ECLI:NL:PHR:2026:508

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/02210
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:753 BWArt. 150 RvArt. 195 RvArt. 34 AVArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over termijnverlenging en vertragingskosten bij bouwdeel Jumbo Mall of the Netherlands

Deze zaak betreft een geschil tussen Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling Speciale Projecten B.V. (BNB) en Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V. (URW) over vertragingen bij de bouw van het Jumbo-bouwdeel van het winkelcentrum Mall of the Netherlands in Leidschendam.

BNB vordert onder meer een verklaring voor recht dat de contractuele mijlpalen zijn vervallen of niet van toepassing zijn op de vertraging, betaling van ten onrechte ingehouden kortingen en vergoeding van vertragingskosten. URW vordert onder meer bevestiging van de korting en vergoeding van schade door vertraging.

De rechtbank wees een deel van BNB's vorderingen toe, het hof vernietigde dit vonnis deels en deed nieuwe beslissingen, waarbij het hof oordeelde dat BNB recht kan hebben op termijnverlenging voor bepaalde vertragingsevents die op het kritieke pad lagen, maar dat BNB geen aanspraak kan maken op vergoeding van vertragingskosten bij bestekwijzigingen omdat zij deze niet tijdig en volledig heeft opgegeven. Het hof wees ook schadevorderingen van BNB af wegens verjaring.

In cassatie klaagt BNB over de uitleg van het hof over het belang van het Algemeen Tijdschema (ATS), de beoordeling van vertragingsevents, de toepassing van de prijsopgaveplicht bij bestekwijzigingen en de verjaring van schadevorderingen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn uitleg en motivering begrijpelijk heeft gegeven en dat het cassatieberoep ongegrond is. Het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Ballast Nedam wordt verworpen; het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02210
Zitting22 mei 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling Speciale Projecten B.V.,
eiseres in cassatie,
advocaat: P.A. Fruytier
tegen
1. Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V.,
2. URW Nederland Winkels 2 B.V.,
verweersters in cassatie,
advocaten: R.R. Verkerk en T. van Tatenhove
Partijen worden hierna aangeduid als BNB respectievelijk URW.

1.Inleiding

1.1
Deze zaak gaat in cassatie over vertragingen bij de bouw van een deel van de zogeheten
Mall of the Netherlands, te weten het bouwdeel ‘Jumbo’. Voor zover in cassatie van belang gaat het erom of aannemer BNB aanspraak kan maken op contractuele termijnverlenging voor haar werkzaamheden – waardoor URW niet gerechtigd is om bepaalde kortingen toe te passen op de aanneemsom – en op vergoeding van vertragingskosten. Over het eerste heeft het hof een aantal eindbeslissingen gegeven en aangekondigd een deskundigenbericht te zullen gelasten. De vergoeding van vertragingskosten heeft het hof al afgewezen. In cassatie komt BNB met een groot aantal klachten op tegen die eindbeslissingen en die afwijzing.
1.2
Opmerking verdient dat tussen partijen al een procedure is gevoerd over het bouwdeel ‘Fresh’ van de
Mall of the Netherlands,waarin dezelfde aannemingsovereenkomst aan de orde was als in deze zaak. Aan die procedure is een einde gekomen met een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. [1]

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [2]
(i) URW is eigenaar van een winkelcentrum in Leidschendam. Voorheen heette dit Leidschenhage en was dit 75.000 m2 groot. Na de nodige voorbereidingen is URW begonnen met de realisatie van een vernieuwing en uitbreiding van het winkelcentrum tot 117.000 m2. URW werd daarbij bijgestaan door een Projectbureau. Het plan was dat URW voor de verschillende delen van het project – zoals sloop, asbestsanering, grondwerk, elektriciteit, vloerafwerking, meubilair – met aannemers en leveranciers afzonderlijke contracten zou afsluiten. Het Projectbureau was belast met de coördinatie daarvan en het opstellen en bijhouden van het Algemeen Tijdschema (hierna: ATS).
(ii) De ombouw naar het nieuwe winkelcentrum – dat ‘Mall of the Netherlands’ zou gaan heten en het grootste winkelcentrum van het land zou worden – zou in fases gebeuren. Naast het bestaande winkelcentrum dat gerenoveerd zou worden en waar ook nieuwbouw zou komen (door partijen ook aangeduid als bouwdeel Zuid), zou ook een volledig nieuw deel gebouwd worden, met daaronder een parkeergarage met twee lagen (aangeduid als bouwdeel Noord).
(iii) De bouw van het casco van het winkelcentrum was opgedeeld in zogeheten Packages. Package 3 zag op de ruwbouw voor het bouwgedeelte Noord. Package 4 op de ruwbouw voor het bouwgedeelte Zuid en de Packages 5, 6 en 7 op respectievelijk de glazen en vaste gevels (5), de zogenoemde voile van lichtgewicht beton om het gebouw heen (6) en de ingangen met onder meer draaideuren (7). Na een aanbesteding heeft URW op 2 maart 2017 voor de Packages 3-7 – ook wel aangeduid als 'core and shell’ – een aannemingsovereenkomst gesloten met BNB (hierna: de aannemingsovereenkomst). Package 3 Noord betrof nieuwbouw met daarin onder meer een bioscoop ('Kinepolis') en daaronder de parkeergarage, terwijl Package 4 Zuid zag op de vernieuwing van het bestaande winkelcentrum. Package Zuid was opgedeeld in onder meer de bouwdelen 'Fresh'. 'Jumbo' en 'Central Plaza'.
(iv) BNB en URW zijn in de aannemingsovereenkomst een aanneemsom van € 115.000.000.00 exclusief btw overeengekomen. De aannemingsovereenkomst bepaalt onder meer:

Artikel 3 Het Pro Werk
3.1
Het Werk bestaat uit:
I. Het op basis van het Bestek vervaardigen van alle voor een correcte en volledige uitvoering van het Werk benodigde Werktekeningen en berekeningen als bedoeld in artikel 4.8 van de Algemene Voorwaarden. (...)
II. De integrale uitvoering van de werkzaamheden conform het Bestek en de door Aannemer te vervaardigen en goedgekeurde Werktekeningen en berekeningen. Het Bestek bestaat uit de volgende contractstukken:
(...)
(b) de technische omschrijving van het Werk:
- Ten aanzien van Package 2 (...)
- Ten aanzien van Package 3 en 4 (...)
- Ten aanzien van Package 5 en 6 (...)
- Ten aanzien van Package 7 (...)
(...)
Artikel 7 Aannemingssom Pro
7.1
De vaste en forfaitaire Aannemingssom voor de uitvoering door Aannemer van alle in de Aannemingsovereenkomst en Coördinatieovereenkomst beschreven werkzaamheden en verplichtingen bedraagt [€ 115.000.000.-- exclusief BTW]. (...)
7.3
De Aannemingssom is vast voor de duur van het Werk. Aannemer heeft geen aanspraak op enige bijbetaling of verhoging, indexering of aanpassing van de vaste Aannemingssom, uitsluitend behoudens door Opdrachtgever schriftelijk onder verwijzing naar artikel 13 van Pro de Algemene Voorwaarden opgedragen Bestekwijzigingen zoals omschreven in artikel 13.6 of 13.9 van de Algemene Voorwaarden, dan wel in geval artikel 9.3 van de Aannemingsovereenkomst hiertoe aanleiding geeft. (...)(...) Er is geen sprake van geschatte hoeveelheden en/of verrekenbare hoeveelheden en/of stelposten, met uitzondering van de geschatte en/of verrekenbare hoeveelheden en/of stelposten zoals opgenomen in de Project specifieke voorwaarden en uitgangspunten (...)
Artikel 8 Mijlpaaldata Pro en datum van Oplevering
8.1
De volgende onderdelen van het Werk dienen zodanig door Aannemer te worden gerealiseerd dat zij gereed zijn voor aanvaarding door Opdrachtgever uiterlijk op de hieronder vermelde mijlpaaldata:
Fresh
a) ter beschikking stelling voor derden/afbouw retailer: 1-10-2017
b) gereed casco aannemer Core & Shell: 05-12-2017;
c) exploitatie Opdrachtgever/Opening: 05-12-2018;
Jumbo
d) ter beschikking stelling voor derden/afbouw retailer: 15-6-2018;
e) gereed casco aannemer Core & Shell: 01-09-2018;
f) exploitatie Opdrachtgever/Opening: 30-09-2018;
Central Plaza
g) ter beschikking stelling voor derden/afbouw retailer: 01-01-2019;
h) gereed casco aannemer Core & Shell: 01-04-2019;
i) exploitatie Opdrachtgever/Opening: 01-04-2019;
Kinepolis/Werk
j) ter beschikking stelling voor derden/afbouw retailer: 01-04-2019;
k) gereed casco aannemer Core & Shell: 01 -07-2019;
l) exploitatie Opdrachtgever/Opening: 01-10-2019.
8.2
Het Project, waarvan het Werk deel uitmaakt, dient geheel gebruiksgereed en overeenkomstig de in artikel 3.1 van deze Aannemingsovereenkomst genoemde contractstukken uiterlijk te worden Opgeleverd op 1 oktober 2019.
8.3
Onder "ter beschikking stelling voor derden/afbouw retailer ” als bedoeld in artikel 8.1 van deze Aannemingsovereenkomst wordt verstaan dat (cumulatief):
a) het betreffend onderdeel van het Project zodanig veilig en gereed is dat kan worden gestart met werkzaamheden door afbouw aannemers;
b) het betreffend onderdeel van het Project wind- en waterdicht is;
(...)
d) expeditiegangen met betrekking tot het betreffend onderdeel van het Project (nader vast te stellen door Partijen welke expeditiegangen) gereed zijn voor ontvangst en afhandeling van transporten;
8.4
In afwijking van het bepaalde in artikel 8.2 van deze Aannemingsovereenkomst en artikel 17.1 van de Algemene Voorwaarden is Aannemer verplicht ervoor zorg te dragen dat de volgende onderdelen van het Werk uiterlijk op de daarachter vermelde datum geheel gebruiksgereed en overeenkomstig de in artikel 3.1 van deze Aannemingsovereenkomst genoemde contractstukken worden opgeleverd ("deelopleveringen”):
a) deel oplevering Fresh: 05-12-2017;
b) deel oplevering Jumbo: 30-09-2018;
c) deel oplevering Central Plaza: 01-04-2019;
Ten aanzien van de deelopleveringen Fresh, Jumbo en Central Plaza is het bepaalde in artikel 17.2 tot en met 17.10 mutatis mutandis van toepassing, waarbij tussen Partijen nog nader en in goed overleg moet worden vastgesteld wat de demarcatie wordt aangaande de deeloplevering Central Plaza.
Ten aanzien van andere onderdelen van het Werk die in gebruik worden genomen door Opdrachtgever dan wel een huurder van Opdrachtgever, vóór datum Oplevering Project stellen partijen vast dat die ingebruikname kwalificeert als ‘vervroegde ingebruikname’ zoals bedoeld in artikel 18.1, en verklaren partijen hetgeen in artikel 18.1 is bepaald, op bedoelde ingebruikname mutatis mutandis van toepassing.
Artikel 9 Planning Pro en Algemeen Tijdschema
(...)
9.3
Indien door overmacht, door of namens Opdrachtgever opgedragen Bestekswijzigingen, dan wel voor rekening en risico van Opdrachtgever komende omstandigheden, van Aannemer niet kan worden gevergd dat het Werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd, heeft Aannemer recht op termijnverlenging (doch niet per definitie een kostenvergoeding). Omstandigheden die voor rekening en risico van Opdrachtgever komen, zijn uitsluitend omstandigheden waaraan een (ernstige) toerekenbare tekortkoming van Opdrachtgever ten grondslag ligt. In het geval van een gerechtvaardigde aanspraak op termijnverlenging aangaande het Werk, zal de datum waarop het Project moet worden Opgeleverd evenredig verschuiven voor zover de termijnverlenging van het Werk een relatie heeft met de geplande opleverdatum van het Project.
Artikel 10 Kortingen Pro
10.1
Voor iedere kalenderdag dat een onderstaande mijlpaaldatum voor een onderdeel van het Werk niet wordt gehaald, is Opdrachtgever gerechtigd, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist, een korting op de Aannemingssom toe te passen van:
Fresh: ingebruikname Opdrachtgever/Opening: 05-12-2017 : € 3.000,00 per dag
Jumbo: ingebruikname Opdrachtgever/Opening: 30-09-2018 : € 5.000.00 per dag
Central Plaza: ingebruikname Opdrachtgever/Opening: 01-04-2019: € 5.000,00 per dag
Kinepolis: Indien (...) korting van € 5.000.00 per dag (...)
