Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:377

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/02209
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:246 BWArt. 3:227 lid 1 BWArt. 3:8 BWArt. 3:45 BWArt. 3:60 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid pandhouder tot schikking over verpande vordering en goederenrechtelijke werking daarvan

In deze zaak staat centraal of een pandhouder bevoegd is om namens de pandgever een schikking te treffen over een verpande vordering en of deze bevoegdheid goederenrechtelijk kan worden bedongen in de pandakte. ING Bank had een schikking gesloten met een debiteur van een verpande vordering, terwijl de schuldenaar in faillissement verkeerde. De curator stelde dat ING daartoe niet bevoegd was en dat zij onrechtmatig had gehandeld.

De rechtbank wees de vorderingen van de curator af, maar het hof oordeelde dat de bevoegdheid tot het treffen van een schikking niet tot de goederenrechtelijke bevoegdheden van de pandhouder behoort en dat een uitbreiding van het pandrecht met deze bevoegdheid in strijd is met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Bovendien vervalt een dergelijke bevoegdheid bij faillissement van de pandgever op grond van art. 7:424 lid 1 BW Pro jo art. 7:422 lid 1 BW Pro.

De Hoge Raad bevestigt deze lijn en overweegt dat de wettelijke regeling van art. 3:246 BW Pro dwingendrechtelijk is en dat de bevoegdheid tot schikken bij de pandgever blijft. Contractuele afspraken die de pandhouder een schikkingsbevoegdheid toekennen, zijn slechts verbintenisrechtelijk en vervallen bij faillissement. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ING en bevestigt dat de pandhouder niet bevoegd is om met goederenrechtelijke werking een schikking aan te gaan over de verpande vordering.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de pandhouder niet bevoegd is om met goederenrechtelijke werking een schikking aan te gaan over de verpande vordering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02209
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
ING Bank N.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaten: B.T.M. van der Wiel en A. Stortelder
tegen
N.J.H. Leferink in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [schuldenaar] B.V.,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als ING en de curator. De schuldenaar in wiens faillissement de curator optreedt, wordt hierna aangeduid als [schuldenaar] .

1.Inleiding

Voor zover in cassatie van belang gaat deze zaak over de vragen (i) of een pandhouder van een vordering op grond van de hem ex art. 3:246 lid 1 BW Pro toekomende inningsbevoegdheid mede bevoegd is om een schikking aan te gaan met betrekking tot die vordering, dan wel (ii) of de pandgever en pandhouder met goederenrechtelijke werking kunnen overeenkomen dat de pandhouder bevoegd is om die schikking aan te gaan. ING is in dit geval een dergelijke schikking aangegaan met betrekking tot een aan haar verpande vordering van [schuldenaar] , dat toen al in staat van faillissement verkeerde. ING had het recht tot het aangaan van de schikking bedongen in haar op de pandakte toepasselijke algemene voorwaarden. Omdat beide genoemde vragen volgens de curator ontkennend zijn te beantwoorden, was ING volgens hem echter niet bevoegd tot het aangaan van de schikking en heeft zij daarom onrechtmatig jegens de boedel gehandeld.
Het hof heeft het standpunt van de curator onderschreven. Een uitbreiding met goederenrechtelijke werking van het pandrecht met de bevoegdheid voor de pandhouder om een schikking aan te gaan met betrekking tot de vordering, is volgens het hof in strijd met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Voor zover ING die bevoegdheid verbintenisrechtelijk heeft bedongen, is die bevoegdheid volgens het hof in dit geval op grond van art. 7:424 lid 1 BW Pro jo art. 7:422 lid 1 onder Pro a BW vervallen door het faillissement van [schuldenaar] . Tegen deze oordelen keert zich het cassatieberoep.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: [1]
(i) [schuldenaar] hield zich bezig met het beleggen in en verhuren (exploiteren) van vastgoed. Zij werd gefinancierd door ING. In maart 2012 had ING in totaal ongeveer 17 miljoen euro geleend aan [schuldenaar] .
