Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:415

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
26/00039
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 2:1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling actualiteit medische verklaring bij verlening zorgmachtiging Wvggz

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 8 oktober 2025 een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden aan betrokkene. Betrokkene maakte bezwaar tegen de zorgmachtiging, met name omdat de medische verklaring waarop deze was gebaseerd ruim vijf maanden oud was en volgens hem niet actueel meer kon zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de medische verklaring voldoende actueel was, mede op basis van een schriftelijke update van de behandelend psychiater en hetgeen ter zitting naar voren kwam.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de medische verklaring actueel was en dat een niet-onafhankelijke psychiater de verklaring niet kan actualiseren. De Hoge Raad overweegt dat de wet geen vaste houdbaarheidstermijn kent voor medische verklaringen en dat het aan de rechter is om te beoordelen of een verklaring nog actueel is, mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank de medische verklaring als voldoende actueel heeft beoordeeld en de schriftelijke update van de behandelend psychiater niet als actualisering heeft gezien, omdat dat niet nodig was. De klachten van betrokkene falen, omdat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en het oordeel niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging wordt bevestigd op basis van een voldoende actuele medische verklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00039
Zitting17 april 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. Namens betrokkene is ter zitting bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de zorgmachtiging, onder andere omdat de medische verklaring, die ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank ruim vijf maanden oud was, niet meer actueel zou zijn. De rechtbank heeft dit verweer beoordeeld en verworpen. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat de medische verklaring voldoende actueel is, waarbij de rechtbank op basis van een schriftelijke update van de behandelend psychiater van betrokkene en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen heeft vastgesteld dat de situatie van betrokkene sinds het opstellen van de medische verklaring niet ten positieve is gewijzigd. In cassatie wordt tegen dit oordeel van de rechtbank opgekomen. Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat een medische verklaring niet kan worden geactualiseerd door een deskundige (psychiater) die niet voldoet aan de vereisten van art. 5:7, onder c en d, Wvggz (onderdeel 1) en dat de rechtbank derhalve geen zorgmachtiging had mogen verlenen (onderdeel 2).
1.2
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag de rechter slechts een zorgmachtiging verlenen indien uit een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater over
de actuele gezondheidstoestandvan de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. De wet kent geen algemene regel voor een houdbaarheidstermijn voor de medische verklaring.
1.3
De rechtbank heeft in deze zaak geoordeeld dat de medische verklaring voldoende actueel is. Ik begrijp de rechtbank aldus dat zij dat oordeel baseert op de schriftelijke update van de behandelend psychiater van betrokkene in combinatie met hetgeen ter zitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft onderzocht of de verklaring de actuele gezondheidstoestand van betrokkene weergeeft en is tot het oordeel gekomen dat dit het geval is.
1.4
Voor zover in cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank zich ervan bewust was dat een actuele medische verklaring ontbrak, mist de klacht daarom feitelijke grondslag, daar de rechtbank (juist) heeft geoordeeld dat zij de medische verklaring voldoende actueel acht. De rechtbank heeft de schriftelijke update van de behandelend psychiater niet opgevat als een actualisering van de medische verklaring, nu bij een voldoende actuele medische verklaring actualisering niet nodig was. Daarbij merk ik op dat in cassatie niet wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring van ruim vijf maanden oud voldoende actueel was, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Overigens meen ik dat de motivering van de rechtbank op dit punt, in het licht van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, de toets der kritiek kan doorstaan.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 1 oktober 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank) verzocht om een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor zes maanden.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn onder andere overgelegd:
- Het zorgplan van 23 april 2025;
- De medische verklaring van 23 april 2025 (ondertekend door de onafhankelijk psychiater op 26 april 2025);
- De bevindingen van de geneesheer-directeur van 30 april 2025;
- Het trajectconsult van 26 februari 2025;
- Het historisch overzicht van het openbaar ministerie van 27 februari 2025;
- Een uittreksel van de justitiële documentatie van 28 februari 2025;
- Een “update van de behandeling” van 15 september 2025.