10.2
Voor iedere kalenderdag dat het Project later wordt opgeleverd dan de in artikel 8.2 van deze Aannemingsovereenkomst genoemde datum is Opdrachtgever gerechtigd, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist, een korting op de Aannemingssom toe te passen van:
[Dag 1 tot en met 6] 0.3 promille per dag
[Dag 7 tot en met 21] 0.6 promille per dag
[Dag 22 en verder] 0.75 promille per dag
Indien en zodra Opdrachtgever kan aantonen dat de latere Oplevering (mede) toe te rekenen valt aan de Aannemer, of althans in diens invloedssfeer ligt, en Aannemer niet heeft aangetoond al hetgeen te hebben gedaan wat in haar macht ligt teneinde tot tijdige Oplevering van het Project te komen. Indien Aannemer geen korting verschuldigd is op basis van deze bepaling, kan zij ook niet schadeplichtig worden gehouden voor (de gevolgen van) de latere Oplevering.
(…)
10.5
Het bedrag aan kortingen die Opdrachtgever krachtens dit artikel gerechtigd is toe te passen, bedraagt maximaal 5% van de Aannemingssom, zulks onverminderd het recht van Opdrachtgever om de werkelijk door haar geleden schade van de Aannemer te vorderen, doch uitsluitend (...) indien de door haar geleden schade het totale kortingsbedrag overstijgt, waarbij de reeds voldane korting in mindering wordt gebracht op de totaal geleden schade. (...)”
(v) Op de aannemingsovereenkomst zijn Algemene Voorwaarden (hierna: AV) van toepassing. Die bepalen onder meer:
Artikel 1 Definities Pro
(...)
Bestek: Het geheel van de in 3.1 sub II van de Aannemingsovereenkomst genoemde contractdocumenten die in onderlinge samenhang de specificaties van het Werk vormen Bestekwijziging: Een wijziging ten opzichte van het Bestek die een daadwerkelijke verzwaring of verlichting van de op de Aannemer rustende verplichtingen met zich brengt. (...)
4.2
Aannemer heeft voorafgaand aan het sluiten van de Aannemingsovereenkomst voldoende tijd gehad om alle door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde gegevens te bestuderen, waaronder het Bestek. De Aannemer heeft zich er — voorafgaand aan het uitbrengen van zijn prijsaanbieding en derhalve vóór het sluiten van deze Aannemingsovereenkomst — van vergewist dat de van het Bestek deel uitmakende contractdocumenten en/of overige vanwege de Opdrachtgever verstrekte gegevens, in zichzelf of onderling geen klaarblijkelijke fouten, hiaten, tegenstrijdigheden, onjuistheden of onmogelijkheden bevatten die niet in zijn prijsaanbieding zijn begrepen. Indien na het tot stand komen van de Aannemingsovereenkomst blijkt dat zulks wel het geval is en de Aannemer dat vooraf had kunnen of behoren te constateren, dan is de Aannemer zonder enig recht op bijbetaling en/of termijnverlenging verplicht zijn werkzaamheden aan te passen en uit te voeren op aanwijzing van en ten genoegen van de Opdrachtgever. De hiermee samenhangende kosten voor Aannemer worden geacht in de Aannemingssom te zijn begrepen. De toepasselijkheid van artikel 7:753 BW Pro wordt uitgesloten. (...)
Artikel 13 Meer Pro- en minderwerk, Bestekwijzigingen
13.1
Opdrachtgever heeft het recht om schriftelijk Bestekwijzigingen aan Aannemer op te dragen. Aannemer is steeds gehouden om aan opdrachten tot Bestekwijzigingen gevolg te geven.
13.2 [
zoals aangepast in artikel 16.1 sub q van de aannemingsovereenkomst:] Op verzoek van het Projectbureau zal de Aannemer het Projectbureau zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen of, in het geval van een (naar het oordeel van Partijen) complexe Bestekwijziging, voorzien van een schriftelijke en op regelniveau (...) gedetailleerde prijsopgave voor het uitvoeren van de Bestekwijziging.
13.6
Indien Opdrachtgever de schriftelijke prijsopgave van de Aannemer voor het uitvoeren van de Bestekwijziging accepteert, zullen de voorwaarden en de kostenconsequenties (...) worden neergelegd in een door de Opdrachtgever ondertekende en door het Projectbureau te verstrekken schriftelijk opdracht (...)
13.9
Indien en zodra sprake is van een geschil tussen Partijen (...) is de Opdrachtgever desondanks bevoegd om de Bestekwijziging door middel van een door Opdrachtgever ondertekende schriftelijke opdracht aan de Aannemer te verstrekken. In dat geval is de Aannemer in ieder geval gehouden om de Bestekswijziging voor de in de schriftelijke opdracht aangegeven prijs en binnen de in de schriftelijke opdracht bepaalde planning uit te voeren.
(…)
13.12
Naast het in artikel 7.1 van de Aannemingsovereenkomst opgenomen forfaitaire bedrag van de Aannemingssom, heeft de Aannemer uitsluitend aanspraak op aanvullende betalingen in verband met het Werk, wanneer sprake is van schriftelijke en door Opdrachtgever ondertekende opdrachten tot Bestekwijzigingen als bedoeld in artikel 13.6 of 13.9 van deze Algemene Voorwaarden. (...)
Artikel 34 Aansprakelijkheid Pro van Opdrachtgever
34.1 [
zoals aangepast in artikel 16.1 sub kk van de aannemingsovereenkomst:] Opdrachtgever is aansprakelijk voor schade geleden door Aannemer, hoe ook genaamd, indien Aannemer bewijst dat deze schade is ontstaan door een (ernstige) toerekenbare tekortkoming van Opdrachtgever in de nakoming van haar verplichtingen onder de Aannemingsovereenkomst.
34.2
In geval van aansprakelijkheid als omschreven in artikel 34.1 van deze Algemene Voorwaarden is Opdrachtgever uitsluitend aansprakelijk voor directe schade. Opdrachtgever is niet aansprakelijk voor indirecte schade en gevolgschade.
34.3 [
zoals aangepast in artikel 16.1 sub II van de aannemingsovereenkomst:] De rechtsvordering uit hoofde van een tekortschieten van Opdrachtgever als bedoeld in artikel 34.1 van deze Algemene Voorwaarden verjaart indien de Aannemer de Opdrachtgever daarvan niet uiterlijk binnen één (1) maand nadat hij het tekortschieten heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, schriftelijk en met redenen omkleed in gebreke heeft gesteld.
34.4 [
zoals aangepast in artikel 16.1 sub II van de aannemingsovereenkomst:] De rechtsvordering uit hoofde van een tekortschieten van Opdrachtgever als bedoeld in artikel 34.1 van deze Algemene Voorwaarden verjaart in ieder geval door verloop van een periode van zes (6) maanden na de schriftelijke en met redenen omklede ingebrekestelling als bedoeld in artikel 34.3 van deze Algemene Voorwaarden.”
(vi) URW als opdrachtgever en de aannemers van de verschillende packages, waaronder BNB, hebben een op 19 juni 2017 gedateerde zogeheten Coördinatieovereenkomst ondertekend. In die overeenkomst worden verplichtingen opgelegd aan de aannemers, aangeduid als nevenaannemers, onder meer met betrekking tot de coördinatie van hun werkzaamheden en planningen. In de considerans van de Coördinatieovereenkomst wordt overwogen dat de nevenaannemers de volledige en tijdige realisatie van het project als een gezamenlijk doel en verplichting beschouwen en dat de nevenaannemers zich ten opzichte van elkaar verbinden om alles te doen dat in hun vermogen ligt ter vervulling van die doelstelling. Verder is bepaald:
Artikel 11 Dreigende Pro vertragingen
11.1
Iedere Aannemer is gehouden een (dreigende) vertraging of verstoring van de regelmatige voortgang van de werkzaamheden, ten opzichte van het Algemeen Tijdschema, het Gedetailleerd Werkplan of het Gegevensbehoefteschema op de eerstvolgende Coördinatievergadering van het Projectbureau te melden.
(...)
Artikel 12 Tekortschieten Pro van een Aannemer of Ontwerper
(...)
12.3
Indien een Aannemer tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze Coördinatieovereenkomst, rust op het Projectbureau en de overige Aannemers de inspanningsverplichting om de nadelige gevolgen van het tekortschieten van de betreffende Aannemer zoveel als mogelijk ongedaan te maken (...)
12.4
Indien een van de Aannemers tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze Coördinatieovereenkomst, waaronder het niet tijdig melden als bedoeld in Artikel 11.1, en een van de andere Aannemers daardoor schade lijdt, zal laatstgenoemde deze schade zelf dienen te verhalen op eerstgenoemde.
12.5
De Aannemers doen jegens de Opdrachtgever uitdrukkelijk afstand van hun rechten om schadevergoeding te vorderen. Partijen verklaren zich ervan bewust te zijn dat alle vertragingsschade, zowel direct als indirect geleden door toedoen of nalaten van een Partij die betrokken is bij de Coördinatieovereenkomst en/of Partijen wiens handelen hen wordt toegerekend, niet op de Opdrachtgever verhaald kan worden.”
2.2
In feitelijke instanties was in deze zaak sprake van twee procedures bij de rechtbank Amsterdam. In de ene heeft URW een dagvaarding uitgebracht, in de andere BNB. De door URW aanhangig gemaakte procedure betrof een geschil over lekkages die bij de bouw van de parkeergarage van
the Mall of the Netherlandszijn ontstaan, welke procedure kort kan worden aangeduid als de procedure ‘Waterlekkages’. [3] De door BNB aanhangig gemaakte procedure betreft een geschil in verband met vertragingen inzake het bouwdeel Jumbo, die kort kan worden aangeduid als de procedure ‘Jumbo’. [4] De procedures zijn in eerste aanleg en hoger beroep gevoegd behandeld en beslist.
Het hof heeft in de procedure ‘Waterlekkages’ de vorderingen van URW (alsnog) toegewezen. Daartegen wordt in dit cassatieberoep niet opgekomen. Dit cassatieberoep heeft uitsluitend betrekking op de procedure ‘Jumbo’. Daarom wordt het procesverloop in de procedure ‘Waterlekkages’ hier niet weergegeven, net zo min als hiervoor in 2.1 de voor die procedure relevante feiten zijn weergegeven. Hierna wordt uitsluitend het procesverloop van de procedure ‘Jumbo’ weergegeven.
2.3
Bij inleidende dagvaarding van 25 mei 2021, heeft BNB URW [5] gedagvaard voor de rechtbank. Zij heeft gevorderd, voor zover van belang:
- een verklaring voor recht dat de contractuele mijlpalen zijn vervallen althans niet van toepassing zijn op de vertraging van de bouw, subsidiair een verklaring voor recht dat de 'Mijlpaal opening Jumbo' is bereikt met de feitelijke openstelling op 19 juni 2019 en dat uitsluitend daaraan een contractuele korting is verbonden;
- een verklaring voor recht dat de deeloplevering Jumbo heeft plaatsgevonden op 1 november 2019;
- een verklaring voor recht dat de vertraging vanaf 30 september 2018 tot en met het bereiken van de deeloplevering, althans tot de Mijlpaal Opening, voor rekening komt van URW en dat zij daarom niet gerechtigd is tot het toepassen van kortingen;
- betaling van de door URW ten onrechte in mindering gebrachte korting ad € 1.285.278.00
- betaling van indirecte vertragingskosten ad € 1.491.663.89;
- betaling van algemene kosten ad € 728.729.85 in verband met de vertraging bij het behalen van de Mijlpaal;
- betaling van opgedragen (meer)werk ad € 2.163.068.76.
2.4
In reconventie heeft URW voor zover van belang gevorderd:
- een verklaring voor recht dat er al terecht een bedrag van € 1.305.000.00 door haar is verrekend als korting;
- de betaling van nog openstaande vertragingstermijnen ad € 4.847.190.00;
- een verklaring voor recht dat BNB aansprakelijk is voor de schade door de vertraging voor zover die schade de maximale kortingen die URW op grond van de aannemingsovereenkomst kan opleggen, overschrijdt alsmede haar veroordeling tot vergoeding van die schade.
2.5
Bij vonnis van 6 juli 2022 heeft de rechtbank in conventie, voor zover van belang, URW veroordeeld tot betaling aan BNB van de bedragen € 1.285.278,00, € 10.046,28 en € 6.775,00. [6] De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank afgewezen.