(ii) ING had onder meer een stil pandrecht op de huurvorderingen van [schuldenaar] op Emtes Uitzendbureau (hierna: Emtes).
(iii) Op 14 maart 2018 is [schuldenaar] failliet gegaan. Aan dit faillissement ging een voor [schuldenaar] financieel lastige periode vooraf, hetgeen onder meer tot gevolg had dat [schuldenaar] haar financiële verplichtingen tegenover ING niet nakwam. ING heeft daarom in 2015 haar pandrecht op huurvorderingen van [schuldenaar] medegedeeld aan de schuldenaren van die vorderingen, waaronder Emtes. Hiermee werd ING op grond van de wet inningsbevoegd (art. 3:246 lid 1 BW Pro).
(iv) Emtes wilde de huur over de maanden juli 2017 tot en met februari 2018 ad € 28.156,72 niet betalen wegens derving van huurgenot door gebreken aan het van [schuldenaar] gehuurde bedrijfspand. ING heeft op 1 november 2018, dus na het faillissement van [schuldenaar] , met Emtes een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat Emtes een bedrag van € 10.000,- aan ING zou betalen ter voldoening van de huurtermijnen voor de maanden juli 2017 tot en met februari 2018. In deze vaststellingsovereenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval de curator het niet eens zou zijn met de regeling. De curator heeft geen beroep gedaan op deze ontbindende voorwaarde.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 20 augustus 2021 heeft de curator ING gedagvaard voor de rechtbank Overijssel en, voor zover in cassatie van belang, gevorderd een verklaring voor recht dat ING onrechtmatig heeft gehandeld door voor de vordering van [schuldenaar] op Emtes een schikking te treffen, alsmede een veroordeling van ING om € 2.000,- aan de curator te betalen ter zake van de schikking met Emtes. Aan deze vorderingen heeft de curator ten grondslag gelegd dat ING als pandhouder niet bevoegd was om een schikking te treffen zonder de medewerking of instemming van de curator. ING heeft daarom onrechtmatig gehandeld, waardoor de curator niet op grond van de separatistenregeling aanspraak heeft kunnen maken op een boedelbijdrage van € 2.000, aldus de curator. [2]
2.3
Bij vonnis van 23 november 2022 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. [3] De rechtbank heeft geoordeeld dat op de verpanding van de huurvorderingen van [schuldenaar] op Emtes de algemene voorwaarden van ING van toepassing zijn, en dat daarin de bevoegdheid tot het treffen van een schikking als een eigen bevoegdheid (dus niet bij wijze van volmacht of lastgeving) aan ING is toegekend. Naar de rechtbank oordeelde, is die afspraak geoorloofd (rov. 5.18-5.18.4).
