ECLI:NL:PHR:2026:637

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
24/03794
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 SrArt. 36e SvArt. 406 SvArt. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onjuiste betekening dagvaarding in strafzaak diefstal

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep tegen een beschikking tot gevangenhouding. De verdachte had het hoger beroep te laat ingesteld en de dagvaarding in hoger beroep was niet op juiste wijze betekend aan zijn woon- of verblijfplaats.

De Hoge Raad stelt vast dat het hoger beroep niet was ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter, maar slechts tegen de beschikking tot gevangenhouding. De dagvaarding in hoger beroep was aangeboden op een adres waar de verdachte niet meer woonde, terwijl een ander adres als feitelijke woon- of verblijfplaats gold. Dit maakt de betekening niet rechtsgeldig.

De Hoge Raad overweegt dat het cassatieberoep ontvankelijk is en dat de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep onterecht is. Tevens wordt benadrukt dat het belang van de verdachte bij toetsing van de rechtmatigheid van vrijheidsbeneming ook na beëindiging van de detentie blijft bestaan, mede in het licht van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep, met de mogelijkheid dat het hoger beroep alsnog door de raadkamer wordt beoordeeld.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de dagvaarding in hoger beroep wordt nietig verklaard wegens onjuiste betekening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03794

Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 november 2020 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, en E. de Witte, advocaat in Middelburg, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.
Het bestreden arrest houdt het volgende in:

Ontvankelijkheid van het, hoger beroep
Uit de stukken blijkt niet dat hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2018. De appelakte van 19 december 2018 van de Rechtbank Midden-Nederland vermeldt immers - voorzover van belang- : "mr. R.P. Seger verklaarde namens [verdachte] hoger beroep in te stellen tegen de beschikking m.b.t. de vordering tot gevangenhouding, door de politierechter in deze rechtbank op 5 december 2018 gegeven."
Derhalve zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 5 december 2018 houdt onder meer het volgende in:
‘De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[a-straat 1] , [plaats 1] ,
thans gedetineerd in Detentiecentrum [...] ,
Postbus [...] , [adres] .
(…)
De officier van justitievordert de gevangenhouding van verdachte.
(…)
Aan verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
De politierechterbeveelt de gevangenhouding van verdachte. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.
De politierechtersluit het onderzoek en spreekt het vonnis uit.’
6. Art. 406 Sv Pro houdt in:
‘1. Tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing in het geval dat hoger beroep wordt aangetekend tegen het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en tegen de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming.’
7. Art. 71, eerste lid, Sv houdt in:
‘Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank, houdende een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding bij het gerechtshof in hoger beroep komen. De termijn bedoeld in artikel 408, eerste lid, is niet van toepassing.’
8. Uit art. 71, eerste lid, Sv volgt dat hoger beroep tegen een bevel tot gevangenhouding uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan worden ingesteld. [1] In deze zaak is het hoger beroep tegen het bevel tot gevangenhouding, dat op 5 december 2018 is gegeven, pas op 19 december 2018 ingesteld. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 5 november 2020, dat zich bij de stukken van het geding bevindt, blijkt dat de preventieve hechtenis is gestart op 18 november 2018 en is beëindigd op 20 december 2018. Dat wijst erop dat het hoger beroep te laat is ingesteld. [2] Dat is evenwel niet de grond waarop het hof het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
9. Het hof heeft vastgesteld dat geen hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter. Het heeft vervolgens de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in ‘het hoger beroep’. Het is niet meteen duidelijk hoe deze formulering begrepen moet worden. Het arrest vermeldt dat het gewezen is ‘op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte’. Dat duidt erop dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep tegen het gehele vonnis, al is dat beroep niet ingesteld. In die richting wijst ook dat het hof het hoger beroep niet niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van termijnverzuim, dat het hof het hoger beroep ter terechtzitting heeft behandeld, niet in raadkamer, dat de beslissing in een arrest is neergelegd, niet in een beschikking, en dat de verdachte is gedagvaard, niet opgeroepen. Anderzijds stelt het hof nadrukkelijk vast dat het hoger beroep slechts is gericht tegen de beschikking (ik begrijp: de beslissing) met betrekking tot de vordering tot gevangenhouding. Dat is gemakkelijker te rijmen met de lezing dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het tegen de beslissing tot gevangenhouding ingestelde hoger beroep.