2.6
BNB heeft hoger beroep tegen het vonnis ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd. URW is zelfstandig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Ook zij heeft haar vorderingen gewijzigd. Het hof heeft beide hoger beroepen als gezegd gevoegd behandeld en beslist. [7]
2.7
Bij arrest van 18 maart 2025 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
- URW veroordeeld om aan BNB te betalen een bedrag van € 271.153,-, te vermeerderen met btw en de daarover verschuldigde rente (ter zake van “obstakels”), en een bedrag van € 987.281,-, te vermeerderen met btw en de daarover verschuldigde rente (ter zake van “aanrijdbeveiliging");
- diverse vorderingen van BNB (ter zake van resp. ‘BIM model’, ‘mortelschroefpalen’, ‘vibropalen’, ‘Xenosgevel’, ‘vertragingskosten’ en ‘gederfde Algemene Kosten’) afgewezen;
- BNB veroordeeld tot terugbetaling aan URW van een bedrag van € 10.046.28 (ter zake van "hoofddraagconstructie"). [8]
Het hof heeft in het arrest iedere verdere beslissing aangehouden. Zijn arrest is dus een deelarrest.
2.8
Het hof heeft, voor zover van belang, als volgt in zijn arrest overwogen:
T.a.v. de kosten van bestekwijzigingen
- Het hof oordeelt dat de kosten als gevolg van de aanwezigheid van obstakels in de grond in beginsel voor rekening van URW komen als een bestekwijziging. Aangezien URW steeds heeft betwist dat deze opdracht een bestekwijziging inhield, kan zij niet aan BNB tegenwerpen dat BNB de procedure van artikel 13 AV Pro voor een geschil over de kosten van een bestekwijziging niet heeft doorlopen (rov. 5.56-5.57).
- Het hof stelt vast dat BNB contractueel niet was verplicht om de aanrijdbeveiliging in de parkeergarage te realiseren, zodat de opdracht daarvoor moet worden aangemerkt als een bestekwijziging waarvan de kosten voor rekening komen van URW. Aangezien URW ook ten aanzien van deze opdracht steeds heeft betwist dat deze een bestekwijziging inhield, kan zij ook op dit punt niet aan BNB tegenwerpen dat BNB de procedure van artikel 13 AV Pro voor een geschil over de kosten van een bestekwijziging niet heeft doorlopen (rov. 5.60).
T.a.v. vertraging m.b.t. bouwdeel Jumbo
- Het ontbreken van een Algemeen Tijdschema (ATS) doet volgens het hof niet af aan de in de art. 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst genoemde datum waarop bouwdeel Jumbo klaar moest zijn voor exploitatie en deeloplevering en evenmin aan de mogelijkheid van termijnverlenging op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst. Bij deze stand van zaken kan volgens het hof in het midden blijven aan wie het is te wijten dat er geen ATS is opgesteld (rov. 5.64-5.65),
- De vraag is of BNB volgens de aannemingsovereenkomst aanspraak kan maken op termijnverlenging. Op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst heeft BNB die aanspraak als niet van haar kan worden gevergd dat zij het Werk oplevert binnen de overeengekomen termijn vanwege overmacht, door URW opgedragen bestekwijzigingen of omstandigheden waaraan een (ernstige) tekortkoming van URW ten grondslag ligt. Overmacht is niet naar behoren aan de orde gesteld, zodat alleen bestekwijzigingen en ernstige tekortkomingen van URW aanleiding kunnen zijn voor termijnverlenging, aldus het hof. Vereist is volgens het hof bovendien dat de vertragingsoorzaak op het kritieke pad naar oplevering ligt. Er moet daarom causaal verband bestaan tussen de vertragingsoorzaak en het niet halen van de overeengekomen termijn, aldus het hof (rov. 5.66).
- In het door BNB overgelegde rapport van Vijverberg Management Consultants B.V. (hierna: het Vijverberg-rapport en Vijverberg) is ten aanzien van negen zogeheten events geconcludeerd dat deze op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of uitvoeringsfase lagen. Vijverberg heeft ten aanzien van de 16 andere events die in haar rapport zijn beschreven, niet vastgesteld dat deze op het kritieke pad naar oplevering lagen. BNB heeft daarom volgens het hof onvoldoende onderbouwd dat zij vanwege die 16 events een aanspraak op termijnverlenging heeft (rov. 5.70-5.71).
- Ten aanzien van de events die volgens Vijverberg op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of de uitvoeringsfase lagen, kunnen de events ‘aanlevering BIM-model’, ‘ontbreken funderingsadvies’, ‘beschikbaarheid werkterrein’, ‘obstakels in de grond’ en ‘aanrijdbeveiliging’ worden aangemerkt als events die op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst aanspraak kunnen geven op termijnverlenging, aldus het hof. Dat geldt volgens het hof niet voor de andere vier events die volgens Vijverberg op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of de uitvoeringsfase lagen (rov. 5.73-5.83).
- BNB heeft weliswaar gesteld dat Vijverberg de time impact analysis methode in haar rapport heeft gebruikt, maar dat heeft URW gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar passages uit het rapport van Vijverberg zelf waarin Vijverberg de toegepaste methode als "as planned, as built" omschrijft. Het hof oordeelt dat het daarom niet kan uitgaan van het rapport van Vijverberg wat betreft de omvang van de vertraging, die volgens de aannemingsovereenkomst door middel van de time impact analysis methode moet worden vastgesteld. Het hof overweegt dat het daarom voornemens is een deskundigenbericht te gelasten (rov. 5.84-5.85).
T.a.v. de vorderingen van BNB inzake vertragingskosten:
- Naar het hof vaststelt, was BNB op grond van de aannemingsovereenkomst verplicht om direct bij het indienen van haar kostenopgave voor een bestekwijziging (meerwerk) ook de tijdgebonden kosten (vertragingskosten) mee te nemen. Dat heeft zij niet gedaan. Voor zover de vordering van BNB ziet op bijbetaling vanwege bestekwijzigingen moet deze daarom worden afgewezen, aldus het hof (rov. 5.94).
- BNB heeft recht op termijnverlenging en mogelijk op een kostenvergoeding als sprake is van een ernstige toerekenbare tekortkoming van URV, aldus het hof. Art. 34 AV Pro is daarop van toepassing. Die bepaling houdt in dat URW alleen voor directe schade aansprakelijk is (niet voor indirecte schade en gevolgschade). De rechtsvordering dienaangaande verjaart als BNB geen schriftelijke ingebrekestelling stuurt aan URW binnen één maand na het ontdekken of behoren te ontdekken van het tekortschieten, aldus het hof. Niet gesteld of gebleken is volgens het hof dat BNB URW op enig moment in gebreke heeft gesteld, zodat BNB geen recht heeft op schadevergoeding wegens enige tekortkoming (rov. 5.96-5.98).
2.9
BNB heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [9] URW heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. BNB heeft afgezien van schriftelijke toelichting. URW heeft haar standpunt wel schriftelijk laten toelichten. BNB heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat zes onderdelen. Onderdeel 1 richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.64-5.65 over de relevantie van het ATS voor de door partijen overeengekomen mijlpaaldata en deeloplevering. Onderdeel 2 bestrijdt rov. 5.69-5.72, waarin het hof overweegt van welke events door BNB voldoende is onderbouwd dat zij tot vertraging op het kritieke pad hebben geleid. Onderdelen 3 en 4 bestrijden de overwegingen van het hof in rov. 5.93-5.94 dat BNB geen aanspraak kan maken op vergoeding van vertragingskosten in verband met bestekwijzigingen. Onderdelen 5 en 6 keren zich tegen rov. 5.96, waarin het hof beoordeelt of BNB in verband met vertragingsevents die een (ernstige) toerekenbare tekortkoming URW opleveren, aanspraak kan maken op vertragingskosten.
3.2
Als gezegd is het arrest van het hof een deelarrest (zie hiervoor in 2.7). BNB is daarom uitsluitend ontvankelijk in haar cassatieberoep als zij (mede) klachten richt tegen het eindarrestdeel van het arrest. [10] Dat heeft zij gedaan, zoals hiervoor in 1.1 laatste zin al is vermeld. Haar ontvankelijkheid in het cassatieberoep staat dus vast.
3.3
Omdat veel van de klachten van het middel betrekking hebben op de uitleg door het hof van de aannemingsovereenkomst en daarbij behorende voorwaarden, merk ik vooraf al op dat de uitleg van een overeenkomst feitelijk van aard is en in cassatie dus niet op juistheid kan worden onderzocht. Wel kan worden geklaagd dat die uitleg onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Daarvan is echter niet snel sprake. [11]
Onderdeel 1
3.4
Onderdeel 1 komt op tegen rov. 5.64-5.65. Deze luiden:
“5.64. In de artikelen 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst is bepaald dat bouwdeel Jumbo op 30 september 2018 gereed moet zijn voor exploitatie Opdrachtgever/Opening (door partijen aangeduid als Mijlpaal Opening) en dat op die datum ook de deeloplevering van bouwdeel Jumbo door BNB aan URW zal plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat bouwdeel Jumbo op 30 september 2018 niet gereed was voor de Mijlpaal Opening en de deeloplevering. Ook staat vast dat voor bouwdeel Jumbo geen Algemeen Tijdschema (ATS) is vastgesteld. Partijen zijn het er echter niet over eens aan wie één en ander is te wijten en wat daarvan de gevolgen zijn. Volgens BNB levert het ontbreken van een ATS schuldeisersverzuim op aan de kant van URW, is de Mijlpaal Opening komen te vervallen en kan zij bovendien aanspraak maken op termijnverlenging. URW stelt zich daarentegen op het standpunt dat het ontbreken van een ATS is veroorzaakt door BNB en niet afdoet aan de Mijlpaal Opening, dat BNB geen aanspraak kan maken op termijnverlenging en dat URW recht heeft op korting en schadevergoeding.
5.65.
In de Coördinatieovereenkomst is het ATS gedefinieerd als de uitvoeringsplanning van alle nevenaannemers van het Werk en op grond van artikel 9.1 aannemingsovereenkomst is BNB aan (onder meer) het ATS gebonden. De datum waarop bouwdeel Jumbo klaar moet zijn voor exploitatie en deeloplevering vloeit echter (al) voort uit de artikelen 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst en in die artikelen wordt het ATS niet genoemd. Ook in artikel 9.3 aannemingsovereenkomst. waarin is bepaald onder welke omstandigheden BNB aanspraak kan maken op termijnverlenging komt het ATS niet voor. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het ontbreken van een ATS niet afdoet aan de in de artikelen 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst genoemde datum en evenmin aan de mogelijkheid van termijnverlenging op grond van artikel 9.3 aannemingsovereenkomst. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven aan wie het is te wijten dat er geen ATS is opgesteld.”
3.5
De
subonderdelen 1.2 en 1.3 [12] klagen dat het oordeel van het hof in deze overwegingen onvoldoende is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van BNB. [13] Uit die stellingen volgt volgens de subonderdelen dat het opstellen en actualiseren van het ATS cruciaal is voor de coördinatie en uitvoering van het werk van de Nevenaannemers en voor het vaststellen van de actuele Mijlpaaldata waarop alle Nevenaannemers hun werkzaamheden gereed moeten hebben. Zonder ATS kan niet worden vastgesteld met welke termijn de uitvoeringsperiode voor de Nevenaannemers in geval van een grond voor termijnverlenging moet worden verlengd en kan de omvang van die termijnverlenging ex art. 9.3 aannemingsovereenkomst dus niet worden bepaald. De omstandigheid dat de art. 8.1.f, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst het ATS niet zelf expliciet noemen, vormt een onvoldoende begrijpelijke respons op dat betoog. Dat deze bepalingen niet expliciet het ATS noemen, kan niet op begrijpelijke wijze verklaren waarom het ontbreken van het ATS en het als gevolg daarvan uitblijven van actualisatie van de Mijlpaaldata en Deeloplevering niet kan leiden tot schuldeisersverzuim van URW of verlenging op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst. Dat geldt te meer omdat blijkens die stellingen het ATS de ruggengraat van de hele planning vormt en dus de sine qua non voor het behalen van de in de art. 8.1.f en 8.4 aannemingsovereenkomst neergelegde Mijlpaal Opening en de Deeloplevering. Als het ATS ten onrechte door URW of het Projectbureau is opgesteld noch geactualiseerd, kan dat dus wel degelijk een grond vormen om te concluderen dat BNB niet langer kan worden gehouden aan de oorspronkelijke Mijlpaaldata of verlenging van de afgesproken termijn aan te nemen. Daartoe is niet vereist dat de art. 8.1.f, 8.4 of 9.3 aannemingsovereenkomst expliciet het ATS (of het ontbreken ervan) noemen.