2.4
De curator heeft van het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
2.5
Bij arrest van 15 oktober 2024 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de toepasselijkheid van art. 7:424 BW Pro op de verpandingsovereenkomst tussen ING en [schuldenaar] . [4] In dit arrest heeft het hof geoordeeld dat ING niet op grond van de inningsbevoegdheid die zij als pandhouder had, een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten. Daarvoor verwijst het hof naar de arresten van de Hoge Raad in de zaken IAE/Neo River [5] en Megalim/De Veenbloem [6] , die op dit punt volgens hem duidelijk zijn (rov. 3.11-3.14). [7] Het hof is vervolgens nagegaan of ING, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de bevoegdheid om een vaststellingsovereenkomst met Emtes te sluiten toekwam op grond van de algemene voorwaarden die op de verpanding van toepassing zijn. ING heeft zich in dat verband beroepen op art. 18 lid 3 van Pro die voorwaarden (hierna: AV), dat voor zover van belang luidt:
“3. (…)
c. De geldgever is voorts bevoegd terzake van de verpande vordering geheel naar eigen goeddunken voor rekening van de schuldenaar:
- regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten;
- in uitgesproken beslissingen te berusten of daartegen rechtsmiddelen aan te wenden;
- een andere dan de oorspronkelijk verschuldigde prestatie in ontvangst te nemen; en verder alles te verrichten wat de geldgever nodig acht, daaronder begrepen het vast (laten) stellen van de verpande vordering en de indiening van deze in de boedel van de debiteur daarvan in geval van faillissement, surséance van betaling, moratorium, of minnelijk- of gerechtelijk akkoord, een en ander met uitsluiting van de schuldenaar. (...) ”
Naar het oordeel van het hof kan het in art. 18 lid 3 onder Pro c AV bepaalde niet als volmacht of lastgeving worden aangemerkt, die beide vervallen in geval van faillissement van de volmachtgever c.q. lastgever (rov. 3.21-3.24). Volgens het hof is echter art. 7:424 BW Pro mogelijk op die bepaling van toepassing, waardoor de daarbij aan ING toegekende bevoegdheid op grond van het daarin mede toepasselijk verklaarde art. 7:422 lid 1 onder Pro a BW is vervallen met het faillissement van [schuldenaar] . Het hof heeft daarover overwogen:
“3.25. Artikel 7:424 BW Pro bepaalt dat – onder meer – artikel 7:422 BW Pro van overeenkomstige toepassing is op andere overeenkomsten dan lastgeving “krachtens welke de ene partij verplicht
of bevoegd is[onderstreping hof] voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.”
3.26.
Als artikel 18 lid 3 via Pro artikel 7:424 BW Pro onder het bereik van artikel 7:422 lid 1 onder Pro a BW zou vallen, zou dat betekenen dat de in artikel 18 lid 3 neergelegde Pro overdracht van de bevoegdheid tot het treffen van een schikking met debiteuren van [schuldenaar] (waaronder Emtes) met het faillissement van [schuldenaar] is vervallen en dat de schadevergoedingsvordering van de curator - tegen de hoogte ervan heeft ING (bewust) geen verweer gevoerd - toewijsbaar is.
3.27
Partijen hebben zich nog niet uitgelaten (of kunnen uitlaten) over de toepasselijkheid van artikel 7:424 BW Pro. Het hof zal partijen daarom in de gelegenheid stellen zich (op nader te noemen roldatum) bij akte over het onder 3.25-3.26 overwogene uit te laten.”
2.6
Bij arrest van 18 maart 2025 heeft het hof de hiervoor in 2.2 genoemde vorderingen van de curator alsnog toegewezen. [8] Het hof heeft in het arrest overwogen (voetnoten weggelaten):
“2.3 ING voert in haar akte, met verwijzing naar haar memorie van antwoord, allereerst aan dat zij bij de vestiging van het pandrecht met [schuldenaar] aanvullende afspraken heeft gemaakt over de met de verpande vorderingen samenhangende bevoegdheid en dat partijen daarbij de inhoud van het pandrecht nader hebben geregeld. De schikkingsbevoegdheid – de bevoegdheid om een regeling te treffen met debiteuren van verpande vorderingen een regeling te treffen – is daarmee volgens ING onderdeel van het goederenrechtelijke (pand)recht.