10. Voor de beoordeling of op de voet van titel III van het Derde Boek cassatieberoep openstaat, zou ik doorslaggevend willen achten dat in deze zaak na een behandeling ter terechtzitting een arrest is gewezen (vgl. art. 427 Sv Pro) dat een einduitspraak bevat, de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen een vonnis (vgl. art. 432 Sv Pro). [3] Een benadering waarin in het kader van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep reeds wordt beoordeeld waar de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, ingesteld tegen een vonnis, in het arrest op steunt, loopt naar het mij voorkomt te ver vooruit op de inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep. Ik merk daarbij nog op dat de aanwijzingen dat de niet-ontvankelijkverklaring ziet op hoger beroep tegen het eindvonnis (dat dus niet is ingesteld) naar het mij voorkomt sterker zijn, ook los van de omstandigheid dat het hof een arrest heeft gewezen. [4]
11. Ik attendeer in dit verband nog op een arrest van Uw Raad in een zaak waarin de bestreden beslissingen niet naar de eis der wet in een vonnis waren neergelegd. [5] Het OM had vijf feiten cumulatief tenlastegelegd. Ter terechtzitting had de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank meegedeeld dat het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van drie van deze feiten. Die beslissingen werden echter niet in een vonnis neergelegd. Twee weken later werd de verdachte voor beide andere feiten veroordeeld. De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. De procureur-generaal gaf ter terechtzitting aan dat dit beroep zich ook tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van de andere drie feiten uitstrekte. Het hof vatte het hoger beroep op als gericht tegen de beslissingen inzake alle vijf feiten; Uw Raad sauveerde die beslissing. Het moest ervoor worden gehouden ‘dat de beslissing van de Rechtbank omtrent de feiten telastegelegd onder 3, 4 en 5 deel uitmaakt van het vonnis van 30 juni 1994, waartegen de Officier van Justitie hoger beroep heeft ingesteld’. Een andere opvatting zou tot een ‘onaanvaardbare verkorting van de belangen van procesdeelnemers’ leiden.
12. Voorkomen dat belangen van procesdeelnemers worden verkort, kan onder omstandigheden derhalve reden zijn om de processuele werkelijkheid te reconstrueren. Van een verkorting van de rechten van procesdeelnemers is naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak evenwel geen sprake, als wordt aangenomen dat tegen dit arrest, vanwege de daarin vervatte einduitspraak, cassatieberoep openstaat.
13. Uit de stukken van het geding is mij voorts niet gebleken dat het cassatieberoep, dat op 10 oktober 2024 is ingesteld, niet binnen de termijn van art. 432, tweede lid, Sv is ingesteld.
14. Daarmee is het cassatieberoep ontvankelijk.
15. Het
middelbehelst de klacht dat het gerechtshof tegen de niet ter terechtzitting verschenen verdachte ten onrechte verstek heeft verleend en de behandeling van de zaak ten onrechte buiten diens aanwezigheid heeft voortgezet en afgedaan, terwijl de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet op geldige wijze is uitgereikt.
16. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 18 november 2020, houdt onder meer het volgende in:
`De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, laatstelijk feitelijk adres: [b-straat 1] te [plaats 2] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.P. Seger, advocaat te Loenen Aan De Vecht, die mededeelt dat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.’
17. Bij de stukken van het geding bevindt zich een akte van uitreiking waaruit kan worden afgeleid dat de dagvaarding in hoger beroep op 10 oktober 2020 is aangeboden op het adres [b-straat 1] , [plaats 2] , terwijl de verdachte niet (meer) op dat adres woonde. De dagvaarding is vervolgens op 21 oktober 2020 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Een andere akte van uitreiking vermeldt dat verdachte ‘Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’ is; uit deze akte volgt dat de dagvaarding in hoger beroep op 5 oktober 2020 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Een informatiestaat SKDB-persoon die gegevens uit de SKDB op 21 oktober 2020 bevat, vermeldt dat een huidig BRP-adres niet beschikbaar is en dat de betrokkene niet gedetineerd is. Als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats is vermeld, met datum registratie 17-11-2018: ‘ [b-straat 1] , [plaats 2] ’.
18. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte door een politieambtenaar, afgenomen op 18 november 2018. Dat proces-verbaal houdt onder meer in:
‘Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [...]
Geboren : [geboortedatum] 1987
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Syrië
Geslacht : Man
Nationaliteit : Syrische
Adres : [a-straat 1]
Postcode plaats : [plaats 1]
(…)
V: Je staat ingeschreven op het AZC, [b-straat 1] te [plaats 2] . Klopt dit?
A: Dat was 3 jaar, maar al 3 jaar woon ik niet daar. Ik woon nu in [plaats 1] .
V: Waar woon je?
A: Ik weet het niet uit mijn hoofd. Ik woon in [plaats 1] . Dit is een Asielzoekerscentrum.
O: Ik zag ook een Adres: [c-straat 1] , [plaats 3] (Nederland)
V: Wat is dit voor een adres?
A Ik woonde op dit adres. Woon er sinds 3 maanden niet meer ivm procedure. Ik weet het ook niet.’
19. De ‘Akte instellen hoger beroep’ houdt het volgende in:

‘Akte instellen hoger beroep

Parketnummer 16-230875-18
Op 19 december 2018 kwam ter griffie van deze rechtbank,
mr. R.P. Seger advocaat te Stichtse Vecht die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring en verklaarde namens
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]
wonende te [a-straat 1] , [plaats 1]
thans gedetineerd te Detentiecentrum [...]
Postbus [...]
[adres]
hoger beroep in te stellen tegen de beschikking m.b.t. vordering tot gevangenhouding, door de politierechter in deze rechtbank, locatie Utrecht, op 05 december 2018 gegeven.’
20. De stellers van het middel voeren aan dat uit de gedingstukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep niet overeenkomstig de wet is uitgereikt aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte nu het adres [a-straat 1], [plaats 1] redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte mocht gelden, welk adres niet door een latere opgave is achterhaald.
21. Art. 36e, eerste lid, Sv luidt als volgt:
‘De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1o. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2o. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.’
22. Het overzichtsarrest inzake betekening en aanwezigheidsrecht van 12 maart 2002 houdt onder meer het volgende in: [6]
‘3.24. Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen:
a. (…)
b. indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Of van dat laatste sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Daarom zal de Hoge Raad volstaan met het noemen van enige voorbeelden.
Wat betreft de dagvaarding in eerste aanleg zou in aanmerking kunnen komen een door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres en voorts een adres dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen. Wat betreft een oproeping voor een nadere terechtzitting kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven op de eerdere terechtzitting, waar het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.
Wat betreft de appèldagvaarding kunnen worden genoemd het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen en - indien daarin geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de (laatste) terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.’
23. Met de stellers van het middel meen ik dat het adres [a-straat 1] , [plaats 1] ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van de verdachte diende te worden aangemerkt. Het adres is in de akte van hoger beroep opgenomen en het blijkt tevens uit een proces-verbaal van verhoor. Ik merk daarbij nog op (zie hiervoor en hierna) dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 5 december 2018 dit adres ook vermeldde, zij het (uitgaande van de gegevens in de SKDB op 5 oktober 2020: abusievelijk) als BRP-adres. Daarbij blijkt uit het dossier niet van gegevens op grond waarvan dit adres inmiddels als achterhaald had moeten worden aangemerkt.
24. Het middel slaagt.
25. De vraag is of dit tot cassatie dient te leiden. De stellers van het middel bespreken in dit verband de mogelijkheid dat het hoger beroep dat enkel tegen het bevel tot gevangenhouding is ingesteld, wordt geconverteerd in een hoger beroep tegen het vonnis. Daaruit kan worden afgeleid dat voor hen niet buiten twijfel staat dat cassatie zin heeft als het hoger beroep daadwerkelijk alleen de beslissing tot gevangenhouding betreft.