Subonderdeel 1.4klaagt dat het oordeel van het hof voorts onvoldoende is gemotiveerd, althans dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken heeft gegeven, omdat het hof de vraag of het ontbreken van het ATS invloed heeft op de Mijlpaal Opening en de Deeloplevering slechts behandelt in de sleutel van schuldeisersverzuim. BNB heeft dit beroep echter ook geplaatst in de sleutel van de toerekenbare tekortkoming van art. 9.3 aannemingsovereenkomst. [14] Het hof had de stellingen dus in ieder geval ook in die sleutel moeten onderzoeken.
3.6
In rov. 5.65 gaat het hof in op de stellingen van partijen die het blijkens rov. 5.64 zo heeft begrepen dat reeds vanwege het ontbreken van het ATS, er in het geheel geen sprake meer zou zijn van mijlpaaldata (indien het ontbreken aan URW te wijten is), hetzij er in het geheel geen aanspraak op termijnverlenging bestaat (indien het ontbreken aan BNB te wijten is). Beide, nogal absoluut ingestoken betogen, wijst het hof in rov. 5.65 van de hand op grond van zijn uitleg van de art. 8.1.f, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst, die er op neerkomt dat daarin onafhankelijk van het ATS zowel duidelijk is opgenomen welke mijlpalen en opleveringsmomenten gelden, als onder welke omstandigheden recht op verlenging bestaat. Verder inzicht in zijn gedachtegang geeft het hof nog in rov. 5.95, waar het overweegt:
“In rov 5.66 is al overwogen dat een vordering gegrond op overmacht niet kan slagen. Ook de stelling van BNB dat URW in schuldeisersverzuim verkeerde wegens het ontbreken van een ATS leidt niet tot een aanspraak op bijbetaling wegens overmacht (zie ook hiervoor onder 5.65), noch andere verwijten die URW worden gemaakt. Daarbij zij opgemerkt dat BNB ondanks het ontbreken van een ATS tijdig aan URW kennis had kunnen geven van omstandigheden die – in haar visie – overmacht opleverden.”
3.7
Uit een en ander volgt dat volgens de uitleg van het hof het ATS voor de toepassing van de art. 8.1, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst niet noodzakelijk is, omdat het ATS niet in de weg staat aan het halen van de in die bepalingen bedoelde tijdstippen, dan wel het doen van een beroep op de omstandigheden die een grond voor termijnverlenging kunnen opleveren.
Deze uitleg is niet onbegrijpelijk, gelet op die bepalingen, die, zoals het hof overweegt, zelfstandige termijnbepalingen bevatten en die bovendien niet verwijzen naar het ATS. Deze uitleg is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van BNB op de vindplaatsen waarnaar de subonderdelen 1.2 en 1.3 verwijzen, waar gesteld wordt dat zonder ATS de termijnverlenging ex art. 9.3 aannemingsovereenkomst niet te bepalen is, en dat de ATS de ruggengraat van de hele planning vormt. Het oordeel van het hof komt er immers op neer dat het dat het deze stellingen verwerpt omdat deze onvoldoende steun vinden in de aannemingsovereenkomst, waaruit naar zijn vaststelling de termijnen volgen (en dan dus met name de art. 8.1.f, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst). Het ontbreken van het ATS staat volgens het hof dus niet in de weg aan het geldend maken van de mogelijkheden op termijnverlenging die art. 9.3 aannemingsovereenkomst voor BNB inhouden. Geen van (de argumenten van) de stellingen waarnaar de subonderdelen verwijzen, leidt dwingend tot een andere uitkomst. Het argument van die stellingen is vooral dat het Projectbureau dan wel URW op grond van de coördinatieovereenkomst een ATS diende maken en bij te werken. Volgens die stellingen had dit de in de subonderdelen genoemde bedoeling, maar naar het oordeel van het hof – dat de coördinatieovereenkomst uitdrukkelijk in zijn overwegingen betrekt in rov. 5.65 – vindt deze stelling dus geen steun in de aannemingsovereenkomst en dat oordeel is, als al gezegd, gelet op de tekst van de aannemingsovereenkomst, niet onbegrijpelijk.
Op de door het hof in rov. 5.64 genoemde verwijten die partijen elkaar over en weer hebben gemaakt over het ontbreken van een ATS, is het hof uitdrukkelijk ingegaan door te overwegen dat die verwijten niet van belang zijn, omdat het ontbreken van het ATS niet leidt tot het buiten toepassing laten van de art. 8.1.f, 8.4 en 9.3 aannemingsovereenkomst. Dat oordeel is gelet op de uitleg van die het hof aan die bepalingen geeft, evenmin onbegrijpelijk. De subonderdelen 1.2 en 1.3 falen daarom.
3.8
Subonderdeel 1.4 faalt reeds omdat BNB met betrekking tot het ATS niet erg duidelijk een beroep heeft gedaan op een toerekenbare tekortkoming in de zin van art. 9.3 aannemingsovereenkomst. BNB heeft steeds aangevoerd dat het ontbreken van een ATS schuldeisersverzuim van URW oplevert en daarmee in de systematiek van art. 9.3 aannemingsovereenkomst overmacht van BNB. Dat het schuldeisersverzuim een toerekenbare tekortkoming oplevert, heeft zij niet duidelijk aangevoerd en heeft het hof dus niet in haar stellingen hoeven lezen (vgl. de vindplaatsen in de subonderdelen 1.2-1.4 genoemd).
Onderdeel 2
3.9
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.69-5.71. Deze overwegingen vormen één geheel met rov. 5.66-5.68, 5.72 en 5.83-5.84. Daarom haal ik, gemakshalve, al deze rechtsoverwegingen hier aan:
“5.66 De vervolgvraag is of BNB aanspraak kan maken op termijnverlenging. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de stelling dat BNB aanspraak kan maken op termijnverlenging rust op haar, aangezien zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept (artikel 150 Rv Pro). Ingevolge artikel 9.3 aannemingsovereenkomst - dit komt hierna nog nader aan de orde - heeft BNB recht op termijnverlenging als niet van haar kan worden gevergd dat zij het Werk oplevert binnen de overeengekomen termijn vanwege overmacht, door URW opgedragen bestekswijzigingen of omstandigheden waaraan een (ernstige) tekortkoming van URW ten grondslag ligt. Gesteld noch gebleken is dat BNB op enig moment URW schriftelijk, aangetekend en met redenen omkleed kennis heeft gegeven van een voorval dat tot overmacht aan haar kant heeft geleid. URW heeft steeds weersproken dat er overmacht is gemeld en BNB heeft dat verder geen handen en voeten gegeven. BNB heeft gesteld dat de door partijen in de aannemingsovereenkomst gebruikte term alleen zou zien op 'reguliere' overmacht situaties, zoals een natuurramp, en niet op situaties waarin het handelen of nalaten van URW een overmachtsituatie creëert, maar dat is door URW ontkend en BNB heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat een dergelijke beperking door partijen is bedoeld. Dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om BNB te houden aan de contractuele afspraak dat alleen binnen tien dagen gemelde voorvallen als overmacht worden aangemerkt, is eveneens onvoldoende onderbouwd. Een vordering gegrond op overmacht kan derhalve niet slagen. Alleen bestekswijzigingen of ernstige tekortkomingen van URW kunnen hier dus aanleiding zijn voor termijnverlenging. In de woorden: “Indien (...) van Aannemer niet kan worden gevergd dat het Werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd" ligt verder besloten dat slechts een aanspraak op termijnverlenging kan bestaan als de vertragingsoorzaak op het kritieke pad naar oplevering ligt. URW heeft dus in zoverre terecht aangevoerd dat niet iedere bestekswijziging recht geeft op termijnverlenging. Er moet causaal verband bestaan tussen de vertragingsoorzaak en het niet halen van de overeengekomen termijn.
5.67.
URW heeft zich, in verband met de door BNB opgevoerde aanspraak op termijnsverlenging, nog beroepen op de verjaringsregeling van artikel 34 AV Pro. Dat beroep op verjaring gaat in dit verband echter niet op. Zoals hiervoor onder 5.52 is overwogen, heeft artikel 34 AV Pro betrekking op schadevergoeding. De (gestelde) aanspraak van BNB op extra tijd is geen schadevergoeding.
5.68.
Het hof volgt URW evenmin in haar betoog dat de gestelde aanspraak van BNB op termijnverlenging afstuit op het niet door BNB doorlopen van de procedure van artikel 13 AV Pro. BNB heeft terecht aangevoerd dat artikel 13 AV Pro aldus moet worden uitgelegd dat dit alleen ziet op de prijs en de planning van de bestekswijziging, niet op de gevolgen van de bestekswijziging voor de planning van het gehele werk. Dat de (bij het uitblijven van overeenstemming over de kosten van een bestekswijziging) in te schakelen kostendeskundige inzicht heeft of kan verkrijgen in de planning van het gehele werk, blijkt nergens uit. Bovendien ontbreekt in artikel 9.3 aannemingsovereenkomst een verwijzing naar artikel 13 AV Pro. Dat partijen dus met artikel 13 AV Pro mede hebben beoogd de kostendeskundige te laten oordelen over de vraag of al dan niet geen aanspraak bestaat op termijnverlenging is onvoldoende onderbouwd.
5.69
De omstandigheid dat een bestekswijziging is opgedragen na een overeengekomen mijlpaaldatum brengt nog niet mee dat een aanspraak op termijnverlenging is uitgesloten, zoals URW heeft aangevoerd, maar leidt evenmin automatisch tot termijnverlenging, zoals BNB heeft gesteld. Een na een mijlpaaldatum opgedragen bestekswijziging kan immers extra vertraging hebben veroorzaakt die grond kan zijn voor het toekennen van termijnverlenging, ook als de mijlpaaldatum al is gepasseerd. Het moment waarop een bestekswijziging wordt opgedragen zegt in zoverre niets over de impact van die bestekswijziging op de planning en oplevering van het Werk.
5.7
BNB heeft een rapport overgelegd van het door haar ingeschakelde adviesbureau Vijverberg Management Consultants B.V. (hierna: Vijverberg), waarin 24 events zijn geanalyseerd. In dit rapport is ten aanzien van de volgende negen events geconcludeerd dat deze op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of de uitvoeringsfase lagen:
- BIM-model is te laat aangeleverd en voldeed niet aan de afspraken
- Ontbrekend funderingsadvies
- Beschikbaarheid werkterrein
- Obstakels in de grond
- Knoopbewapening en doorbuiging balken
- Aanrijdbeveiliging
- Latere uitvoering dakbedekking
- De start van de afbouwwerkzaamheden door Derden
- Laat contracteren [nevenaannemer].
5.71
Vijverberg heeft ten aanzien van de 16 andere events die in haar rapport zijn beschreven, niet vastgesteld dat deze op het kritieke pad naar oplevering lagen. BNB heeft aldus onvoldoende onderbouwd dat zij vanwege die events een aanspraak op termijnverlenging heeft. Dat URW ten aanzien van een aantal van deze events in haar opdrachtbrieven heeft vermeld dat deze op 15 juni 2019 gereed moesten zijn, maakt dat niet anders. URW heeft aangevoerd dat die datum verband hield met andere vertraging die al was opgelopen en dat op het moment dat de desbetreffende opdrachten werden gegeven, al duidelijk was dat bouwdeel Jumbo niet eerder gereed zou zijn. Dit heeft BNB niet (gemotiveerd) weersproken.
5.72
URW heeft ook betwist dat de door Vijverberg beschreven events als een bestekswijziging of een ernstige tekortkoming van URW kunnen worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 9.3 aannemingsovereenkomst. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.71 is overwogen, kan ten aanzien van de 16 events waarvan in het rapport van Vijverberg niet is vastgesteld dat zij op het kritieke pad naar oplevering lagen, in het midden blijven of zij kwalificeren als een event in de zin van artikel 9.3 aannemingsovereenkomst. Ten aanzien van de acht events die volgens Vijverberg op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of de uitvoeringsfase lagen (zie hiervoor onder 5.70). overweegt het hof als volgt.
(…)
5.83
Slotsom is dat van de events die volgens Vijverberg op het kritieke pad van de voorbereidingsfase of de uitvoering lagen, de events aanlevering BIM-model, ontbreken funderingsadvies, beschikbaarheid werkterrein, obstakels in de grond en aanrijdbeveiliging kunnen worden aangemerkt als events die ingevolge artikel 9.3 aannemingsovereenkomst aanspraak kunnen geven op termijnverlenging. URW heeft in haar tweede grief weliswaar nog aangevoerd dat BNB haar verplichtingen uit de Coördinatieovereenkomst niet is nagekomen, maar daaraan gaat het hof voorbij, omdat niet is gebleken dat dit een rol speelde bij deze events.