(…)
2.5
Het hof volgt dit standpunt van ING niet. De in artikel 18 lid 3 onder Pro c aan ING toegekende schikkingsbevoegdheid is een contractuele regeling, niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht. De bewoordingen van dit artikel bevestigen dit. In lid 3 onder a is een regeling opgenomen over de goederenrechtelijke nevenrechten. Dat onderdeel begint met de bewoordingen “
Pandrecht op een vordering omvat ook pandrecht op nevenrechten(…)”. Onderdeel c is niet een uitwerking van deze goederenrechtelijke nevenrechten, maar begint met de bewoordingen “
De geldgever is voorts bevoegd terzake van de verpande vordering geheel naar eigen goeddunken voor rekening voor rekening van de schuldenaar(…)
regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten(..)”. Als de schikkingsbevoegdheid in artikel 18 lid 3 onder Pro c wel is bedoeld en moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, dan is naar het oordeel van het hof die uitbreiding als door ING bepleit in strijd met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem. Onder deze regel van het privaatrecht wordt over het algemeen verstaan het uitgangspunt dat partijen in het rechtsverkeer alleen de in de wet geregelde goederenrechtelijke rechten kunnen vestigen en dus niet zelf nieuwe typen goederenrechtelijke rechten kunnen creëren. Partijen kunnen de inhoud van de in de wet geregelde beperkte rechten alleen aanvullen of beperken voor zover de wet daartoe ruimte biedt. De wet biedt geen ruimte om het pandrecht uit te breiden met een schikkingsbevoegdheid (voor de pandhouder). Dit volgt ook uit de in het tussenarrest genoemde Neo River- en Megalim/Veenblom-arresten van de Hoge Raad uit 2014 en 2016. In laatstgenoemd arrest staat uitdrukkelijk (…) dat andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering ingevolge de wet bij de pandgever blijven rusten en dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan handelingen
“als het verlenen van kwijtschelding”. De bevoegdheid om “
regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te treffen” omvat, zoals overwogen, juist (mede) de bevoegdheid tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verpande vordering kan – anders dan inning door de pandhouder – de belangen van de pandgever en zijn andere schuldeisers diepgaand treffen, terwijl de pandhouder slechts in de verpande vordering is geïnteresseerd voor zover dit voldoening van zijn vordering waarborgt.”
2.7
Voorts heeft het hof geoordeeld dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV op grond van art. 7:424 BW Pro onder het toepassingsbereik van art. 7:422 lid 1 onder Pro a BW valt, zodat de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV neergelegde toekenning van de bevoegdheid tot het treffen van een schikking is geëindigd door het faillissement van [schuldenaar] . Hiermee staat naar het oordeel van het hof vast dat ING onrechtmatig heeft gehandeld door zonder toestemming van de curator een schikking met Emtes te treffen die inhield een kwijtschelding van een deel van de vordering van [schuldenaar] op Emtes (rov. 2.8-2.12).
2.8
ING heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van 15 oktober 2024 en 18 maart 2025. [9] De curator is in cassatie niet verschenen. ING heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat drie onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.14 tussenarrest dat ING niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten. Onderdeel 2 komt op tegen de oordelen van het hof in rov. 2.5 eindarrest dat de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV toegekende schikkingsbevoegdheid een contractuele regeling is en niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht, en dat als de schikkingsbevoegdheid in art. 18 lid 3 onder Pro c AV wel moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, die uitbreiding in strijd met de gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9-2.12 eindarrest dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV op grond van de schakelbepaling van art. 7:424 BW Pro onder het toepassingsbereik van de lastgevingsbepaling van art. 7:422 lid 1 BW Pro valt en dat daarom de toegekende bevoegdheid tot het treffen van een schikking is geëindigd met het faillissement van [schuldenaar] .
3.2
Alvorens de klachten van het middel te bespreken, sta ik eerst stil bij de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen pandhouder en pandgever, in het bijzonder met betrekking tot de mogelijkheid om een schikking te sluiten ten aanzien van de verpande vordering, en bij de mogelijkheid om bij overeenkomst van die bevoegdheidsverdeling af te wijken.
Bevoegdheidsverdeling pandhouder en pandgever
3.3
In het al genoemde arrest IAE/Neo River heeft de Hoge Raad, voor zover voor deze zaak van belang, over het pandrecht op vorderingen overwogen:
“3.5.1 Het pandrecht is een beperkt recht waarmee het goed waarop het wordt gevestigd, wordt bezwaard (art. 3:227 lid 1 BW Pro en art. 3:8 BW Pro). (…)
Door de vestiging van een beperkt recht op een vordering gaan de aan die vordering verbonden schuldeisersbevoegdheden niet zonder meer over op de beperkt gerechtigde. Of en in hoeverre dit het geval is, hangt af van de wettelijke regeling van het desbetreffende beperkte recht. Voor pand en vruchtgebruik kent de wet in dit verband verschillende regelingen, in art. 3:246 BW Pro onderscheidenlijk art. 3:210 BW Pro. Ook voor beslag geldt in dit verband een eigen regeling, in art. 475h lid 1 Rv.
