ECLI:NL:PHR:2026:43

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
25/02392
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van gezag aan de vader om betrokkenheid bij het leven van de minderjarige te waarborgen

In deze zaak verzoekt de vader om betrokkenheid bij het leven van zijn minderjarige kind, maar wordt hierin tegengewerkt door de moeder. De rechtbank heeft de vader mede met het gezag over de minderjarige belast om te voorkomen dat hij geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. De moeder gaat in cassatie tegen deze beslissing, maar het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De moeder heeft verzuimd de vader te informeren over het welzijn van de minderjarige en heeft hem niet betrokken bij de opvoeding. Het hof oordeelt dat het toekennen van gezamenlijk gezag noodzakelijk is om het recht op 'family life' van de vader te waarborgen. De moeder heeft geen medewerking verleend aan de omgang tussen de vader en de minderjarige, wat leidt tot de conclusie dat het gezag de enige manier is voor de vader om informatie te verkrijgen en contact te hebben met zijn kind. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep van de moeder moet worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02392
Zitting23 januari 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
verzoekster tot cassatie
tegen
[de vader] ,
hierna: de vader,
verweerder in cassatie

1.Inleiding

1.1
Deze zaak gaat over een vader die omgang met en informatie over zijn kind wenst te krijgen maar daarin wordt tegengewerkt door de moeder. In navolging van de rechtbank heeft het hof de vader mede met het gezag over de minderjarige belast om te voorkomen dat hij geheel uit het leven van de minderjarige wordt geweerd. De moeder betoogt in cassatie, m.i. tevergeefs, dat het hof heeft nagelaten om te onderzoeken of het recht van de vader op ‘family life’ met de minderjarige kan worden verwezenlijkt door middel van zijn recht op informatie (art. 1:377b en 1:377c BW) en recht op omgang (art. 1:377a BW), zonder hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige (art. 1:253c BW).

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. [1] Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2017 (hierna: de minderjarige). De minderjarige woont bij de moeder.
2.2
Bij verzoekschrift van 14 december 2017 heeft de vader de rechtbank verzocht om, kort gezegd, hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van de minderjarige, een opbouwende omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen, (na erkenning van de minderjarige) hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige en te bepalen dat de moeder hem maandelijks dient te informeren over het welzijn van de minderjarige.
2.3
De moeder heeft verweer gevoerd en primair verzocht om de verzoeken van de vader af te wijzen dan wel subsidiair om een raadsonderzoek te gelasten omtrent de erkenning, het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling.
2.4
De vader heeft middels een provisionele voorziening verzocht om een voorlopige omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen.
2.5
Bij beschikking van 24 januari 2018 heeft de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) een bijzondere curator benoemd ten behoeve van de minderjarige en is iedere verdere beslissing aanhouden.
2.6
Bij beschikking van 21 juni 2018 heeft de rechtbank de vader vervangende toestemming verleend om de minderjarige te erkennen en is iedere verdere beslissing aangehouden. [2] Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd. [3]
2.7
Bij beschikking van 14 augustus 2018 heeft de rechtbank de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht om rapport en advies uit te brengen omtrent de omgangsregeling en is iedere verdere beslissing aangehouden. [4]
2.8
Bij beschikking van 11 juni 2019 heeft de rechtbank een Begeleide Omgangsregeling (BOR) bepaald zoals geadviseerd in het raadsrapport en is iedere verdere beslissing aangehouden. [5] Deze BOR-regeling is niet van de grond gekomen.
2.9
Bij beschikking van 24 juli 2019 heeft de rechtbank de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg tot 24 juli 2020.
2.1
Bij beschikking van 7 februari 2020 heeft de rechtbank aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzocht te bemiddelen bij de benoeming van een onafhankelijke deskundige ter beantwoording van een 12-tal vragen. [6]
2.11
Bij beschikking van 10 juni 2020 heeft de rechtbank deskundigen benoemd om onderzoek te verrichten. [7]
2.12
Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat een milieuonderzoek noodzakelijk is en het NIFP gevraagd om te bemiddelen bij de benoeming van een onafhankelijke deskundige. Iedere verdere beslissing is aangehouden. [8]
2.13
Bij beschikking van 12 augustus 2021 heeft de rechtbank een forensisch milieurapporteur benoemd. [9]
2.14
Na ontvangst van het milieurapport heeft de rechtbank bij beschikking van 10 augustus 2022 de vader in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise te laten uitvoeren en daarvan een rapport te overleggen. [10]
2.15
Bij eindbeschikking van 14 mei 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om bij wijze van een provisionele voorziening een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. In de bodemzaak heeft de rechtbank bepaald dat aan de vader voortaan mede het gezag over de minderjarige zal toekomen. Verder is bepaald dat de moeder de vader maandelijks dient te informeren over het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige, waaronder zijn schoolgang, sport, hobby’s, ziekte en medische aangelegenheden, en eenmaal per halfjaar een recente foto van de minderjarige aan de vader dient te sturen. De moeder is veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan de informatieplicht voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. Het meer of anders verzochte is afgewezen, waaronder het verzoek van de vader om een omgangsregeling te bepalen. [11]
2.16
De moeder is in hoger beroep gekomen van deze eindbeschikking. Zij heeft gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het gezag, de haar opgelegde informatieplicht en de daaraan gekoppelde dwangsom.