5.84
URW heeft, onder verwijzing naar een rapport van het door haar ingeschakelde adviesbureau Driver Trett, weersproken dat de door BNB opgevoerde vertragingsevents op het kritieke pad lagen en dat Vijverberg de omvang van de vertraging juist heeft berekend. Tussen partijen is niet in geschil dat een eventuele termijnverlenging moet worden berekend aan de hand van een zogenaamde time impact analysis. BNB heeft weliswaar gesteld dat Vijverberg die methode in haar rapport heeft gebruikt, maar dat heeft URW gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar passages uit het rapport van Vijverberg zelf waarin Vijverberg de toegepaste methode als "as planned, as built" omschrijft, zodat het hof niet kan uitgaan van het rapport van Vijverberg. Het hof is daarom voornemens een deskundigenbericht te gelasten. Aan de deskundige(n) zullen de volgende vragen worden voorgelegd:
- Lagen de events aanlevering BlM-model, ontbreken funderingsadvies, beschikbaarheid werkterrein, obstakels in de grond en aanrijdbeveiliging op het kritieke pad naar oplevering?
- Zo ja, hoeveel termijnverlenging is gerechtvaardigd, uitgaande van een time impact analysis en met inachtneming van de omstandigheid dat Vijverberg de vertraging op het kritieke pad van de voorbereiding (de events aanlevering BIM-model, ontbreken funderingsadvies, beschikbaarheid, werkterrein) heeft ingeschat op 7,5 weken.
Op grond van artikel 195 Rv Pro, tweede zin, zal het voorschot van de deskundige vooralsnog door BNB betaald moeten worden.”
3.1
De
subonderdelen 2.3 en 2.4zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.70-5.72 dat BNB ten aanzien van de resterende 16 events onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op grond daarvan aanspraak heeft op termijnverlenging. De subonderdelen voeren aan dat BNB zowel in het kader van haar conventionele vorderingen als bij haar verweer tegen de reconventionele vorderingen van URW uitvoerig heeft gemotiveerd welke andere events om welke redenen tot vertraging op het kritieke pad hebben geleid en dat nader heeft onderbouwd met het rapport van Vijverberg, onder verwijzing naar de specifieke passages uit dat rapport waaruit ten aanzien van ieder van de events de vertraging op het kritieke pad blijkt. [15] Het gaat hierbij om stellingen van BNB met betrekking tot termijnverlenging. In subonderdeel 2.3 worden de stellingen met betrekking tot elf events uitvoerig opgesomd. Volgens subonderdeel 2.4 dient in cassatie ten minste tot hypothetisch uitgangspunt te worden genomen dat het bij deze events gaat om voor rekening van de opdrachtgever komende events naar het moment waarop het event zich voordeed, zodat moet worden beoordeeld in welke mate de Deeloplevering of de Mijlpaal Opening door het event vertraagd zou zijn geraakt op basis van de toen bekende informatie, dus zonder rekening te houden met eventuele events die zich later in de voorbereiding of de uitvoering nog hebben voorgedaan. Eventuele eigen vertragingen van de Nevenaannemer zijn daarbij niet relevant. [16] Zonder motivering valt volgens subonderdeel 2.4 in het licht van deze stellingen niet in te zien waarom niet zou zijn onderbouwd dat het Werk niet binnen de overeengekomen termijn (van 30 september 2018) kan worden opgeleverd respectievelijk waarom er in het licht van die stellingen geen causaal verband bestaat tussen die events en het niet halen van de Deeloplevering en/of de Mijlpaal Opening respectievelijk waarom – beoordeeld naar het moment waarop het event zich voordeed en zonder rekening te houden met opvolgende events – die events niet hebben geleid of kunnen leiden tot vertraging tot na 30 september 2018.
De
subonderdelen 2.5-2.8klagen dat het hof in elk geval of temeer zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd met betrekking tot vertragingsevents als gevolg van door URW opgedragen Bestekwijzigingen of tekortkomingen die hebben geleid tot werkzaamheden die zijn afgerond na 30 september 2018 of waarvan de opdrachten of tekortkoming zelf dateren van na 30 september 2018 – en dus van na de datum voor de Mijlpaal Opening en de Deeloplevering. Die Bestekwijzigingen leiden immers reeds daarom per definitie tot een vertraging tot na 30 september 2018. Evenmin is dus voldoende begrijpelijk waarom het hof in rov. 5.69 oordeelt dat de omstandigheid dat een Bestekwijziging is opgedragen na een overeengekomen Mijlpaaldatum niet automatisch tot verlenging van de datum voor de Deeloplevering en/of Mijlpaal Opening leidt. De door het hof in rov. 5.69 voor zijn ‘geen automatische termijnverlenging’-oordeel genoemde redengeving vormt in ieder geval een onvoldoende begrijpelijke motivering voor zijn oordeel. Als de Bestekwijziging wordt opgedragen na de Mijlpaaldatum leidt dat immers ook volgens de redengeving van het hof zelf wel tot een grond voor een termijnverlenging, zodat de overeengekomen termijn moet worden verlengd. Die overweging is in ieder geval niet relevant voor door URW opgedragen Bestekwijzigingen of haar (ernstige) toerekenbare tekortkomingen die zich al vóór 30 september 2018 hadden voorgedaan en die leidden tot werkzaamheden die pas daarna werden afgerond.
De
subonderdelen 2.9 en 2.10klagen dat ook de waardering van het Vijverberg-rapport door het hof onbegrijpelijk is. De in subonderdeel 2.3 weergegeven, uitvoerig uitgewerkte stellingen kon het hof niet terzijde schuiven met de enkele motivering dat Vijverberg niet heeft vastgesteld dat de daarbij genoemde events op het kritieke pad lagen. Het gaat er immers in het kader van de voldoende onderbouwing in de eerste plaats om of uit de weergegeven feiten zelf reeds voldoende volgt (vanwege de onderbouwing daarvan dan wel de erkenning of niet-betwisting daarvan door URW) dat sprake is geweest van vertragingen tot de gestelde data althans in ieder geval tot na 30 september 2018. De bevindingen van Vijverberg zijn voor de onderbouwing dus niet doorslaggevend. Voorts is de motivering onbegrijpelijk, omdat de stellingen mede een weergave zijn van de bevindingen van Vijverberg waar in de vindplaatsen ook steeds naar is verwezen. Vijverberg heeft blijkens die stellingen juist steeds ten aanzien van deze events geconstateerd dat zij – om de door BNB per event opgesomde redenen – recht geven op termijnverlenging, waarin besloten ligt dat Vijverberg meent dat de vertraging op het kritieke pad ligt.
Subonderdeel 2.11voert aan dat in ieder geval zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het hof enkel op basis van de omstandigheid dat het door BNB ter onderbouwing van haar stellingen ingebrachte rapport van Vijverberg niet ten aanzien van de bij subonderdeel 2.3 opgesomde vertragingsevents zou onderbouwen dat zij op het kritieke pad liggen, tot de conclusie komt (i) dat BNB onvoldoende heeft onderbouwd dat zij vanwege die vertragingsevents aanspraak heeft op termijnverlenging en (ii) dat de door het hof aan te wijzen deskundige zijn onderzoek moet beperken tot de resterende vijf events waarvan het hof meent dat zij aanspraak kunnen geven op termijnverlenging. Zelfs als BNB haar stellingen onvoldoende zou hebben onderbouwd, volgt daaruit nog niet dat BNB ook onvoldoende heeft gesteld dat die events hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad en op de voet van art. 9.3 aannemingsovereenkomst recht geven op termijnverlenging. Dat geldt in ieder geval/temeer voor de events die leiden tot werkzaamheden die pas na 30 september 2018 zijn afgerond of waartoe de opdracht pas na 30 september 2018 – en dus per definitie na de datum voor de Mijlpaal Opening en de Deeloplevering – is gegeven. Om die reden valt evenmin in te zien waarom het hof tot het oordeel komt dat de door hem aan te stellen deskundige zijn onderzoek niet ook op de in de tabel opgesomde vertragingsevents moet richten. Indien BNB ter zake voldoende heeft gesteld, is er immers ook voldoende grond voor bewijslevering door middel van een door de rechter te benoemen deskundige.
Subonderdeel 2.12voegt daaraan toe dat voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat BNB ten aanzien van de in de tabel onder ‘vertragingsoorzaak’ opgesomde events niet heeft voldaan aan haar stelplicht dat zij hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad, dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Dat oordeel kan in ieder geval niet worden gebaseerd op de omstandigheid dat een ter onderbouwing van de stellingen overgelegd deskundigenrapport niet voldoende onderbouwt dat de vertragingen op het kritieke pad liggen. Immers, het deskundigenbewijs vormt het geproduceerde bewijs voor de betrokken stellingen. Bovendien valt zonder nadere, ontbrekende, motivering niet in te zien waarom uit de uit de per event weergegeven stellingen niet afdoende volgt dat en waarom die vertragingsevents hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad, hetgeen wederom te meer geldt voor de events die hebben geleid tot werkzaamheden die pas na 30 september 2018 zijn afgerond of waarvoor de door URW opgedragen Bestekwijziging of URW’s toerekenbare tekortkoming dateert van na 30 september 2018. De stellingen bevatten dus ook ruim voldoende aanknopingspunten voor een door de rechter te benoemen deskundige om te beoordelen of sprake is van vertragingen op het kritieke pad.
Subonderdeel 2.13klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof tot uitgangspunt neemt dat BNB slechts één rapport van Vijverberg heeft overgelegd en dat Vijverberg-rapport ten aanzien van de door het hof uitgesloten vertragingsevents onvoldoende onderbouwt dat zij hebben geleid tot vertraging op het kritieke pad. BNB heeft evenwel ter onderbouwing van haar stellingen alsmede ter weerlegging van URW’s betwisting daarvan op basis van het DT-rapport in eerste aanleg ook het Reactierapport van Vijverberg d.d. 4 februari 2022 overgelegd. Zij heeft bij het overleggen daarvan en bij het pleidooi in eerste aanleg, alsmede in hoger beroep steeds met dit doel een beroep op het Reactierapport Vijverberg gedaan. [17] Het hof had in dit licht eveneens kenbaar aandacht moeten besteden aan het Reactierapport Vijverberg.
3.11
Het oordeel van het hof valt, voor zover voor de bespreking van de subonderdelen van belang, als volgt begrijpen. Vertrekpunt voor het hof is onmiskenbaar dat op grond van art. 9.3 aannemingsovereenkomst slechts aanspraak op termijnverlenging bestaat als de vertragingsoorzaak op het ‘kritieke pad’ naar oplevering ligt, dat wil zeggen causaal verband bestaat tussen de vertragingsoorzaak (het event) en het niet halen van de overeengekomen termijn (zie aldus met zoveel woorden rov. 5.66 slot). Gelet op de verwijzing daarbij naar het betoog op dit punt van URW ligt het voor de hand dat het hof is uitgegaan van de uitleg van art. 9.3 aannemingsovereenkomst van URW, die inhoudt dat, als sprake is van meerdere – dus eventueel samenlopende – events als bedoeld in die bepaling, gekeken moet worden welke daarvan – in mijn woorden gezegd – daadwerkelijk tot vertraging hebben geleid. [18] Dit valt ook af te leiden uit rov. 5.69. Het hof overweegt daar dat ook events (daar specifiek bestekwijzigingen) die na de overeengekomen mijlpaaldatum plaatsvinden, niet automatisch tot termijnverlenging leiden. Zijn gedachte daarbij is klaarblijkelijk dat daarvan geen sprake behoeft te zijn als de vertraging reeds door een ander event wordt veroorzaakt.
Klaarblijkelijk is dit ook de gedachtegang van het hof in rov. 5.70-5.71. In rov. 5.70 stelt het hof vast dat in het Vijverberg-rapport slechts ten aanzien van negen events is geconcludeerd dat zij op het kritieke pad naar oplevering liggen. Bestudering van dat rapport leert dat de negen events die het hof in rov. 5.70 met zoveel woorden noemt, blijkens de figuren 70-75 van het rapport als enige hebben geleid tot een daadwerkelijke vertraging. [19] In rov. 5.71 stelt het hof vast dat de andere in het Vijverberg-rapport geanalyseerde events volgens het rapport niet op het kritieke pad lagen, dus niet daadwerkelijk tot vertraging hebben geleid. Ook dat is in overeenstemming met wat de figuren 70-75 van het rapport laten zien. [20] Het strookt ook met de overweging van het hof in rov. 5.71 dat andere opdrachten die URW heeft gegeven, niet tot vertraging hebben geleid, omdat deze vertraging al door andere oorzaken een feit was. Het hof zegt ook nog in rov. 5.84 dat het Vijverberg-rapport de vertraging op het kritieke pad van de voorbereiding, die volgens dat rapport betrekking heeft op de events ‘aanlevering BIM-model’, ‘ontbreken funderingsadvies’ en ‘beschikbaarheid werkterrein’, heeft ingeschat op 7,5 weken. Dat stemt overeen met figuur 70 van het rapport en hetgeen onder 298 (in hoofdstuk 7) van het rapport staat te lezen.