Art. 3:246 lid 1 BW Pro houdt in dat, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Na die mededeling is de pandhouder ook bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW Pro). Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering kent de wet de pandhouder niet toe, zodat moet worden aangenomen dat deze bij de pandgever blijven rusten. De pandgever blijft derhalve bevoegd handelingen te verrichten zoals het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding. Voorts blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit, hetgeen eveneens gevolgen voor de vordering heeft of kan hebben.”
Aan deze overwegingen kan nog worden toegevoegd dat de pandgever na mededeling van de verpanding de in art. 3:246 leden Pro 1 en 2 genoemde bevoegdheden slechts uitoefenen als hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft gekregen (art. 3:246 lid 4 BW Pro).
3.4
Met betrekking tot bevoegdheidsverdeling zoals die volgt uit art. 3:246 BW Pro en in rov. 3.5.1 van dat arrest is weergegeven, is in het arrest IAE/Neo River overwogen:
“3.5.2 Vorenstaande regeling berust (…) op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. De pandgever kan immers groot belang erbij hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter (vgl. art. 3:246 lid 4 BW Pro). De wetgever heeft de pandhouder voldoende beschermd geacht tegen benadeling in het belang dat hij bij het verpande heeft door de mogelijkheid de desbetreffende rechtshandeling te vernietigen op de voet van art. 3:45 BW Pro (zie voor het vorenstaande Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773 (…)).”
3.5
De passage uit de wetsgeschiedenis waarnaar de Hoge Raad in deze overweging verwijst, komt uit de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer en luidt:
“[De] vraag van de Commissie [is] of er geen aanleiding is aan het lid toe te voegen dat de pandgever niet bevoegd is tot het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke handelingen. Bij dit laatste zal dan onder meer moeten worden gedacht aan rechtshandelingen als de ontbinding van de overeenkomst waaruit de verpande vordering voortspruit (artikel 6.5.4.6), aan omzetting van de primaire verbintenis tot nakoming in een verplichting tot schadevergoeding (artikel 6.1.8.11) of ook aan beëindiging van een lopende rechtsbetrekking (b.v. huur- verhuur; arbeidsovereenkomst) waaruit de opeisbare en toekomstige vorderingen zijn verpand. De ondergetekende meent dat een bepaling als gesuggereerd in het kader van het pandrecht niet past. In het algemeen behoort de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven. Anders dan b.v. bij het vruchtgebruik het geval is, is de – immers niet tot genot gerechtigde en in beginsel evenmin beheer voerende – pandhouder alleen in het aan hem verpande geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. Slechts bevoegdheden die dit belang dienen – men zie b.v. het [tweede lid] –, behoren hem mitsdien te worden toegekend. Dit klemt temeer, indien zijn pandrecht op de vordering zonder mededeling aan de schuldenaar werd gevestigd.
Voorts verdient hij bescherming tegen rechtshandelingen van de pandgever die hem in dit belang benadelen. Deze bescherming wordt hem echter reeds geboden in artikel 3.2.11 van het gewijzigd ontwerp [thans art. 3:45 BW Pro]. De pauliana kan immers in het ontwerp ook worden ingesteld, indien door de gewraakte rechtshandeling slechts één crediteur wordt benadeeld, waarbij met name o.a. aan de pandhouder is gedacht. Men zie de derde alinea van de toelichting van Meijers bij artikel 3.2.11. Voor het geval de pandgever niet de schuldenaar is, zie men hierbij het bepaalde in het nieuwe artikel 3.2.11c. Bescherming van de pandhouder tegen aantasting van zijn recht kan ook uit andere artikelen voortvloeien. Men denke b.v. aan bepalingen als artikel 3.4.1.2 lid 3 [art. 3:81 lid 3 BW Pro] of artikel 6.1.10.2 lid 4.