2.17
De vader heeft verweer gevoerd en op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de omgang en de daarmee verband houdende statusvoorlichting.
2.18
De moeder heeft verweer gevoerd in het incidentele hoger beroep.
2.19
Bij beschikking van 3 april 2025 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de eindbeschikking van de rechtbank bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het meer of anders verzochte afgewezen. [12]
2.2
De moeder heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking). De man heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van de moeder bestrijdt de beslissing van het hof om de vader op grond van art. 1:253c BW mede te belasten met het gezag over de minderjarige. Het hof heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:
‘5.4.2. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot de bestreden beslissing hebben geleid en neemt die na eigen onderzoek en afweging over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4.3.
Het hof kan niet anders dan concluderen dat de moeder de vader op geen enkele wijze de mogelijkheid biedt om als vader betrokken te zijn bij het leven van [de minderjarige] . Vast staat dat de vader [de minderjarige] nog nooit heeft gezien; de procedure in eerste aanleg heeft ruim zeven jaar geduurd maar heeft niet geleid tot een fysiek contactmoment. Ondanks het bepaalde in de bestreden beschikking heeft de moeder de vader niet geïnformeerd over [de minderjarige] en zijn de dwangsommen verbeurd. De vader is niet bekend met het woonadres van [de minderjarige] en ook weet hij niet waar [de minderjarige] naar school gaat of bij welke huisarts hij is ingeschreven. De moeder heeft na de uitspraak van de rechtbank nagelaten de vader te betrekken bij de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] , althans zij heeft op geen enkele manier contact daarover opgenomen met de vader. Ook heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende wettelijke informatieverplichting, door de vader bijvoorbeeld de gegevens over de school van [de minderjarige] te onthouden.
Hoewel gezamenlijk gezag van deze ouders het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag er in dit geval toe dat de andere ouder geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. Het hof is van oordeel dat in dit geval het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten is die de rechter kan benutten om het recht op ‘family life’ tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. Het toekennen van gezag lijkt in dit geval de enige manier voor de vader te zijn om op zijn minst informatie over [de minderjarige] te krijgen en indien dat mogelijk is, dit ook uit te breiden naar contact waar [de minderjarige] ook recht op heeft. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, zijn er naar het oordeel van het hof geen indicaties dat de vader zijn gezag zal misbruiken. Het hof ziet dat de moeder met PTSS-gerelateerde klachten kampt, los van de vraag of de diagnose PTSS terecht is gesteld en wat de oorzaak is van die klachten die de moeder in de loop van de jaren heeft ontwikkeld. De klachten zijn bevestigd door diverse deskundigen in de door de rechtbank bevolen onderzoeken. Het onderhavige hof heeft reeds in de beschikking van 25 april 2019 (over de erkenning) het opvallend geacht dat de beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader en de psychische problemen waarmee de moeder kampt steeds verder toenamen naarmate de rol van de vader groeide. Voor de toename van de klachten heeft de moeder een uitleg gegeven (de aanwezigheid van de vader in haar leven als trigger), voor de steeds verder gaande beschuldigingen niet. Dat is zorgelijk. Het ligt op de weg van de moeder om in het belang van [de minderjarige] , te zoeken naar een manier waarop de vader een rol in zijn leven kan spelen. Dit omdat het voor (de identiteitsontwikkeling van) [de minderjarige] van essentieel belang is om te weten wie zijn vader is; het gezag is daarbij een eerste minimale stap. De moeder moet er dus alles aan te doen om ervoor te zorgen dat er een plek voor de vader in het leven van [de minderjarige] is. Zij kan en moet hulp zoeken om dit op een manier te doen die voor haar en [de minderjarige] het minst belastend is. Nu het hof een eindbeslissing zal geven staat in ieder geval de procedure niet meer in de weg aan de benodigde therapie. De moeder heeft bovendien al praktische hulp ingeschakeld om haar te ondersteunen. Het hof is daarom van oordeel dat het gezamenlijk gezag van haar gevergd kan worden.