De gedachtegang van het hof is dus wel duidelijk. In de betrokken passage van het Vijverberg-rapport heeft het hof eenzelfde benadering van het vereiste causaal verband gelezen als door hem gevolgd (welke benadering dus berust op de uitleg door het hof van art. 9.3 aannemingsovereenkomst) en het hof heeft geconcludeerd dat dus alléén de in rov. 5.70 genoemde events tot daadwerkelijke vertraging hebben geleid, die eventueel tot termijnverlenging kan leiden. In rov. 5.71 komt het hof daarom tot het oordeel dat BNB dus onvoldoende heeft onderbouwd dat zij vanwege de andere events aanspraak op termijnverlenging heeft. Dat oordeel is als zodanig begrijpelijk. Volgens het door BNB zelf overgelegde deskundigenrapport hebben die events immers naar de vaststelling van het hof niet tot daadwerkelijke vertraging geleid en geven deze dus, gelet op art. 9.3 aannemingsovereenkomst, geen recht op termijnverlenging. Klaarblijkelijk heeft het hof in hetgeen BNB in de stukken heeft aangevoerd, geen gemotiveerd betoog gelezen dat die events toch – dus ondanks hetgeen in het Vijverberg-rapport valt te lezen – tot daadwerkelijke vertraging hebben geleid. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat BNB voor haar stellingen met betrekking tot de events vooral heeft verwezen naar het rapport. Voor zover BNB daarbij is uitgegaan van een andere uitleg van art. 9.3 aannemingsovereenkomst of van het Vijverberg-rapport dan het hof, geldt dat de uitleg van die bepaling en van dat rapport door het hof feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk is.
3.12
De subonderdelen 2.3-2.13 falen op grond van het voorgaande. Met betrekking tot de subonderdelen 2.3 en 2.4 geldt dat het hof de uitvoerige stellingen op dit punt van BNB niet heeft miskend, maar deze niet relevant heeft geacht om de hiervoor genoemde redenen. Dat is, als al gezegd, niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof is niet daarop gegrond dat BNB haar stellingen als zodanig onvoldoende heeft gemotiveerd, zoals de subonderdelen lijken te veronderstellen, maar dat onvoldoende heeft gedaan in het licht van het door haarzelf overgelegde deskundigenrapport, waaruit naar de klaarblijkelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof overtuigend volgt dat de andere events niet daadwerkelijk tot vertraging hebben geleid. De stelling van subonderdeel 2.4 dat ook andere vertragingen en events relevant zijn voor de aanspraak op termijnverlenging, stuit af op de niet onbegrijpelijke uitleg door het hof van art. 9.3 aannemingsovereenkomst dat vereist is dat het event daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid.
Ook de subonderdelen 2.5-2.12 stuiten af op de niet onbegrijpelijke uitleg door het hof van art. 9.3 aannemingsovereenkomst dat vereist is dat het event daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid. De subonderdelen miskennen dat het enkele feit dat sprake is van een event dat volgens die bepaling tot termijnverlenging kan leiden, bij die uitleg niet tot termijnverlenging leidt, als dat event niet daadwerkelijk tot vertraging hééft geleid. Anders dan de subonderdelen 2.11 en 2.12 veronderstellen, heeft het hof BNB dus niet ‘afgerekend’ op de stelplicht.
Subonderdeel 2.13 faalt omdat het Vijverberg-reactierapport het hof niet dwong tot een ander oordeel. Dat rapport betoogt niet in aanvulling op het Vijverberg-rapport dat er nog andere events zijn die daadwerkelijk tot vertraging hebben geleid. Het middel voert dat ook niet aan.
De onderdelen 3 en 4
3.13
Onderdelen 3 en 4 zijn gericht tegen rov. 5.93 en 5.94, die als volgt luiden:
“5.93. Het hof overweegt als volgt. Het contractueel kader tussen partijen houdt - voor zover hier relevant - het volgende in.
- Art. 7.3 aannemingsovereenkomst: Er geldt een vaste aanneemsom. BNB heeft geen aanspraak op bijbetaling tenzij er een schriftelijk opgedragen bestekswijziging is conform art. 13.6 of art. 13.9 AV, dan wel wanneer art. 9.3 aannemingsovereenkomst daartoe aanleiding geeft.
- Art. 13.3 AV: BNB doet bij een bestekswijziging een schriftelijke prijsopgave waarin zijn opgenomen de directe kosten. Voor de ABK. AK en Winst & Risico (W&R) geldt een gefixeerd opslagpercentage. Alleen voor zover een bestekswijziging ingrijpt op het kritieke pad kunnen tijdgebonden kosten in rekening worden gebracht.
- Art. 13.6 AV: de voorwaarden en kostenconsequenties van een bestekswijziging worden neergelegd in een door URW ondertekende schriftelijke opdracht.
- Art. 13.12 AV: Naast de vaste aanneemsom heeft BNB uitsluitend aanspraak op aanvullende betalingen in geval van een schriftelijk ondertekende opdracht als bedoeld in art. 13.6 AV (of art. 13.9 AV, na het doorlopen van de procedure kostendeskundige).
BNB heeft nimmer aanspraak op bijbetaling:
a) Bij bestekswijzigingen op initiatief van BNB,
b) Bij afwijkingen tussen afmetingen in het bestek en de werkelijke situatie,
c) Bij gevolgen van verschillen in de toestand van het gebouw of terrein in de werkelijkheid en de in het bestek aangeduide toestand,
d) Bij bestekswijzigingen die zijn onderzocht maar niet opgedragen.
- Art. 9.3 aannemingsovereenkomst: Termijnverlenging (doch niet per definitie een kostenvergoeding) is mogelijk in geval van:
- overmacht;
- een door of namens URW opgedragen bestekswijziging;
- een (ernstige) toerekenbare tekortkoming van URW.
- Art. 16.1 nn aannemingsovereenkomst en art. 36.2 AV: Overmacht kan alleen worden aanvaard indien BNB dit binnen tien dagen na het voorval dat tot overmacht leidt met een aangetekend schrijven bij URW heeft gemeld.
- Art. 34 AV Pro - jo 16 kk en 16 ll aannemingsovereenkomst: URW is aansprakelijk voor schade door een (ernstige) tekortkoming. URW is alleen aansprakelijk voor directe schade, niet voor indirecte en gevolgschade. De rechtsvordering van BNB verjaart indien zij URW niet binnen één maand nadat zij het tekortschieten heeft ontdekt of had behoren te ontdekken schriftelijk en met redenen omkleed op de hoogte heeft gesteld, alsmede zes maanden na die ingebrekestelling.
Bestekswijzigingen
5.94.
Uit dit contractueel kader volgt dat BNB bij elke bestekswijziging de prijsgevolgen moest opgeven, ook de ABK en AK. Er is dus geen ruimte voor bijbetaling wegens een bestekswijziging voor zover dit niet is ingeprijsd in de aanbieding van BNB voor het meerwerk door de bestekswijziging. Ook de kosten van vertraging (tijdgebonden kosten) moesten daarbij in kaart worden gebracht. Om tijdgebonden kosten in rekening te kunnen brengen moest de bestekswijziging bovendien ingrijpen op het kritieke pad. Het was dus aan BNB om direct bij het indienen van haar kostenopgave voor een bestekswijziging ook de tijdgebonden kosten mee te nemen. Dat heeft zij niet gedaan. BNB heeft weliswaar gesteld dat zij de kosten van de vertraging niet inzichtelijk kon maken omdat er geen ATS was opgesteld, maar dat argument gaat niet op. BNB had op grond van de steeds aangepaste werkplanning en gegeven het feit dat bij de planning standlijnen waren aangebracht wel degelijk een indicatie kunnen geven van de vertragingskosten die de bestekswijziging teweeg zou brengen. In het geval dat BNB relevante gegevens van bijvoorbeeld andere nevenaannemers miste, had het op haar weg gelegen om deze gegevens zelf op te vragen (o.g.v. de Coördinatieovereenkomst) of om desnoods voor de zekerheid een ruime marge aan te houden in haar prognose van de vertraging en de daarop gebaseerde kostenopgave. Voor zover BNB betoogt dat het bij een bestekswijziging (meerwerk) gaat om een materiële toets en niet om de formaliteiten of dat onder een bestekswijziging ook moet worden begrepen een aan een andere nevenaannemers opgegeven bestekswijziging. is de portee van dit betoog in dit verband niet geheel helder. In elk geval heeft URW terecht naar voren gebracht dat het bij een bestekswijziging gaat om de door BNB zelf gehanteerde definitie in de AV daarvan en dat BNB niet heeft onderbouwd op welke aan nevenaannemers opgedragen bestekswijzigingen haar betoog ziet. In elk geval heeft BNB in de aanbiedingen voor de bestekswijzigingen geen vertragingskosten ingeprijsd. Zoals hiervoor overwogen (zie nr. 5.84) zal van enkele van de vertragingsoorzaken die Vijverberg heeft geïdentificeerd nader worden onderzocht of zij tot een termijnverlenging moeten leiden. Met betrekking tot twee van deze events' (obstakels in de grond en aanrijdbeveiliging) heeft BNB bestekswijzigingen aangevraagd die door URW niet zijn geaccepteerd. URW had deze bestekswijzigingen wel moeten opdragen. In verband met deze bestekswijzigingen heeft BNB mogelijk aanspraak op termijnsverlenging (afhankelijk van de uitkomst van het deskundigenbericht), maar zij heeft, gelet op de aannemingsovereenkomst, geen recht op vergoeding van de in verband daarmee gevorderde vertragingskosten, omdat deze kosten niet zijn ingeprijsd in de aanbiedingen voor deze bestekswijzigingen, waar dat wel had gemoeten. Voor zover de vordering van BNB dus ziet op bijbetaling vanwege bestekswijzigingen moet deze worden afgewezen.”
3.14
Subonderdeel 3.2klaagt dat het oordeel van het hof in deze overwegingen onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof in rov. 5.93 zelf tot uitgangspunt neemt dat art. 13.3 AV een schriftelijke prijsopgave verlangt van de directe kosten. Art. 13.2 AV eist blijkens de in rov. 3.7 weergegeven tekst ervan enkel een prijsopgave voor het uitvoeren van de Bestekwijziging. Daarmee verhoudt zich reeds niet dat art. 13 AV Pro volgens het hof vereist dat BNB bij Bestekwijzigingen ook vertragingskosten in kaart moest brengen en de regeling ook zou zien op kosten van BNB die verband houden met vertragingen. De regeling beperkt zich blijkens de tekst tot (directe) kosten die verband houden met de uitvoering van de Bestekwijziging.
De
subonderdelen 3.3-3.7klagen dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat BNB stellingen heeft ingenomen waaruit het hele contractuele kader duidelijk wordt. [21] Art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13.2 AV beperkt zich tot de verplichting tot het geven van een prijsopgave voor het uitvoeren van de Bestekwijziging zelf, terwijl de verplichting voor BNB in art. 13.3 AV om een prijsopgave te doen ziet op de directe kosten waarbij voor de ABK, AK en W&R een gefixeerd opslagpercentage geldt. Die opslag heeft in de systematiek van de aannemingsovereenkomst enkel betrekking op de directe en indirecte (ABK, AK en W&R) kosten van de Bestekwijziging – die vormen in wezen tezamen de prijs daarvoor – zonder dat daarbij een eventuele vertraging in de uitvoeringsduur van het hele Werk in aanmerking wordt genomen. Daarvoor biedt art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst een aparte regeling, waarop art. 7.3 aannemingsovereenkomst met de slotzin “dan wel in geval art. 9.3 aannemingsovereenkomst hiertoe aanleiding geeft" wijst. Het hof respondeert in rov. 5.93-5.94 niet voldoende begrijpelijk op dit betoog van BNB. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de opgaveplicht van art. 13.3 AV ook voor die van art. 13 AV Pro losstaande grondslag van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst geldt. Indien het hof heeft geoordeeld dat art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst geen zelfstandige grond voor kostenvergoeding biedt, is dat oordeel niet voldoende gemotiveerd in het licht van (a) de door BNB benadrukte tekst van art. 7.3 aannemingsovereenkomst, (b) de eigen, in subonderdeel 3.2 belichte vaststelling en uitleg van het hof van art. 13.2 AV en art. 13.3 AV, en (c) het in subonderdeel 3.3 samengevatte gemotiveerde betoog van BNB – en de in subonderdeel 3.4 toegelichte daaruit te trekken conclusie – dat art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst in de systematiek van de aannemingsovereenkomst een zelfstandige grond voor kostenvergoeding voor vertragingskosten biedt in verband met vertraging in de totale uitvoeringsduur van het Werk. Dat het hof het onderscheid tussen de regeling van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13 AV en de regeling van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst niet op het oog heeft gehad en aldus het zelfstandige karakter van de regeling van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst onvoldoende heeft onderkend, blijkt ook uit het feit dat het hof de portee niet ziet van het betoog dat ook een aan een andere Nevenaannemer opgedragen Bestekwijziging kan leiden tot vertraging.