(…)
Na het derde lid is als lid 4 een nieuw lid ingevoegd. Nadat het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld zijn de in lid 1 en 2 bedoelde bevoegdheden niet geheel aan de pandgever ontnomen. Hij blijft bevoegd ze uit te oefenen met toestemming van de pandhouder of machtiging van de boedelrechter. Deze bepaling stemt overeen met hetgeen in artikel 3.8.8 lid 3 ten aanzien van vruchtgebruik is bepaald. De mogelijkheid tot inning of opzegging met machtiging van de boedelrechter geeft de pandgever een wapen in handen voor geval de pandhouder niet in staat is tot inning over te gaan of dit zonder redelijke grond weigert.”
3.6
De beslissing dat andere schuldeisersbevoegdheden dan de in art. 3:246 leden Pro 1 en 2 genoemde innings- en opzeggingsbevoegdheid bij de pandgever blijven, heeft de Hoge Raad in latere rechtspraak herhaald en verduidelijkt. In het al genoemde arrest Megalim/De Veenbloem heeft de Hoge Raad overwogen:
“3.3.3 Art. 3:246 lid 1 BW Pro houdt in dat, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De pandhouder is in dat geval tevens bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW Pro). Na bedoelde mededeling kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen (art. 3:246 lid 4 BW Pro). Aldus gaat door de mededeling van de verpanding aan de schuldenaar de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering over van de pandgever op de pandhouder. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven ingevolge de wet bij de pandgever berusten. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever daarbij gedacht aan handelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding, alsmede de bevoegdheid tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit. (Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415, NJ 2015/82).”
In aanvulling hierop is in dat arrest overwogen:
“3.3.4 De in art. 3:246 lid 1 BW Pro bedoelde inningsbevoegdheid (zie hiervoor in 3.3.3) omvat de bevoegdheid tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Daartoe staan de pandhouder de middelen ten dienste die vóór de mededeling van het pandrecht aan de pandgever als schuldeiser toekwamen, zoals die tot uitwinning van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3619, NJ 2016/34). Ook de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar strekt tot verhaal van de vordering op diens vermogen. Daarom moet de houder van een pandrecht op een vordering vanaf het moment dat dit pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van art. 1 lid 1 Fw Pro. Gelet op het bepaalde in art. 3:246 lid 4 BW Pro kan de pandgever de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar vanaf bedoelde mededeling slechts uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen.”
3.7
In het arrest MFE/Stibbe uit 2024 heeft de Hoge Raad overwogen:
“3.1.5 Art. 3:246 lid 1 BW Pro houdt in dat, vanaf het moment dat het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De pandhouder is in dat geval tevens bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW Pro). Na bedoelde mededeling kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen (art. 3:246 lid 4 BW Pro). Aldus gaat door de mededeling van de verpanding aan de schuldenaar de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering over van de pandgever op de pandhouder. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven ingevolge de wet bij de pandgever berusten.