2.3
De rechtbank (meervoudig) heeft het verzoek behandeld op 8 oktober 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de officier van justitie, een psychiater en een maatschappelijk werker. [2] Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij beschikking van 8 oktober 2025 [3] (hierna:
de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met uiterlijk 8 april 2026. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
“5.7. Wat namens betrokkene als verweer is aangevoerd maakt dit niet anders. de medische verklaring is naar het oordeel van de rechtbank voldoende actueel. Hoewel de medische verklaring van eind april 2025 dateert, stelt de rechtbank op basis van de update van [de psychiater] en hetgeen op zitting naar voren is gekomen vast dat de situatie waarin betrokkene zich bevindt, sindsdien niet ten positieve gewijzigd is.
5.8.
De rechtbank komt tot de conclusie dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De zorgmachtiging zal dan ook worden verleend.”
2.5
Namens betrokkene is op 7 januari 2026 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatieberoep bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 5.7. van de bestreden beschikking en klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank heeft miskend dat een medische verklaring niet kan worden geactualiseerd door een deskundige (psychiater) die niet voldoet aan de vereisten van art. 5:7, onder c en d, Wvggz. Onderdeel 2 richt zich tegen r.o. 5.8. van de bestreden beschikking en klaagt dat de rechtbank bij gebreke van een actuele medische verklaring door een onafhankelijk psychiater ten onrechte tot de conclusie komt dat de zorgmachtiging kan worden verleend, omdat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Daarmee heeft de rechtbank de zorgmachtiging op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden toegewezen, aldus het tweede onderdeel.
3.2
Voordat ik beide onderdelen zal bespreken, stel ik het volgende voorop met betrekking tot (de houdbaarheidstermijn van) de medische verklaring en de mogelijkheid tot actualisering van de medische verklaring.
3.3
De rechter moet bij zijn beoordeling van het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging uitgaan van de op dat moment actuele toestand van betrokkene (beoordeling ex nunc). [4] Dit staat niet met zoveel woorden in de wet, maar volgt uit de wetsgeschiedenis: [5]
“(…) een zorgmachtiging [kan] niet uitsluitend op basis van de toestand van de patiënt aan het begin van het proces worden verleend. Bij de behandeling ter zitting zal te allen tijde de actuele gezondheidstoestand van betrokkene worden getoetst.”
3.4
In lijn met het voorgaande volgt uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro en art. 6:4 Wvggz Pro, dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM. [6]
3.5
Een medische verklaring waaruit de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijkt, waarborgt ook dat de rechter ten aanzien van de verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als bedoeld in de artikelen 2:1, 3:3 en 3:4, onder b-e, Wvggz (vgl. art. 6:4 lid 1 Wvggz Pro). [7]
3.6
De wet kent geen algemene regel voor de ‘uiterste houdbaarheidsdatum’ van de medische verklaring. Of een medische verklaring na verloop van enige tijd nog voldoet aan de uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro voortvloeiende eis dat deze de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene beschrijft, kan – naast de duur van het tijdsverloop – mede afhangen van omstandigheden als de ziektegeschiedenis van de betrokkene, de continuïteit van het ziektebeeld en de aard van de psychische stoornis. [8] Het is dus aan de rechter om te beoordelen in hoeverre de medische verklaring nog voldoende actueel is. Daarbij worden in de praktijk door rechtbanken wel uniformerende richtlijnen gehanteerd. [9] Bepalend is echter of de rechter in een concreet geval zijn oordeel over de
actuele gezondheidstoestandvan de betrokkene op de overgelegde medische verklaring kan baseren, en niet in hoeverre de verklaring zelf actueel is want (zeer) kort geleden is opgesteld. Daarom kan in het ene geval een zes maanden oude verklaring nog voldoende actueel zijn en in een ander geval een twee maanden oude verklaring al niet meer actueel.