Subonderdeel 3.8klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat het hof in rov. 5.96 wel terecht tot uitgangspunt neemt dat een (ernstige) toerekenbare tekortkoming recht kan geven op termijnverlenging en op een kostenvergoeding wegens vertraging. Die aanspraak vloeit eveneens voort uit art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst op basis van de zinsnede “dan wel in geval artikel 9.3 Aannemingsovereenkomst hier toe aanleiding geeft”. In dat licht is ieder geval of temeer onvoldoende gemotiveerd waarom het hof in art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst géén zelfstandige grondslag voor een kostenaanspraak – los van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13 AV – ziet in geval van (indirecte) vertragingskosten als gevolg van Bestekwijzigingen. Systematisch is er immers geen verschil, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 3.9klaagt dat rov. 5.94 geen afdoende respons op het betoog van BNB bevat, omdat uit de stellingen van BNB volgt dat de contractuele systematiek er om de door BNB genoemde redenen van uitgaat dat de Nevenaannemer niet verplicht is om reeds een opgave te doen voor de vertragingskosten die verband houden met de vertraging van de totale uitvoeringsduur van het Werk en art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst daartoe een aparte grondslag biedt. Dat BNB om de door het hof genoemde redenen nog maatregelen had kunnen treffen die wellicht in beperkte mate tegemoet kunnen komen aan de ontbrekende kennis en actualisatie van het ATS die vereist zijn om de kosten wegens vertraging in de totale uitvoeringsduur van het Werk te berekenen, doet aan de door BNB verdedigde uitleg van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst en systematiek uiteraard niet af. BNB heeft er immers op gewezen dat juist vanwege dat informatiegebrek en de noodzaak tot actualisatie van het ATS door URW de regeling van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst bestaat en losstaat van de regeling van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jo 13 AV.
Subonderdeel 4.2klaagt dat het oordeel in rov. 5.94 (slot) uitgaat van een onbegrijpelijke uitleg van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jis de art. 13.1-13.3, 13.6 en 13.12 AV, althans dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Op grond van art. 7.3 aannemingsovereenkomst jis de art. 13.6, 13.9 en 13.12 AV bestaat immers een recht op bijbetaling bij door URW opgedragen Bestekwijzigingen, aldus het subonderdeel. Die systematiek stelt het hof in rov. 5.93 ook zelf vast en vloeit voort uit de in rov. 3.7 weergegeven bepalingen van art. 13 AV Pro. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom deze systematiek en consequenties ook – ten nadele van BNB – zouden gelden voor het geval URW juist géén Bestekwijziging heeft uitgevraagd en opgedragen en zij BNB dus ook niet om een prijsopgave als bedoeld in art. 13.3 AV heeft verzocht, maar dat wel had moeten doen.
3.15
Het oordeel van het hof in rov. 5.94 houdt in dat BNB geen vergoeding van vertragingskosten door bestekwijzigingen kan verlangen van URW als zij deze niet heeft begroot (‘ingeprijsd’) bij haar aanbieding van het meerwerk en dat dit geldt voor iedere bestekwijzing. Het hof verwijst daarvoor naar het contractueel kader van partijen dat het in rov. 5.93 weergeeft. Deze uitleg van de aannemingsovereenkomst en daarbij behorende algemene voorwaarden (AV) is begrijpelijk. Zoals het hof vermeldt in rov. 5.93 eerste gedachtestreepje, bepaalt art. 7.3 aannemingsovereenkomst dat alléén bijbetalingen ten opzichte van de aanneemsom kunnen plaatsvinden bij een bestekwijziging conform art. 13.6 of 13.9 AV dan wel wanneer art. 9.3 aannemingsovereenkomst daartoe aanleiding geeft. Art. 13.2 AV – dat hiervoor is weergegeven in 2.1 onder (v) – bepaalt dat BNB een gedetailleerde prijsopgave voor het uitvoeren van de bestekwijziging moet doen. Zoals het hof kort vermeldt in rov. 5.93 tweede gedachtestreepje, bepaalt art. 13.3 AV met betrekking tot die prijsopgave, voor zover hier van belang, dat tijdgebonden kosten (lees: vertragingskosten) alleen in rekening kunnen worden gebracht voor zover een bestekwijziging ingrijpt op het kritieke pad (lees uitgaande van de hiervoor besproken uitleg van de aannemingsovereenkomst door het hof: daadwerkelijk tot vertraging leidt). [22] Hieruit heeft het hof begrijpelijkerwijs afgeleid dat ook de vertragingskosten dienen te worden ingeprijsd bij de prijsopgave voor het uitvoeren van de bestekwijziging (lees: meerwerk). Dat is als zodanig een begrijpelijke, want navolgbare, gevolgtrekking uit genoemde bepalingen (die zelfs nogal voor de hand ligt, gelet op de kennelijke strekking van genoemde bepalingen, namelijk dat URW vooraf inzicht heeft in de omvang van de kosten van meerwerk). Verder dan een controle op ‘navolgbaarheid’ gaat de toetsing op begrijpelijkheid in cassatie niet.
Het voorgaande wordt niet anders door het in art. 9.3 aannemingsovereenkomst bepaalde. Die bepaling ziet als zodanig op het recht op termijnverlenging, zoals hiervoor aan de orde kwam. Zoals het hof in rov. 5.66 heeft overwogen, geeft die bepaling dat recht bij overmacht, een bestekwijziging en een ernstige toerekenbare tekortkoming van URW als opdrachtgever (mits dus leidende tot een daadwerkelijke vertraging). Achter de eerste zin van die bepaling staat tussen haakjes dat het recht op termijnverlenging niet ‘per definitie [het recht op] een kostenvergoeding’ betekent. Het ligt voor de hand dat, als het recht op termijnverlenging ontstaat door een bestekwijziging, die kostenvergoeding afhankelijk is van de regels die gelden voor een bestekwijzing en die kosten dus vooraf met een prijsopgave moeten worden ingeprijsd. De art. 13.2 e.v. AV gelden immers voor
allebestekwijzigingen. Art. 13.3 AV bevat bovendien een impliciete verwijzing naar art. 9.3 aannemingsovereenkomst door te bepalen dat tijdgebonden kosten (vertragingskosten) alleen in rekening kunnen worden gebracht voor zover een bestekwijziging ingrijpt op het kritieke pad. Beide bepalingen eisen dus dezelfde causaliteit (namelijk dat de event daadwerkelijk leidt tot vertraging).
Klaarblijkelijk is het voorgaande de gedachtegang van het hof geweest. Die gedachtegang is (goed) navolgbaar en dus begrijpelijk.
3.16
Op het voorgaande stuiten de klachten van de onderdelen 3 en 4 in hoofdzaak af. Subonderdeel 3.2 ziet eraan voorbij dat de tekst van art. 13.3 Av mede ziet op vertragingskosten en dus niet alleen op directe kosten, zoals het veronderstelt. Dit brengt het hof in rov. 5.93 tweede gedachtestreepje ook met zoveel woorden tot uitdrukking.
De subonderdelen 3.3-3.7 falen omdat het hof met zijn oordeel de daarin bedoelde stellingen van BNB heeft verworpen en dat om de juist hiervoor genoemde redenen niet onbegrijpelijk is. Subonderdeel 3.7 wijst erop dat BNB heeft aangevoerd dat de verplichting om bij een bestekwijziging vooraf de vertragingskosten op te geven, niet kan worden betrokken op het geval dat de bestekwijziging betrekking heeft op werkzaamheden die door een andere aannemer worden uitgevoerd (een nevenaannemer in de terminologie van de aannemingsovereenkomst). Die tegenwerping heeft het hof op begrijpelijke wijze halverwege rov. 5.94 verworpen met de overweging dat URW terecht heeft aangevoerd dat BNB niet heeft onderbouwd dat in dit geval van een dergelijke bestekwijziging sprake is geweest, door niet te vermelden op welke aan nevenaannemers opgedragen bestekwijzigingen haar betoog ziet. [23] Daarbij heeft het hof in het midden gelaten of art. 9.3 aannemingsovereenkomst mede ziet op bestekwijzigingen die aan nevenaannemers zijn opgedragen. [24] Tegen de overweging van het hof dat BNB niet heeft onderbouwd dat in dit geval van genoemde bestekwijziging sprake is geweest, bevat het middel, geen klacht.
De klacht van subonderdeel 3.8 faalt omdat uit het feit dat bij een toerekenbare tekortkoming als bedoeld in art. 9.3 aannemingsovereenkomst niet de eis geldt dat vooraf door BNB opgave is gedaan van de vertragingskosten – zoals het hof tot uitgangspunt neemt in rov. 5.96 –, niet volgt dat die eis evenmin zou gelden ten aanzien van bestekwijzingen als bedoeld in art. 9.3 aannemingsovereenkomst.
Subonderdeel 3.9 is ongegrond omdat de daardoor bestreden overweging van het hof in rov. 5.94 dat in het geval dat BNB voor de berekening van haar vertragingskosten gegevens van bijvoorbeeld andere nevenaannemers miste, het op haar weg had gelegen om deze gegevens zelf op te vragen (op grond van de Coördinatieovereenkomst) of om desnoods voor de zekerheid een ruime marge aan te houden in haar prognose van de vertraging en de daarop gebaseerde kostenopgave, niet onbegrijpelijk is en reeds daarom niet afdoet aan zijn uitleg van de aannemingsovereenkomst en de algemene voorwaarden. Het middel voert niet aan dat BNB gemotiveerd heeft gesteld dat deze wegen niet of onvoldoende begaanbaar voor haar waren, laat staan dat BNB daarop tegen URW een beroep heeft gedaan.
Subonderdeel 4.2 faalt omdat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de verplichting om vooraf de vertragingskosten op te geven heeft betrokken op de hier aan de orde zijnde gevallen dat het initiatief om tot een bestekwijzing te komen, niet van URW, maar van BNB zelf is uitgegaan. Het gaat in rov. 5.94 concreet om de events ‘obstakels in de grond’ en ‘aanrijdbeveiliging’ waarvan het hof eerder in rov. 5.56-5.60 overweegt dat deze URW aanleiding hadden behoren te geven tot een bestekwijziging. Het hof heeft die events in rov. 5.79 aangemerkt als bestekwijzigingen in de zin van art. 9.3 aannemingsovereenkomst (de andere events die het hof opsomt bij zijn slotsom in rov. 5.84 zijn volgens hem toerekenbare tekortkomingen van URW). Deze bestekwijzingen heeft BNB destijds bij URW aangevraagd, zoals het hof overweegt aan het slot van rov. 5.94. Dat de regels voor de bestekwijziging van art. 13.2 e.v. AV ook gelden voor een dergelijke bestekwijziging, ligt nogal voor de hand, althans is een begrijpelijk oordeel van het hof, gelet op de hiervoor in 3.15 eerste alinea (slot) tussen haakjes genoemde strekking van die regels.
De onderdelen 5 en 6
3.17
De onderdelen 5 en 6 komen op tegen rov. 5.96, dat als volgt luidt:
“5.96 Ten slotte heeft BNB een recht op termijnverlenging, en mogelijk op kostenvergoeding, in geval van omstandigheden die voor rekening en risico van URW komen. Daaraan moet dan wel een (ernstige) toerekenbare tekortkoming ten grondslag liggen. Het hof leest die term, net als in het arrest in de Fresh zaak (onder 3.25), zo dat het om een ernstige toerekenbare tekortkoming moet gaan, waarbij de haakjes niet aanduiden dat het om een “of of” situatie gaat (de toevoeging van de haakjes zou in dat geval zinledig zijn), maar om een specificatie en nadere aanduiding van de tekortkoming die aanspraak kan geven op termijnverlenging of bijbetaling. De basis van deze vordering is tevens het rapport van Vijverberg waarin de vertragingsevents zijn geformuleerd voor zover door BNB hier aangedragen. Hiervoor is overwogen dal voor zover deze vertragingsoorzaken (directe) vertragingskosten meebrachten deze niet tot vergoeding kunnen leiden omdat zij niet zijn ingeprijsd. Voor zover daarnaast nog gemaakte kosten zouden resteren volgt het hof het standpunt van URW dat de inhoud van de aanspraak leidend is en dat deze schade betreft. Voor vergoeding daarvan is alleen aanleiding bij een ernstige toerekenbare tekortkoming van URW die tot die schade heeft geleid. Artikel 34 van Pro de AV (zoals onder meer gewijzigd in artikel 16 kk Pro aannemingsovereenkomst) houdt in dat URW alleen voor directe schade aansprakelijk is (niet voor indirecte schade en gevolgschade). De rechtsvordering dienaangaande verjaart als BNB geen schriftelijke ingebrekestelling stuurt aan URW binnen één maand na het ontdekken of behoren te ontdekken van het tekortschieten. Niet gesteld of gebleken is dat BNB URW op enig moment in gebreke heeft gesteld, zodat BNB geen recht heeft op schadevergoeding wegens enige tekortkoming.”
