. Dit kon leiden tot andere oordelen met betrekking tot één of meer vermogensbestanddelen en daarmee de omvang van het te verrekenen vermogen. Daarbij merk ik op dat de niet bestreden oordelen van de rechtbank in hoger beroep uiteraard vaststonden. Aldus kon het hof aan de hand van (i) de stukken van de man, (ii) de beslissing van de rechtbank en (iii) eigen beslissingen op de grieven van de vrouw, gewoon het te verrekenen bedrag vaststellen, al dan niet, door middel van schatting, bij benadering.
op een beschrijving van het vermogen van de man. Pas na een beslissing op de grieven van de vrouw en/of een beschrijving van het vermogen kan de verrekenvordering worden vastgesteld, aldus het onderdeel. Volgens het onderdeel stelt het hof dan ook ten onrechte de eis dat de vrouw haar verzoeken nader had moeten concretiseren en onderbouwen. Dat klemt temeer, zo vervolgt het onderdeel, daar deze verzoeken niet konden worden “vastgesteld” zolang niet (inhoudelijk) op de grieven 3 tot en met 5 is beslist. Het onderdeel stelt dat het hof daarbij heeft miskend dat (ex-)echtgenoten op grond van de wet jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan, waarbij zo nodig een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het onderdeel dat de vrouw op dit punt een verzoek heeft gedaan. Het onderdeel stelt dat de wet aan een dergelijk verzoek niet de eis stelt dat concreet wordt aangegeven welke vermogensbestanddelen moeten worden omschreven, en ook niet de andere eisen die het hof stelt in r.o. 5.14 en 5.15. Het onderdeel acht in dit verband van belang dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij niet weet welke goederen de man nog onder zich heeft en wat de waarde daarvan is, en dat haar overzicht van de vermogensbestanddelen onvolledig is. [30] Het hof, zo concludeert het onderdeel, is er dan ook ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vrouw de wettelijke mogelijkheid had om het vermogen van de man te laten beschrijven, aldus het onderdeel.
zo nodigop grond van art. 1:143 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 679 Rv Pro een deskundige
kanworden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.”
kanbevelen door een bij dat bevel aan te wijzen notaris. [32]
derde onderdeelstelt dat het hof in de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.15 het verzoek van de vrouw in haar aanvullend beroepschrift heeft afgewezen. De vrouw heeft verzocht om het eiland met blokhut voor een waarde van € 775.000,- te betrekken in de verrekening, subsidiair om dit vermogensbestanddeel te laten taxeren. Het onderdeel stelt dat de rechtbank daarover in het dictum had bepaald dat de man de helft van de getaxeerde waarde van het eiland met blokhut aan de vrouw dient te voldoen en dat de motivering die is gegeven in de bestreden overwegingen de afwijzing van het aanvullend verzoek niet kan dragen. Het gaat, zo stelt het onderdeel, immers om een concreet en gemotiveerd verzoek en bedrag waarop het hof een beslissing had kunnen nemen. Volgens het onderdeel staat dit verzoek los van een beschrijving van het vermogen, althans had het afzonderlijk kunnen worden beoordeeld.
5.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen. Het hof stelt vast dat de man niet heeft aangetoond hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep.”
alhet vermogen zeggen dat het ‘privévermogen’ is. Het ‘geld’ op de bankrekening van de man is van de man; het ‘geld’ op de bankrekening van de vrouw is van de vrouw; het ‘geld’ op de gezamenlijke rekening is ook van de man óf de vrouw óf ieder van hen is rechthebbende van zijn/haar eigen onverdeelde aandeel in de vordering op de bank. Al deze vermogensbestanddelen komen in beginsel in aanmerking voor de finale verrekening, waarbij niet ter zake doet dat zij ‘privé’ zijn. Tegen deze achtergrond kan het partijdebat – waarin de man zich beroept op de relevantie van de herkomst van een deel van het door hem betaalde geld – redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat het erover gaat of bepaalde aangewende vermogensbestanddelen tot de te verrekenen vermogens behoren in het licht van de hierna te bespreken wetsbepaling.
tochverrekenen. Zo’n afspraak legt het echter af tegen een uitsluitingsclausule.
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen.”
De sloep is derhalve voor 2/3 met overgespaard inkomen gekocht en met 1/3 privévermogen van de man. De man heeft derhalve een nominaal vergoedingsrecht ten laste van de vrouw van € 6.833,33.”
zijnrekening een voorschot op de erfenis van zijn moeder heeft ontvangen van € 27.000,-, dat hij op die datum van zijn rekening een bedrag van € 13.666,67 heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van partijen met de omschrijving ‘
extra toelage t.b.v. betaling boot’, en dat eenzelfde bedrag diezelfde dag van de en/of-rekening is overgemaakt naar de rekening van de verkopers van de sloep met de omschrijving ‘
2e fact. [001] d.d. 25048 is gelijk aan 1/3 eigendomsaandeel vh schip’.
haarrekening een bedrag van € 13.666,67 heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van partijen met de omschrijving ‘
extra toelage gezin tbv betaling boot’ en dat eenzelfde bedrag diezelfde dag van de en/of-rekening is overgemaakt naar de rekening van de verkopers van de sloep met de omschrijving ‘
3e en laatste fact [002] dd 280408 fact. [001] d.d. 280408 inz aankoop schip (laatste 1/3 deel)’.
1e fact [003] dd 31-3-08 gelijk aan 1.3 eigendomsdeel vh schip’.
nietbuiten de verrekening dient te blijven (dat was volgens hem overgespaard inkomen) en het deel dat hij financierde uit (het voorschot op) de erfenis
wel. Voor de juistheid van deze stelling(en) valt bij gebreke aan nadere achtergrondinformatie op het eerste gezicht wel wat te zeggen. Het hof heeft – gelet op het voorgaande – het bepaalde in art. 1:133 lid Pro 2, tweede volzin, BW miskend dan wel onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het hof had in elk geval met betrekking tot
beidehiervoor in 5.14 en 5.15 genoemde betalingen naar de rekening van de verkopers moeten motiveren of ze al dan niet buiten de verrekening dienen te blijven.
vermogenvan partijen in beginsel in de verrekening moet worden betrokken, is het feit dat ten aanzien van een bepaald goed een eenvoudige gemeenschap bestaat een toevalligheid. Natuurlijk, er is dan een gemeenschap. En natuurlijk, dan moet er worden verdeeld, want partijen willen niet met elkaar in hetzelfde sloepje blijven zitten. Maar dat lijkt los te staan van de financiële afwikkeling op de voet van art. 1:141 lid 3 BW Pro. Alle goederen van hem, alle goederen van haar en alle goederen ten aanzien waarvan een gemeenschap bestaat worden in beginsel op een hoop gegooid en ieder heeft aanspraak op de helft van de totale waarde van die goederen (ik laat de passiva gemakshalve even buiten beschouwing). Eenvoudige gemeenschappen zijn in dit kader geen aparte diersoort. Als een der partijen met succes een beroep doet op een uitzondering op de regel van art. 1:141 lid 3 BW Pro omtrent de veronderstelde herkomst van het vermogen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat een vermogensbestanddeel afkomstig is uit een erfenis, dan blijft een deel van het vermogen buiten de finale verrekening. Het resultaat zou zomaar eens kunnen zijn dat wanneer een van de echtgenoten investeert in een gemeenschappelijk goed met vermogen dat niet tot het te verrekenen vermogen behoort, we in de ‘vergoedingsrechtensfeer’ terecht komen.