ECLI:NL:PHR:2026:634

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
24/04414
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 2C OWArt. 432 SvArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep en motivering onttrekking aan het verkeer wapens en voorwerpen

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verdachte vooraf bekend was met de datum van de terechtzitting, wat voldoet aan de vereisten van art. 432 Sv Pro.

Daarnaast is in het cassatieberoep een middel aangevoerd dat het hof ten onrechte de onttrekking aan het verkeer van diverse voorwerpen heeft bevestigd, terwijl niet is vastgesteld dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het feit dat betrekking had op deze voorwerpen, mede omdat niet kon worden uitgesloten dat de voorwerpen aan een medebewoner toebehoorden.

De Hoge Raad constateert dat het hof de onttrekking aan het verkeer heeft bevestigd zonder voldoende motivering en zonder vaststelling van eigendom of relatie met bewezenverklaarde feiten. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, en ambtshalve zijn geen gronden gevonden voor vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens kennis van de terechtzitting door de verdachte; onttrekking aan het verkeer van bepaalde voorwerpen is onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04414

Zitting2 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juli 2024 (parketnr. 20-001303-23) het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2023 bevestigd voor zover de verdachte daarin wegens 1. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’, 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II’; 3. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd’ en 4. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden, en met onttrekking aan het verkeer van in het vonnis nader omschreven inbeslaggenomen voorwerpen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het op 4 december 2024 ingestelde cassatieberoep de aandacht. Bij de stukken van het geding bevindt zich een akte van uitreiking waaruit volgt dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op 11 juli 2024 om 11.00 uur twee maal (op 21 mei 2024 en op 4 juni 2024) tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat] , [plaats] . Uit een Informatiestaat SKDB-persoon met gegevens uit SKDB op 19 juni 2024 blijkt dat dit adres met ingang van 20 oktober 2015 het huidig BRP-adres van de verdachte is. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de appeldagvaarding op 19 juni 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 11 juli 2024 blijkt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en dat de raadsman, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren, het volgende te kennen heeft gegeven:
‘Ik ben niet door cliënt gemachtigd om de verdediging te voeren. Ik heb gisteren met cliënt gesproken. Hij heeft een groot belang bij de behandeling van zijn strafzaak, maar cliënt werkt als steigerbouwer en hij kan geen vrij krijgen van zijn werk.’
5. Uit deze mededeling volgt niet expliciet dat in het gesprek dat de raadsman op de dag voor de zitting met de verdachte heeft gevoerd aan de orde is geweest dat die zitting de volgende dag zou plaatsvinden. In dat opzicht verschilt de gang van zaken in deze zaak van die welke aan de orde was in een arrest van 8 april 2025 (‘Uit het briefje volgt weliswaar niet dat cliënt niet in staat is om op de zitting van vandaag te verschijnen, maar dat heeft cliënt wel tegen mij gezegd’) [1] en in een arrest van 14 april 2026 (‘Mr. Van Gerven deelt mede dat de dagvaarding de verdachte in goede orde heeft bereikt’). [2] De mededeling is meer in lijn met die welke in een arrest van 25 september 2007 aan de orde was (‘In bovengenoemde zaak welke hedenmiddag dient om 14:45 bij uw Hof in de 19e kamer deel ik u mede dat ondergetekende noch cliënt ter zitting aanwezig zal zijn’). [3] Anders dan in de onderhavige zaak volgt uit deze mededeling niet wanneer de verdachte en zijn raadsman contact hebben gehad; in de mededeling wordt echter wel expliciet een koppeling gelegd met de terechtzitting. Naar het mij voorkomt volgt ook uit de mededeling die de raadsman in de onderhavige zaak heeft gedaan voldoende duidelijk dat de verdachte weet had van de terechtzitting. [4]
6. Daarmee kan, meen ik, worden vastgesteld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was (art. 432 Sv Pro). Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk.
7. Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt, bespreek ik het middel.
8. Het
middelbevat de klacht dat het hof het vonnis ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen onder de nrs. 5, 7 tot en met 17 en 19 tot en met 21 ten onrechte heeft bevestigd nu bij deze voorwerpen niet is vastgesteld dat zij aan de verdachte toebehoren. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat onttrekking aan het verkeer op de voet van art. 36c Sr niet mogelijk is in verband met de afwezigheid van een relatie tussen de voorwerpen en een bewezenverklaard delict. En dat onttrekking aan het verkeer op de voet van art. 36d Sr slechts mogelijk is als de voorwerpen aan de dader of de verdachte toebehoren, terwijl de rechtbank heeft vastgesteld dat niet kan worden uitgesloten dat de voorwerpen die vermeld zijn in de tenlastelegging van het vijfde feit op de inleidende dagvaarding niet aan de verdachte toebehoren.
9. De artikelen 36b, eerste lid, 36c en 36d Sr luiden als volgt:

Artikel 36b, eerste lid

‘Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1° bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2° bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3° bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;
4° bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie;
5° bij een strafbeschikking.’