3.18
De
subonderdelen 5.2 en 5.3klagen dat het hof in rov. 5.96 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de art. 7.3 en 9.3 aannemingsovereenkomst alsmede aan art. 13.1-13.3, 13.6 en 13.12 AV, omdat uit deze bepalingen niet op begrijpelijke wijze kan worden afgeleid dat een prijsopgave ook is vereist voor een kostenvergoeding ex art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst in geval van een (ernstige) toerekenbare tekortkoming zijdens URW. Het oordeel van het hof dat bij een (ernstige) toerekenbare tekortkoming een prijsopgave is vereist, is bovendien onbegrijpelijk omdat het zich niet verhoudt met rov. 5.93 en 5.94 waarin het hof het vereiste van een prijsopgave enkel afleidt uit het contractuele kader in geval van Bestekwijzigingen en daarin op geen enkele wijze vaststelt dat art. 9.3 aannemingsovereenkomst jo art. 13.1 13.3, 13.6 en 13.12 AV en de daaruit voortvloeiende eis van een prijsopgave ook geldt in geval van (ernstige) toerekenbare tekortkomingen zijdens URW.
Subonderdeel 6.2klaagt dat voor zover het hof met rov. 5.96 heeft geoordeeld dat aanspraken op kostenvergoeding wegens een (ernstige) toerekenbare tekortkoming op de voet van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst ook steeds worden beheerst door de verjaringsregeling van art. 34 AV Pro, dat oordeel onbegrijpelijk, althans voldoende gemotiveerd is. Art. 34 AV Pro ziet immers – naar het hof in rov. 5.52 ook zelf tot uitgangspunt neemt – op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Daarmee verhoudt zich niet dat de regeling ook ziet op alle contractuele vorderingen tot kostenvergoedingen op de voet van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst. Bovendien neemt het hof in rov. 5.96 (eerste en tweede zin) ook zelf tot uitgangspunt dat BNB recht heeft op termijnverlenging en kostenvergoeding in geval van omstandigheden die voor rekening en risico komen van URW waaronder een (ernstige) toerekenbare tekortkoming. Daarmee verhoudt zich niet op begrijpelijke wijze dat de op aansprakelijkheid voor schadevergoeding betrekking hebbende verjaringsregeling van art. 34 AV Pro ook aan die contractuele kostenvergoeding in de weg zou kunnen staan. In ieder geval is een dergelijk oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof dan niet kenbaar heeft gerespondeerd op het gemotiveerde betoog van BNB dat art. 34 AV Pro enkel ziet op aansprakelijkheid van URW voor schadevergoeding bij (ernstige) toerekenbare tekortkomingen en dus niet op contractuele aanspraken op kostenvergoeding op de voet van art. 7.3 jo 9.3 aannemingsovereenkomst. [25]
3.19
Het oordeel van het hof in rov. 5.96 komt op het volgende neer. Het hof stelt in de vierde zin van die rechtsoverweging voorop dat de grondslag van de vordering met betrekking tot de toerekenbare tekortkomingen van URW is te vinden in het rapport Vijverberg. In de vijfde zin merkt het hof op dat het eerder heeft overwogen dat de ‘(directe) vertragingskosten’ alleen voor vergoeding in aanmerking komen als deze zijn ingeprijsd, waarmee het dus terugwijst naar rov. 5.94, waarin het aldus oordeelt met betrekking tot de vertragingskosten door bestekwijzigingen. Het hof vervolgt dat zover daarnaast nog gemaakte kosten zouden resteren – het hof acht de vordering van BNB op dit kennelijk niet duidelijk (worden die kosten door haar gevorderd?) –, het hof het standpunt van URW volgt dat de inhoud van de aanspraak leidend is en dat deze schade betreft. Deze overweging komt erop neer dat het hof in het kader van de aannemingsovereenkomst vertragingskosten door een toerekenbare tekortkoming aanmerkt als schade en de vordering terzake dus als betrekking hebbend op schadevergoeding. [26] Daarna stelt het hof vast dat art. 34 AV Pro alleen recht geeft op vergoeding van directe schade en niet van indirecte schade en gevolgschade, welke vaststelling overeenkomt met de tekst van art. 34.2 AV – dat hiervoor in 2.1 onder (v) is aangehaald. Voorts stelt het hof vast, overeenkomstig art. 34.3 AV – dat eveneens hiervoor in 2.1 onder (v) is aangehaald – dat de rechtsvordering met betrekking tot de schadevergoeding verjaart als BNB geen schriftelijke ingebrekestelling stuurt aan URW binnen één maand na het ontdekken of behoren te ontdekken van het tekortschieten en dat gesteld noch gebleken is dat BNB URW op enig moment in gebreke heeft gesteld. Volgens het hof heeft BNB daarom geen recht heeft op schadevergoeding wegens enige tekortkoming.
3.2
Zoals uit het voorgaande volgt, gaan de klachten van de subonderdelen 5.2-5.3 uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof en falen ze dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de subonderdelen veronderstellen, oordeelt het hof niet in rov. 5.96 dat bij een (ernstige) toerekenbare tekortkoming een voorafgaande opgave van de vertragingskosten vereist is. Het hof overweegt dat vertragingskosten slechts bij bestekwijzingen aan de orde zijn en dat dergelijke kosten voor het overige slechts als schadevergoeding voor vergoeding in aanmerking komen, maar niet in dit geval, gelet op de ingetreden verjaring ex art. 34.3 AV. [27]
3.21
Subonderdeel 6.2 faalt omdat de uitleg van de aannemingsovereenkomst en de algemene voorwaarden door het hof ook in dit verband niet onbegrijpelijk is. De tekst van art. 7.3 maakt geen verschil tussen kosten- en schadevergoedingen. Art. 34 AV Pro regelt blijkens art. 34.1 AV de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor ‘schade geleden door de Aannemer, hoe ook genaamd’, als gevolg van een toerekenbare tekortkoming, wat niets aan duidelijkheid te wensen lijkt over te laten. Zoals uit het voorgaande volgt, gaat het hier om dergelijke schadevergoeding. Het oordeel van het hof is dus (goed) te volgen.
Slotsom
3.22
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1139 (art. 81 RO Pro).
2.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.11 van het arrest van het hof. Niet alle daar vermelde feiten zijn in cassatie nog van belang. Feiten die in cassatie niet meer van belang zijn (te weten die welke door het hof zijn vermeld in rov. 3.3-3.4, een deel van rov. 3.6, rov. 3.8 en 3.10-3.11), zijn hier weggelaten.
3.Zaak- en rolnummer C/13/688387 / HA ZA 20-845 bij de rechtbank, zaaknummer 200.318.718/01 bij het hof.
4.Zaak- en rolnummer C/13/703078 / HA ZA 21-540 bij de rechtbank, zaaknummers 200.318.703/01 en 200.318.718/01 bij het hof.
5.In eerste aanleg is uitsluitend Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V. gedagvaard. Deze vennootschap is gesplitst. Daarom heeft BNB in hoger beroep mede URW Nederland winkels 2 B.V. gedagvaard en hebben deze twee vennootschappen zelfstandig hoger beroep ingesteld. In navolging van het hof zijn hiervoor en worden hierna (ook) de beide vennootschappen tezamen steeds aangeduid als URW in enkelvoud.
6.Rb. Amsterdam 6 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3712.
7.Vgl. voor de gewijzigde vorderingen rov. 2 van het arrest van het hof.
8.Hof Amsterdam 18 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:669.
9.De procesinleiding in cassatie is op 18 juni 2025 ingediend bij de Hoge Raad.
10.Vgl. bijv. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, m.nt. S. Perrick, rov. 3.4. Vgl. ook HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.2, onder d.
11.Vgl. voor e.e.a. bijv. mijn conclusie in zaak 22/03389, ECLI:NL:PHR:2023:743, onder 3.3-3.6, met verdere verwijzingen.
12.Onder 1.1, 2.1, 2.2, 3.1, 4.1, 5.1 en 6.1 bevat het middel geen klachten.
13.De procesinleiding verwijst daarbij naar de memorie van antwoord van BNB, onder 28-30, 35-36, 38, en 42-43, en haar dagvaarding, onder 2.8 sub ii, 2.129 en 2.133.
14.Het subonderdeel verwijst naar de memorie van antwoord van BNB onder 29-30.
15.De subonderdelen verwijzen hier in conventie (via de memorie van grieven van BNB onder 276-280) naar inleidende dagvaarding van BNB onder 6.56-6.270 en in reconventie naar de memorie van antwoord van BNB onder 175-176, de inleidende dagvaarding van BNB, hoofdstuk 6 (zie opnieuw onder 6.56-6.270) en haar conclusie van antwoord in reconventie onder 5.23-5.24, waarin zij ter voorkoming van herhaling heeft verwezen naar haar stellingen in de dagvaarding.
16.Het subonderdeel verwijst hier naar de inleidende dagvaarding van BNB onder 6.50 sub i en ii.
17.Het subonderdeel verwijst hierbij naar de Akte overlegging aanvullende producties en vermeerdering van eis van 17 februari 2022 van BNB, onder 2.1 en 3.4, de spreekaantekeningen van 17 februari 2022 van BNB, onder 2.3, haar memorie van antwoord onder 81, 100, 102, 179, 182-183 en 245 en voetnoot 246, en haar memorie van grieven onder 246 en voetnoot 117.
18.Zie het heldere betoog op dit punt in de memorie van grieven van URW onder 116-119, dat het hof dus klaarblijkelijk op het oog heeft.
19.Zie de rode balken in die figuren, die de daadwerkelijke vertraging aangeven. Deze rode balken staan in de meeste gevallen onder de blauwe balken van de events die het hof noemt in rov. 5.70, welke blauwe balken de duur van de werkzaamheden aangeven die met die events waren gemoeid. Ten aanzien van twee events (t.w. ‘De start van de afbouwwerkzaamheden door Derden’ (figuur 72) en ‘Laat contracteren [nevenaannemer]’ (figuur 75)) is dat anders omdat de vertraging daar niet door de latere
20.Zie die figuren en hetgeen daarover in de vorige voetnoot is opgemerkt. Die andere events leiden in de figuren niet tot rode balken.
21.Subonderdeel 3.3 verwijst hiervoor naar de memorie van grieven van BNB onder 281-285 en 287-290.
22.Art. 13.3 AV – dat door rechtbank en hof niet bij de vaststaande feiten is aangehaald en daarom hiervoor in 2.1 niet is weergegeven – wordt in de cassatiestukken aangehaald onder 65 van de schriftelijke toelichting namens URW.
23.Vgl. voor dit verweer van URW haar memorie van antwoord onder 294 (“In dit hoger beroep neemt BNB verder het standpunt in dat een Bestekswijziging die URW heeft opgedragen aan een andere Nevenaannemer en die tijdsimpact heeft op de Mijlpaal Opening, een aanspraak op termijnsverlenging voor BNB oplevert. BNB onderbouwt echter op geen enkele wijze om welke Bestekswijzigingen het hier gaat en waarom deze Bestekswijzigingen het kritieke pad van haar eigen werkzaamheden zouden hebben verstoord”).
24.In de zaak Fresh, die inmiddels met het hiervoor in 1.2 al genoemde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1139, is geëindigd, heeft het hof beslist dat dit niet het geval is. Zie Hof Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:93, rov. 3.41. Deze beslissing heeft, als zij dragend is voor de uitkomst van de Fresh-zaak, (inmiddels) gezag van gewijsde tussen partijen.
25.Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven van BNB onder 81-84, 366 en 383-384.
26.Aldus luidt het door URW ingenomen standpunt in haar memorie van antwoord onder 244-246, waarop het hof kennelijk het oog heeft.
27.Het oordeel van het hof dat art. 34 AV Pro alleen recht geeft op vergoeding van directe schade en niet van indirecte schade en gevolgschade, lijkt te impliceren dat vertragingskosten ook op die grond niet voor vergoeding in aanmerking komen.