Indien voorafgaand aan de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar reeds een procedure aanhangig is gemaakt waarin de pandgever nakoming van de verpande vordering door de schuldenaar vordert, moet de overgang ingevolge art. 3:246 lid 1 BW Pro van de inningsbevoegdheid op de pandhouder voor de toepassing van art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv op een lijn worden gesteld met een rechtsovergang onder bijzondere titel. De pandhouder op wie de inningsbevoegdheid ter zake van de verpande vordering is overgegaan, kan dus op de voet van de art. 225 en Pro 227 Rv het geding in de plaats van de pandgever voortzetten, tenzij de pandgever zich daartegen verzet (zie hiervoor in 3.1.4).” [10]
3.8
Mij lijkt deze rechtspraak geheel duidelijk: de pandhouder komt uitsluitend de bevoegdheden toe van de art. 3:246 leden Pro 1 en 2 BW en de bevoegdheden die daaruit volgen, zoals genoemd in de drie aangehaalde arresten. Andere bevoegdheden blijven bij de pandgever, waaronder uitdrukkelijk blijkens de wetsgeschiedenis én het arrest IAE/Neo River, de bevoegdheid om een schikking (vaststellingsovereenkomst) aan te gaan. [11]
Sommige auteurs menen dat het wenselijk is dat laatstgenoemde bevoegdheid ook bij de pandhouder berust. Het economisch belang bij de vordering zou bij hem liggen. De pandhouder zou daarom ook moeten kunnen schikken. Het is echter, minst genomen, de vraag of dat zo is. Wie vooral kijkt naar het belang van financiers, zal mogelijk al snel menen van wel. [12] De pandgever heeft echter evenzeer een wezenlijk economisch belang – zo niet een groter economisch belang – bij de vordering, om te beginnen alleen al omdat met de betaling daarvan zijn schuld aan de pandhouder wordt voldaan – en de voldoening ervan wat hem betreft dus liefst steeds 100% is, waarnaar een pandhouder die al voldoende andere zekerheden heeft, niet altijd zal streven – en soms ook omdat een restant opbrengst aan hem toekomt of omdat zijn meer omvattende rechtsverhouding met de schuldenaar van de vordering dat meebrengt. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de curator in het faillissement van de pandgever.
Natuurlijk is een andere bevoegdheidsverdeling op zichzelf denkbaar, en kan men die eventueel ook wenselijk achten, maar die andere verdeling betekent ten opzichte van de huidige regeling wel een belangrijke versterking van de positie van de pandhouder die ten koste gaat van die van de pandgever, zoals volgt uit rov. 3.5.2 van het arrest IAE/Neo River en de hiervoor in 3.5 weergegeven wetsgeschiedenis. Een dergelijke versterking en wijziging van de in de wet neergelegde bevoegdheidsverdeling behoeft evident een ingreep van de wetgever in de vorm van een wetswijziging. [13] De literatuur lijkt het er dan ook wel unaniem over eens dat, op grond van wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak, geldend recht is dat de pandhouder niet bevoegd is om een schikking aan te gaan. [14]
Kan bevoegdheid om te schikken worden overeengekomen?
3.9
In de literatuur is discussie ontstaan over het antwoord op de vraag of partijen wel kunnen overeenkomen dat de schuldeisersbevoegdheden die niet worden genoemd in art. 3:246 leden Pro 1 en 2 BW en die dus bij de pandgever blijven, aan de pandhouder toekomen. Het is duidelijk dat die mogelijkheid in elk geval bestaat door het gebruik van een volmacht (art. 3:60 BW Pro), door (privatieve) lastgeving (art. 7:414 en Pro 7:423 BW) en door middel van een andere overeenkomst waarbij de bevoegdheid wordt verleend om voor een ander een rechtshandeling aan te gaan. Zoals hiervoor bleek, heeft het hof in deze zaak onderzocht of art. 18 lid 3 onder Pro c AV onder een van deze gevallen is te brengen en heeft het die vraag bevestigend beantwoord in die zin dat volgens hem sprake is van een overeenkomst van de laatstgenoemde soort. Als die overeenkomst onder art. 7:424 BW Pro valt – zoals het hof voor dit geval heeft geoordeeld –, dan geldt voor al deze gevallen dat de bevoegdheid van de pandhouder om te schikken dwingendrechtelijk vervalt door het faillissement van de pandgever, tevens volmachtgever of (pseudo) lastgever (vgl. art. 3:72 onder Pro b, 3:73 en 7:422 lid 1, aanhef en onder a, en lid 2 BW). [15] Wil de pandhouder na het faillissement van de pandgever een schikking kunnen treffen die de curator tegen zich moet laten gelden, dan heeft hij een schikkingsbevoegdheid nodig die onderdeel uitmaakt van het pandrecht en daarom tijdens faillissement blijft bestaan.