Haar grieven falen op dit punt en het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt bekrachtigen.’
3.2
Het cassatiemiddel heeft betrekking op het oordeel van het hof dat het toekennen van gezag in dit geval de enige manier voor de vader lijkt te zijn om op zijn minst informatie over de minderjarige te krijgen en, indien dat mogelijk is, dit ook uit te breiden naar contact, waar de minderjarige ook recht op heeft, alsmede het oordeel van het hof dat eenhoofdig gezag van de moeder in dit geval ertoe leidt dat de vader geheel uit het leven van de minderjarige wordt geweerd (rov. 5.4.2 (in verbinding met rov. 4.4 van de eindbeschikking van de rechtbank) en rov. 5.4.3). Volgens het middel heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de beslissing van het hof onbegrijpelijk. Het middel voert hiervoor, kort gezegd, het volgende aan. Het hof heeft miskend dat de vader ook als niet met het gezag belaste ouder informatie over de minderjarige kan krijgen op grond van zijn recht op informatie (art. 1:377b en 1:377c BW) en contact met de minderjarige kan hebben op grond van zijn recht op omgang (art. 1:377a BW). Het hof heeft nagelaten om te onderzoeken of het recht van de vader op ‘family life’ met de minderjarige verwezenlijkt kan worden door middel van zijn recht op informatie en recht op omgang, zonder hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige.
3.3
Op zichzelf genomen neemt het middel terecht tot uitgangpunt dat voor de uitoefening van het recht op informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van een minderjarige (art. 1:377b en 1:377c BW) en het recht op omgang met een minderjarige (art. 1:377a BW), het niet noodzakelijk is dat een ouder ook met het gezag over de minderjarige wordt belast (art. 1:253c BW). Nu in dit geval de vader de minderjarige met vervangende rechterlijke toestemming heeft erkend, komt hem, ook als ouder zonder gezag, het recht op informatie over de minderjarige toe evenals het recht op omgang met de minderjarige. Uit de bestreden beschikking komt echter naar voren dat de moeder het de vader onmogelijk maakt om zijn recht op informatie en recht op omgang daadwerkelijk uit te oefenen om daarmee het recht op ‘family life’ tussen de vader en de minderjarige te verwezenlijken. Ik wijs hiervoor op rov. 5.8.2 van de bestreden beschikking:
‘(…) Na zeven jaar weet de vader, ondanks de lopende juridische procedures, niets over [de minderjarige] en ook heeft de moeder het hem onmogelijk gemaakt om informatie op te vragen. (…) Tijdens de mondelinge behandeling van het hof is (…) gebleken dat de vader van de moeder (de grootvader van [de minderjarige] moederszijde) namens haar de dwangsommen voldoet (omdat zij de informatieplicht niet nakomt (…)’.
De door de rechtbank bij eindbeschikking van 14 mei 2024 aan de moeder, onder verbeurte van een dwangsom, opgelegde informatieverplichting is dus vruchteloos gebleken. Ook de omgang tussen de vader en de minderjarige is niet van de grond gekomen. Ik wijs hiervoor op rov. 5.12.5 van de bestreden beschikking:
‘(…) Net als de raad is het hof van oordeel dat het gebrek aan statusvoorlichting en de onmogelijkheid om dit op dit moment op een zorgvuldige manier voor [de minderjarige] te organiseren, de belaste voorgeschiedenis, het gebrek aan contact en communicatie en de weigerachtige houding van de moeder op dit moment een belemmering zijn voor (begeleide) omgang, waar ook een rol voor de moeder zou zijn weggelegd in de begeleiding van [de minderjarige] thuis.’
Deze overwegingen van het hof sluiten aan bij die van de rechtbank in de eindbeschikking:
‘4.2. (…) Bovendien is het de rechtbank inmiddels heel duidelijk geworden dat de moeder geen enkele rol wenst voor de vader in het leven van [de minderjarige] . Zij biedt daarvoor nog niet de kleinste opening, ondanks dat de vader netjes alle juridische wegen heeft gevolgd en zich op geen enkele manier, al die jaren dat deze procedure al loopt, grensoverschrijdend heeft gedragen richting de moeder en/of [de minderjarige] . (…)
De moeder heeft meermaals te kennen gegeven dat [de minderjarige] zijn vader niet nodig heeft en dat hij prima kan opgroeien zonder zijn vader. (…) (…) tijdens de zitting op 24 april 2018 heeft de moeder, daarnaar gevraagd, aangegeven ‘ik ben niet bereid er aan te werken om de vader een rol te geven in het leven van [de minderjarige] ’.