3.7
Als de betrokkene gemotiveerd aanvoert dat de medische verklaring niet meer actueel is, mag de rechtbank niet zonder motivering aan dit verweer voorbijgaan. [10]
3.8
Als de medische verklaring naar het oordeel van de rechter niet meer actueel is, kan de (onafhankelijk) psychiater deze actualiseren. Dat kan ook nog tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet echter zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. [11]
3.9
Een verklaring ter zitting van een verpleegkundig specialist of van een psychiater in opleiding over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene kan dus – gelet op de in art. 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden waaraan de psychiater die de medische verklaring opstelt moet voldoen – niet voorzien in actualisering van een medische verklaring. [12]
3.1
Ik keer terug naar de bespreking van beide onderdelen.
3.11
Het eerste onderdeel klaagt, zoals gezegd, dat de rechtbank in r.o. 5.7. van de bestreden beschikking heeft miskend dat een medische verklaring niet kan worden geactualiseerd door een deskundige die niet voldoet aan de vereisten van art. 5:7 onder Pro c en d Wvggz. Uit de overweging van de rechtbank:
“Hoewel de medische verklaring van eind april 2025 dateert, stelt de rechtbank op basis van de update van [de psychiater] en hetgeen op zitting naar voren is gekomen vast dat de situatie waarin betrokkene zich bevindt, sindsdien niet ten positieve gewijzigd is”, volgt dat de rechtbank zich bewust was van de verstreken maanden sinds het onafhankelijk onderzoek in april 2025 en daarmee dat een actuele medische verklaring ontbrak. Vervolgens heeft de rechtbank echter miskend dat die tekortkoming niet kan worden gerepareerd door een update van een niet onafhankelijk psychiater, aldus het eerste onderdeel.
3.12
Ik meen dat de klacht faalt. Anders dan het onderdeel betoogt, volgt uit r.o. 5.7. (zie hiervoor, 2.4) niet dat volgens de rechtbank een actuele medische verklaring ontbrak. De rechtbank heeft namelijk in genoemde rechtsoverweging in de zin voorafgaand aan de zin waarnaar in het middel wordt verwezen, geoordeeld dat de medische verklaring “voldoende actueel” was. De rechtbank heeft derhalve eerst beoordeeld of sprake was van een (voldoende) actuele medische verklaring. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat dit het geval was. [13] In dat licht bezien begrijp ik het oordeel van de rechtbank aldus dat zij de schriftelijke “update van de behandeling” van 15 september 2025, die is opgesteld door de behandelend psychiater van betrokkene (althans de zorgverantwoordelijke), niet heeft opgevat, althans niet heeft gebruikt, als actualisering van de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater. Een dergelijke actualisering was immers niet nodig, nu de rechtbank van oordeel was dat de medische verklaring nog voldoende actueel was. Voor zover het onderdeel klaagt dat de rechtbank zich ervan bewust was dat sinds het opstellen van de medische verklaring enkele maanden waren verstreken, waardoor een
actuelemedische verklaring ontbrak, mist het onderdeel dan ook feitelijke grondslag.
3.13
Ik begrijp r.o. 5.7. aldus dat de rechtbank haar oordeel dat de medische verklaring voldoende actueel was heeft onderbouwd door te verwijzen naar genoemde update van de behandelend psychiater én naar hetgeen ter zitting naar voren is gekomen. Volgens de rechtbank volgt daaruit dat de situatie van betrokkene sinds het onderzoek van de onafhankelijk psychiater van meer dan vijf maanden daarvoor niet ten positieve is gewijzigd en de medische verklaring dus, zo begrijp ik, nog voldoende actueel was. Daarbij heeft te gelden dat de rechter zich mede mag baseren op een afgeleverde verklaring van een behandelend arts, nu aanvullend “bewijs” onder omstandigheden door de behandelaar kan worden aangedragen. [14]
3.14
Bepalend is of een oordeel over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene op de verklaring kan worden gebaseerd, niet in hoeverre de verklaring zelf actueel in de zin van (heel) recent is.