Artikel 36c Sr

‘Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1° die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
3° met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4° met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5° die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.’

Artikel 36d Sr

‘Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.’
10. Het vonnis van de rechtbank houdt inzake de onttrekking aan het verkeer van de in het middel genoemde voorwerpen het volgende in:

‘7Het beslag

7.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot die voorwerpen en/of dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
(…)
9 De beslissing
De rechtbank:
(…)
Beslag
-verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
(…)
5) 1 STK Jerrycan (Omschrijving: G2445I 15);
(…)
7) 2 STK Handschoen (Omschrijving: G2445I22);
8) 1 STK Schoonmaakmiddel (Omschrijving: G2445127)
9) 1 STK Fust (Omschrijving: G2445129 plastic pot)
10) 1 STK Zak (Omschrijving: G2445136, pak met meerdere grote plastic zakken);
11) 1 STK Zak (Omschrijving: G2445I37, doos met hersluitbare zakjes);
12) 80 GR Poeder (Omschrijving: G2445I39, Wit poeder);
13) 1 STK Masker (Omschrijving: G2445141);
14) 1 STK Beitel (Omschrijving: G2445142);
15) 1 STK Metaal (Omschrijving: G2445143, metalen plaat);
16) 1 STK Zak (Omschrijving: G2445144, hersluitbare zakjes);
17) 2 STK Vloeistof (Omschrijving: G2445 I 80, ph 4 buffer solution , calibratievloeistof);
(…)
19) 1 STK Keukenartikel (Omschrijving: G2444580, spatel);
20) 1 STK Gereedschap (Omschrijving: G2444577, betonmixer);
21) 1 STK Gereedschap (Omschrijving: G2444574,speciekuip, wit)’
11. Onder 1 tot en met 4 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
‘1.
op 28 maart 2022 te [plaats] meerdere wapens van categorie III. onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool van het merk FN, type 1910/22. zonder wapennummer, kaliber 7,65 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een pistool van het merk Stenda, type Stenda, wapennummer 63468, kaliber 7,65 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een pistool van het merk Azanza, type Reims 1914 automatic, zonder wapennummer, kaliber 6,35 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een pistool van het merk Remington, type Elliot, wapennummer 15899, kaliber .32RF, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een machinepistool van het merk STEN, type MKII, wapennummer 64814, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een machinepistool en
- een machinepistool van het merk Erma, type MP 40, wapennummer 7059S, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een machinepistool en
- een machinepistool van het merk Beretta. model 38A, wapennummer R 3365 / 13728. kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een machinepistool,
voorhanden heeft gehad;
2.
op 28 maart 2022 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinepistool, van het merk Baikal, model PPSh-41, wapennummer H257, kaliber 7,62 x 25 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;
3.
op 28 maart 2022 te [plaats] munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 16 kogelpatronen van het merk Teuro metallwerke, centraal vuur, kaliber 9 mm en
- 24 kogelpatronen van het merk Cascade Cartridges Company International en/of
- 4 kogelpatronen van het merk Remington en
- 3 kogelpatronen van het merk Winchester, kaliber 7,65 mm en
- 6 kogelpatronen van het merk Poonsang Metal Manufacturing Co (PMC). kaliber 7,65 mm en
- 1 kogelpatroon van het merk FN, kaliber 7,65 en
- 1 kogelpatroon van het merk Geco, kaliber 6,35 en
- 42 hulzen van de merken Denver Ordnance, Dynamit A.-G, FN. HASAG. Povazské Strojarne, en/of Sellier & Bellot, kaliber 8x57 mm en
- 1 huls van het merk FN, kaliber .30-06
voorhanden heeft gehad;
4.
op 28 maart 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 186,1 gram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 700 gram van een materiaal bevattende Gammahydroxyboterzuur (GHB)/4-hydroxyboterzuur, zijnde amfetamine en Gammahydroxyboterzuur(GHB)/4-hydroxyboterzuur telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.’
12. Onder 5 is in de inleidende dagvaarding aan de verdachte tenlastegelegd dat
‘5.
hij op of omstreeks 28 maart 2022 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of amfetamineolie en/of amfetaminepasta, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet de volgende voorwerpen:
- een paar groene handschoenen met witte substantie, indicatief positief amfetamine en/of
- een jerrycan met opschrift methanol, indicatief positief methanol en/of
- een fles met opschrift gootsteenontstopper, indicatief positief zwavelzuur en/of
- een filtermasker bevattende indicatief positieve amfetamine restanten en/of
- een spatel, indicatief positieve amfetamine restanten en/of
- een speciekuip en/of
- een betonmixer,
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;
(art 10a lid l ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet)’
13. De rechtbank heeft in verband met de vrijspraak van feit 5 het volgende overwogen:

