Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Hoewel gezamenlijk gezag van deze ouders het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag er in dit geval toe dat de andere ouder geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. Het hof is van oordeel dat in dit geval het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten is die de rechter kan benutten om het recht op ‘family life’ tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. Het toekennen van gezag lijkt in dit geval de enige manier voor de vader te zijn om op zijn minst informatie over [de minderjarige] te krijgen en indien dat mogelijk is, dit ook uit te breiden naar contact waar [de minderjarige] ook recht op heeft. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, zijn er naar het oordeel van het hof geen indicaties dat de vader zijn gezag zal misbruiken. Het hof ziet dat de moeder met PTSS-gerelateerde klachten kampt, los van de vraag of de diagnose PTSS terecht is gesteld en wat de oorzaak is van die klachten die de moeder in de loop van de jaren heeft ontwikkeld. De klachten zijn bevestigd door diverse deskundigen in de door de rechtbank bevolen onderzoeken. Het onderhavige hof heeft reeds in de beschikking van 25 april 2019 (over de erkenning) het opvallend geacht dat de beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader en de psychische problemen waarmee de moeder kampt steeds verder toenamen naarmate de rol van de vader groeide. Voor de toename van de klachten heeft de moeder een uitleg gegeven (de aanwezigheid van de vader in haar leven als trigger), voor de steeds verder gaande beschuldigingen niet. Dat is zorgelijk. Het ligt op de weg van de moeder om in het belang van [de minderjarige] , te zoeken naar een manier waarop de vader een rol in zijn leven kan spelen. Dit omdat het voor (de identiteitsontwikkeling van) [de minderjarige] van essentieel belang is om te weten wie zijn vader is; het gezag is daarbij een eerste minimale stap. De moeder moet er dus alles aan te doen om ervoor te zorgen dat er een plek voor de vader in het leven van [de minderjarige] is. Zij kan en moet hulp zoeken om dit op een manier te doen die voor haar en [de minderjarige] het minst belastend is. Nu het hof een eindbeslissing zal geven staat in ieder geval de procedure niet meer in de weg aan de benodigde therapie. De moeder heeft bovendien al praktische hulp ingeschakeld om haar te ondersteunen. Het hof is daarom van oordeel dat het gezamenlijk gezag van haar gevergd kan worden.
Haar grieven falen op dit punt en het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt bekrachtigen.’
De moeder heeft meermaals te kennen gegeven dat [de minderjarige] zijn vader niet nodig heeft en dat hij prima kan opgroeien zonder zijn vader. (…) (…) tijdens de zitting op 24 april 2018 heeft de moeder, daarnaar gevraagd, aangegeven ‘ik ben niet bereid er aan te werken om de vader een rol te geven in het leven van [de minderjarige] ’.
(…) dat de rechtbank, los van de vraag of de diagnose PTSS terecht is gesteld, vooral een moeder ziet die op geen enkele wijze de vader een plek in het leven van [de minderjarige] wil geven. (…)
De moeder zal ook op geen enkele wijze meewerken aan omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. De rechtbank komt hiermee tot de trieste conclusie dat in deze zaak het recht geen oplossing biedt. (…).
Het probleem in deze zaak is echter dat [de minderjarige] geen weet heeft van het bestaan van zijn vader en dus nooit contact met hem heeft gehad. Er zal dus eerst statusvoorlichting gegeven moeten worden en daarna zou een omgangsregeling opgebouwd moeten worden. Gelet op het hele verloop van deze procedure wordt dit waarschijnlijk een heel lange opbouw. Het nog langer laten voortduren van deze procedure acht de rechtbank, als eerder overwogen, niet wenselijk. Bovenal echter verwacht de rechtbank dat ook een BOR 3 geen oplossing biedt en er geen omgang tot stand gebracht kan worden, gelet op de complexiteit van de problematiek. Het verbinden van een dwangsom hieraan, maakt dat niet anders en biedt geen perspectief. De rechtbank ziet in deze procedure geen enkele mogelijkheid om tot omgang te komen. Het verzoek van de vader zal, voor nu en bij deze stand van zaken, dan ook worden afgewezen.’