26. In verband met de mogelijkheid het ingestelde hoger beroep zo op te vatten dat het ook op de gegeven einduitspraak ziet, merk ik het volgende op. Uw Raad heeft eerder overwogen ‘dat wanneer de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verschijnt en verklaart het hoger beroep zonder de ten onrechte in de appelakte aangebrachte beperking te willen doorzetten, niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep achterwege moet blijven’. [7] Dat leidde in de betreffende zaak, waarin de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de appelakte van het hoger beroep was uitgezonderd, tot vernietiging van de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Uit deze beslissing kan, meen ik, niet worden afgeleid dat de verdachte bij elke beperking van het hoger beroep in de appelakte ter terechtzitting de mogelijkheid van heroverweging moet worden geboden. Waar het in dit arrest om ging, was een mogelijkheid om beperkingen die aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep ingesteld tegen de einduitspraak in de weg staan, ter terechtzitting nog in te trekken.
27. De bewoordingen van de appelakte zijn in deze zaak naar het mij voorkomt duidelijk. Van die bewoordingen uitgaand is er geen aanleiding het voor mogelijk te houden dat het hoger beroep zo kan worden opgevat dat het ook op de gegeven einduitspraak ziet.
28. In het algemeen gesproken gaat Uw Raad bij beslissingen als de onderhavige dikwijls uit van het adagium ‘point d’interêt, point d’action’. [8] Zo heeft Uw Raad wel geoordeeld dat het cassatieberoep op grond van art. 552d Sv tegen de beslissing op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv niet-ontvankelijk is indien de voorwerpen inmiddels zijn teruggegeven. [9] Uit een uitspraak van het EHRM kan evenwel worden afgeleid dat genoemd adagium niet onverkort kan worden toegepast als het gaat om vrijheidsbeneming. [10] Het EHRM overwoog als volgt:
‘61. Furthermore, in declaring the applicant’s appeal on points of law inadmissible as having become devoid of interest the Supreme Court deprived it of whatever further effect it might have had (…). The Court would point out in this connection that a former detainee may well have a legal interest in the determination of the lawfulness of his or her detention even after having been released. The issue may arise, for example, in giving effect to the “enforceable right to compensation” guaranteed by Article 5 § 5 of the Convention (…), where it may be necessary to secure a judicial decision which will override any presumption under domestic law that a detention order made by a competent authority is
per selawful.’
29. De civiele kamer van Uw Raad heeft enkele weken na deze uitspraak een arrest gewezen waarin het volgende is overwogen: [11]
‘3.5 Hiertegen is middel I gericht. Het neemt tot uitgangspunt dat belang ontbreekt aan een hoger beroep tegen een kinderbeschermingsmaatregel die ten tijde van de beslissing van de beroepsrechter al niet meer van kracht is omdat de periode waarvoor die maatregel is gegeven reeds is verstreken. Dit is echter volgens het middel anders indien, zoals in het onderhavige geval, een jeugdige aanvoert dat hij aanspraak wil doen gelden op vergoeding van schade die hij geleden heeft doordat hij, ten gevolge van een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg die de kinderrechter niet had mogen geven, ten onrechte of op onjuiste gronden van zijn vrijheid is beroofd.
3.6
Een dergelijk belang is tot dusverre in de rechtspraak van de Hoge Raad niet erkend als een belang dat genoegzaam is voor het aanwenden van een rechtsmiddel (…). Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05 valt evenwel af te leiden dat het in art. 5 lid 4 EVRM Pro neergelegde recht voor een ieder aan wie door ‘arrestatie of detentie’ (hierna: vrijheidsbeneming) zijn vrijheid is ontnomen om spoedig de rechter te laten beslissen over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming, meebrengt dat een door een jeugdige ingesteld rechtsmiddel tegen een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting niet reeds daarom mag worden verworpen omdat de periode waarvoor die machtiging gold ten tijde van de uitspraak over dat rechtsmiddel reeds is verstreken. Het EHRM oordeelde (§ 61) dat een voormalig gedetineerde een rechtens relevant belang erbij heeft om, ook nadat hij weer op vrije voeten is gesteld, de rechtmatigheid van zijn detentie te laten toetsen teneinde, bijvoorbeeld, zijn in art. 5 lid 5 EVRM Pro gewaarborgde recht op schadevergoeding te kunnen verwerkelijken aan de hand van een rechterlijk oordeel dat geen ruimte meer laat voor enige veronderstelling dat het detentiebevel reeds daarom rechtmatig is omdat het gegeven is door een daartoe volgens het nationale recht bevoegde autoriteit.