3.15
Om voorgaande redenen meen ik dat het eerste onderdeel geen doel treft.
3.16
Hoewel in cassatie geen motiveringsklacht is gericht tegen het aangevochten oordeel van de rechtbank in r.o. 5.7, merk ik ten overvloede op dat het oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring voldoende actueel is, omdat de situatie van betrokkene sinds het onafhankelijk onderzoek in april 2025 niet is verbeterd in het licht van de gedingstukken, mijns inziens niet onbegrijpelijk is. Uit de medische verklaring van 26 april 2025 volgt dat bij betrokkene sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en een licht verstandelijke beperking. [15] Betrokkene heeft zijn moeder bedreigd met een mes en heeft een baksteen door haar raam gegooid, waarschijnlijk vanuit achterdochtige (psychotische) ideeën. Ook was sprake van psychotische ontregeling, zeer beperkt ziektebesef en ambivalentie met betrekking tot het innemen van medicatie. [16] Uit de update van de behandeling van 15 september 2025 volgt dat op dat moment bij betrokkene sprake was van een toename van achterdocht, boosheid en frustratie. Ook gebruikte betrokkene nog steeds dagelijks cannabis, hetgeen een negatieve invloed heeft op zijn psychiatrisch ziektebeeld. Begin september 2025 is een melding gedaan waaruit volgt dat betrokkene zich dreigend heeft uitgelaten jegens een GGZ-medewerker. [17] Een en ander wordt onderschreven door het verhandelde ter zitting bij de rechtbank.
3.17
Het voorgaande brengt met zich dat ook het tweede onderdeel niet kan slagen. Niet gezegd kan worden dat de rechtbank de zorgmachtiging op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden heeft toegewezen.
3.18
De slotsom is dat geen van de klachten slaagt en het cassatieberoep daarom geen doel treft.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7905.
2.De psychiater en maatschappelijk werker worden door de rechtbank gezamenlijk aangeduid als ‘de deskundigen’.
3.In de kop van de beschikking staat vermeld dat het gaat om een schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 8 oktober 2025. De datum van de schriftelijke uitwerking wordt niet vermeld.
4.Zie ook G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4, aant. 2.3 (publicatiedatum: 6 januari 2026) en de conclusie van A-G Lückers van 8 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:557, onder 2.13 vóór HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216 (art. 81 RO Pro),
6.Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885,
7.Vgl. – in het kader van wijziging van een zorgmachtiging op grond van art. 8:12 Wvggz Pro – o.m. HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1357,
8.Zie M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:8 Wvggz Pro, aant. 1 (publicatiedatum 17 april 2025) onder verwijzing naar de conclusie van A-G Lückers van 8 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:557 vóór HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216 (art. 81 RO Pro),
9.In dit verband refereert A-G Coenraad in haar conclusie van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1410, onder 3.7, aan een interne notitie van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot de actuele waarde van de medische verklaring, waarin als richtlijn is opgenomen: “
10.Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3251,
11.Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885,
12.Zie HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, r.o. 3.4: “
13.Zie HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726, JGz 2025/41, m.n.t. F. Westenberg, r.o. 3.3, tweede alinea. Anders dan in de procesinleiding wordt betoogd (zie p. 2 onder ‘Rechts- en motiveringsklacht’) is de rechtbank dan ook niet voorbij gegaan aan het door de Hoge Raad in deze uitspraak uiteengezette criterium.
14.Zie in dit verband de conclusie van plv. P-G Langemeijer van 26 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:322, onder 2.13, vóór HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885,
15.Medische verklaring van 26 april 2025, rubriek 4 (Psychiatrisch onderzoek) onder C.
16.Medische verklaring van 26 april 2025, rubriek 6 (Ernstig nadeel) onder C.
17.“Update behandeling voor zorgmachtiging” van 15 september 2025, p. 2.