(…) dat de rechtbank, los van de vraag of de diagnose PTSS terecht is gesteld, vooral een moeder ziet die op geen enkele wijze de vader een plek in het leven van [de minderjarige] wil geven. (…)
4.3. (…)
De uiteindelijke conclusie moet dan ook zijn dat de door moeder gestelde PTSS niet is komen vast te staan en haar verzet tegen omgang tussen de vader en [de minderjarige] moet worden gezien als weerstand en onwil. (…)
De moeder zal ook op geen enkele wijze meewerken aan omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. De rechtbank komt hiermee tot de trieste conclusie dat in deze zaak het recht geen oplossing biedt. (…).
4.6. (…)
Hoewel er in de basis geen contra-indicaties zijn voor het bepalen van een omgangsregeling, ziet de rechtbank op dit moment daartoe geen enkele mogelijkheid. Het staat wel vast dat de moeder haar medewerking hieraan niet zal verlenen.
(…)
Het probleem in deze zaak is echter dat [de minderjarige] geen weet heeft van het bestaan van zijn vader en dus nooit contact met hem heeft gehad. Er zal dus eerst statusvoorlichting gegeven moeten worden en daarna zou een omgangsregeling opgebouwd moeten worden. Gelet op het hele verloop van deze procedure wordt dit waarschijnlijk een heel lange opbouw. Het nog langer laten voortduren van deze procedure acht de rechtbank, als eerder overwogen, niet wenselijk. Bovenal echter verwacht de rechtbank dat ook een BOR 3 geen oplossing biedt en er geen omgang tot stand gebracht kan worden, gelet op de complexiteit van de problematiek. Het verbinden van een dwangsom hieraan, maakt dat niet anders en biedt geen perspectief. De rechtbank ziet in deze procedure geen enkele mogelijkheid om tot omgang te komen. Het verzoek van de vader zal, voor nu en bij deze stand van zaken, dan ook worden afgewezen.’
3.4
Dit levert een zorgelijke situatie op waarbij de moeder om haar moverende redenen ervoor kiest om de vader willens en wetens buiten beeld van de minderjarige te houden. Nu het hof heeft vastgesteld dat het voor de vader niet mogelijk is gebleken om zijn recht op informatie en recht op omgang daadwerkelijk uit te oefenen omdat de moeder hem daarin tegenwerkt, is het hof van oordeel dat het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten is die kan worden benut om het recht op ‘family life’ tussen de vader en de minderjarige toch te verwezenlijken. Dit oordeel van het hof geeft blijk van een juiste rechtsopvatting. [13] Het toekennen van gezag lijkt naar het oordeel van het hof de enige manier voor de vader te zijn om op zijn minst informatie over de minderjarige te krijgen en, indien dat mogelijk is, dit ook uit te breiden naar contact waar de minderjarige ook recht op heeft (rov. 5.4.3).
3.5
Gelet op het voorgaande kan ik het middel niet volgen waar het betoogt dat het hof heeft nagelaten om te onderzoeken of het recht van de vader op ‘family life’ met de minderjarige kan worden verwezenlijkt op grond van zijn recht op informatie (art. 1:377b en 1:377c BW) en recht op omgang (art. 1:377a BW), zonder hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige (art. 1:253c BW). Uit de hiervoor aangehaalde rov. 5.8.2 en 5.12.5 van de bestreden beschikking blijkt immers genoegzaam dat het hof deze mogelijkheden uitdrukkelijk heeft onderzocht, maar gelet op de weigerachtige houding van de moeder om de vader in staat te stellen om zijn recht op informatie en recht op omgang daadwerkelijk uit te oefenen, in rov. 5.4.3 van de bestreden beschikking ervoor heeft gekozen om de vader mede met het gezag te belasten om te voorkomen dat hij geheel uit het leven van de minderjarige wordt geweerd. De klacht faalt dan ook.
3.6
Ik geef de Hoge Raad in overweging om de zaak af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 3.1 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van 3 april 2025 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2025:948.
2.Rb. Limburg 21 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:5877.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1530.
4.Rb. Limburg 14 augustus 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:7651.
5.Rb. Limburg 11 juni 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:533.
6.Rb. Limburg 7 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:957.
7.Rb. Limburg 10 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:10700.
8.Rb. Limburg 16 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:10192.
9.Rb. Limburg 12 augustus 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:6380.
10.Rb. Limburg 10 augustus 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:6127.
11.Rb. Limburg 14 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:3382.
12.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:948.
13.Zie HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:533, NJ 2020/167, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1.6.