Feil 5
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen allereerst is vereist dat de verdachte deze voorwerpen bewust aanwezig heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over de voorwerpen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Verdachte heeft vanaf het begin af aan verklaard dat hij niets afweet van de voorwerpen die in zijn schuur zijn aangetroffen en dat deze mogelijk aan de medebewoner ‘[naam 1]’ toebehoorden. De voorwerpen zijn aangetroffen in de schuur van verdachte en niet in een woongedeelte van de woning van verdachte, waardoor niet onaannemelijk is dat verdachte daar niet dagelijks kwam. Een proces-verbaal over de omstandigheden waaronder de voorwerpen zijn aangetroffen – waaruit bijvoorbeeld opgemaakt zou kunnen worden hoe lang de voorwerpen al in de schuur zouden kunnen liggen en of deze in de buurt liggen van voorwerpen die wel aan verdachte kunnen worden gekoppeld – ontbreekt. Verder heeft de politie destijds nagelaten medebewoner [naam 1] hierover te horen, die de verklaring van verdachte had kunnen bevestigen dan wel ontkrachten. Dit lijkt nu niet meer mogelijk, nu de verdediging heeft laten weten dat hij inmiddels is overleden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat – zoals verdachte heeft verklaard – de voorwerpen mogelijk aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, dat verdachte zich niet van de aanwezigheid van die voorwerpen bewust was en dat hij daarover dus geen beschikkingsmacht had. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 5.’
14. Het hof heeft de verdachte, overeenkomstig art. 404, vijfde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder 5 tenlastegelegde feit. Uw Raad heeft eerder overwogen dat ingeval in eerste aanleg aan de verdachte de maatregel van onttrekking aan het verkeer is opgelegd in verband met één of meer feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken en de verdachte in eerste aanleg wel is veroordeeld voor één of meer andere feiten, redelijke toepassing van art. 404, eerste lid, Sv meebrengt dat een door de verdachte ingesteld hoger beroep zich mede uitstrekt tot de in eerste aanleg opgelegde maatregel van onttrekking aan het verkeer. [5] Tegen die achtergrond staat buiten twijfel dat het hof het vonnis ook voor zover het de onttrekking aan het verkeer van de in het middel genoemde voorwerpen betreft, heeft bevestigd. Daar komt bij dat de rechtbank de onttrekking aan het verkeer van de onderhavige voorwerpen, zo begrijp ik met de steller van het middel, alleen op de veroordeling wegens de feiten 1 tot en met 4 en op artikel 36d Sr heeft kunnen baseren. De door artikel 36b, eerste lid, onder 3o, Sr gevorderde vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, ontbreekt in het bevestigde vonnis. Duidelijk is voorts dat de onder 1 tot en met 4 bewezenverklaarde feiten niet zijn begaan met betrekking tot de onderhavige voorwerpen.
15. Art. 36d Sr voorziet alleen in een mogelijkheid van verbeurdverklaring van ‘aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen’. Uit de vaststellingen van het hof, zoals deze volgen uit het met overneming van gronden bevestigde vonnis, volgt niet dat aan deze eis voldaan is. Mede in het licht van de motivering van de vrijspraak van feit 5, die buiten het aan het oordeel van het hof onderworpen deel van het vonnis valt en daarmee – meen ik – niet is overgenomen, had het op de weg van het hof gelegen de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen die in de tenlastelegging onder 5 zijn vermeld in zoverre nader te motiveren.
16. Uit een vergelijking van de tenlastelegging van feit 5 en de in het middel genoemde aan het verkeer onttrokken voorwerpen volgt dat de vrijspraak van feit 5 alleen de voorwerpen genoemd onder de nummers 5, 7, 8, 13, 19, 20 en 21 rechtstreeks raakt. Ik begrijp middel en toelichting evenwel zo dat wordt geklaagd dat een verband met de onder 1 tot en met 4 bewezenverklaarde feiten ook bij de andere door het middel genoemde voorwerpen ontbreekt, en dat ook bij deze voorwerpen niet is vastgesteld dat zij aan de verdachte toebehoren. Ook mij is niet duidelijk geworden op welke grondslag deze voorwerpen zijn onttrokken aan het verkeer; het bestreden arrest lijdt ook in zoverre aan een motiveringsgebrek. .
17. Het middel is terecht voorgesteld.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:529.
2.Zie (de conclusie van AG Sinnige voorafgaand aan) HR 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:598.
3.HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7670. Zie recent ook HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:762.
4.Ik merk nog op dat uit mededelingen van de raadsman niet snel kan worden afgeleid dat nietigheid van de betekening van de dagvaarding of een oproeping in hoger beroep voor gedekt kan worden gehouden. Vgl. HR 10 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:682. Daarvan kan eerst sprake zijn als uit de mededeling blijkt dat de verdachte op de hoogte was van plaats, dag en tijdstip van de terechtzitting. Voor het gaan lopen van termijnen voor het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie volstaat anterieure wetenschap van de dag van de terechtzitting.
5.HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:216,