3.7
Deze uitspraak van het EHRM geeft de Hoge Raad aanleiding om van zijn ‘geen-belang’ rechtspraak terug te komen als hierna uiteengezet.
Aangenomen moet worden dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold inmiddels is verstreken.
Dat belang zal hem ook niet mogen worden ontzegd op de grond dat hij niet heeft aangevoerd dat hij beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel verlangt teneinde een aanspraak op schadevergoeding geldend te kunnen maken, noch ook op de grond dat hij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij enige voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.’
30. De strafkamer van Uw Raad heeft zich over S.T.S. tegen Nederland uitgelaten in een arrest waarin het cassatieberoep was gericht tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift tegen de invordering van klagers rijbewijs. [12] Uw Raad stelde vast dat het rijbewijs inmiddels was teruggegeven aan de klager, overwoog dat het cassatieberoep derhalve niet-ontvankelijk moest worden verklaard, en overwoog vervolgens:
‘Opmerking verdient dat de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, geen aanleiding geeft daaromtrent anders te oordelen, nu het hier niet gaat om een rechtsmiddel dat is ingesteld tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan de klager zijn vrijheid is ontnomen.’
31. Gevangenhouding is aan te merken als een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan de verdachte zijn vrijheid is ontnomen. Dat brengt, meen ik, mee dat het cassatieberoep niet op grond van het ontbreken van belang bij cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daaraan doet ook niet af dat de periode van gevangenhouding, zo volgt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 november 2020 dat zich bij de stukken van het geding bevindt, op voet van art. 27, eerste lid, Sr bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering is gebracht. Dat kan worden afgeleid uit Van Velden tegen Nederland. [13] Het gerechtshof had het hoger beroep tegen de beslissing tot gevangenhouding niet-ontvankelijk verklaard (par. 10). In Straatsburg was door Nederland onder meer aangevoerd dat klager geen wezenlijk nadeel had geleden, nu de periode van gevangenhouding bij de tenuitvoerlegging in mindering was gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf (par. 31 en 38). Dat argument werd door het EHRM verworpen omdat dit veel klachten over schending van art. 5 EVRM Pro aan beoordeling door het EHRM zou onttrekken (par. 39). [14]
32. Het middel slaagt. Uw Raad kan de appeldagvaarding naar het mij voorkomt nietig verklaren. [15] Dat maakt ook duidelijk dat het hof het conform art. 406, tweede lid, Sv ingestelde hoger beroep na cassatie meteen alsnog door de raadkamer kan laten beoordelen.
33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl.
2.Vgl. de artikelen 58, tweede lid, 64, eerste lid, en 66, eerste lid, Sv.
3.Vgl. over verschillende soorten uitspraken B.F. Keulen en G. Knigge,
4.Dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in een rechtsmiddel dat niet (meer) is ingesteld, is minder merkwaardig dan op het eerste gezicht wellicht lijkt. Uw Raad wijst wel eens een arrest waarin wordt verstaan dat het cassatieberoep is ingetrokken (vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:828). Dat is een uitspraak die de wet niet kent, maar die wel duidelijkheid creëert.
5.HR 16 september 1996,
6.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
7.HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4030,
8.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
9.Zie HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6594 en HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:781,
10.EHRM 7 juni 2011, nr. 277/05,
11.HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292,
12.HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8952,
13.EHRM 19 juli 2011, nr. 30666/08 (Van Velden tegen Nederland).
14.Ik wijs ook nog op de laatst geciteerde alinea uit het arrest van de civiele kamer.
15.Vgl. HR 3 april 2012, ECLI:NL:HRL2012:BV6993 en recentelijk HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:685.