De mogelijkheid van een dergelijke goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht bij overeenkomst wordt in deze zaak door ING bepleit. Zoals hiervoor bleek, heeft het hof deze van de hand gewezen, omdat deze in strijd komt met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten (rov. 2.5 eindarrest, hiervoor in 2.6 integraal aangehaald). Dat oordeel wordt als gezegd aan de orde gesteld in onderdeel 2.
Over deze kwestie merk ik hier al het volgende op.
Gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten
3.1
In het BW is uitdrukkelijk een gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten neergelegd (zie wat betreft beperkte rechten, waaronder dus het pandrecht, art. 3:81 lid 1 eerste Pro zin BW). Dat stelsel is beschreven in de Toelichting Meijers bij Boek 5 BW en onderschreven in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer bij Boek 5 BW. [16] Dit stelsel houdt in dat partijen geen goederenrechtelijke rechten in het leven kunnen roepen buiten die welke in de wet zijn geregeld.
Wel hebben partijen de mogelijkheid om de inhoud van een wettelijk goederenrechtelijk recht nader te regelen. Blijkens de wetsgeschiedenis is dit binnen de grenzen van de wettelijke definitie van dat recht mogelijk. Binnen die grenzen kunnen zij in beginsel aan dat recht de inhoud geven die zij wensen. Deze grenzen worden bepaald door de inhoud van de wettelijke regeling van het recht, waaronder of deze van regelend of dwingend recht is. [17] Als sprake is van een dwingendrechtelijke regeling, bestaat uiteraard geen ruimte om hiervan af te wijken. Bij de uitleg van het goederenrecht in het BW geldt het uitgangspunt dat moet worden aangenomen dat de wettelijke regeling dwingendrechtelijk is, tenzij de wet anders bepaalt, met name door de bepaling “tenzij bij de akte van vestiging anders is bepaald”. [18]
Als overeenkomstig het voorgaande ruimte bestaat voor een nadere regeling van het betrokken recht, geldt nog een andere beperking, namelijk dat die regeling in zodanig verband moet staan met het recht dat eenzelfde behandeling als dat recht gerechtvaardigd is. Dit wordt wel het ‘voldoende verbandvereiste’ genoemd. [19] Dit vereiste komt erop neer dat er geen ruimte is voor bedingen die naar aard of inhoud niet passen bij het beperkte recht of dat recht in wezen aantasten. [20]
Ik merk nog op dat voorgaande beperkingen gelden op het goederenrechtelijke vlak. Partijen kunnen onderling aanvullende obligatoire afspraken maken – mits niet wegens strijd met dwingend recht nietig of vernietigbaar –, maar die gelden dan alleen onderling en kunnen bij faillissement niet tegen de boedel worden ingeroepen. [21] Het standpunt van ING heeft daarop dan ook geen betrekking. ING stelt alleen de mogelijkheid van een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht aan de orde.
3.11
Uit het voorgaande volgt dat de vraag allereerst is of de wettelijke regeling van het pandrecht ruimte laat voor het uitbreiden van het pandrecht met de schikkingsbevoegdheid voor de pandhouder. Daarbij gaat het dus om de regeling van art. 3:246 BW Pro, die hiervoor in 3.3-3.8 is weergegeven. Als gezegd volgt uit die regeling dat de pandgever bevoegd blijft om over de vordering te beslissen en om daarover onder meer een schikking aan te gaan, en dat de pandhouder, door mededeling van zijn pandrecht te doen, alleen, zeer kort gezegd, de inning van de vordering naar zich kan toetrekken. Is deze regeling van dwingend recht?
Art. 3:246 BW Pro dwingend recht?
3.12
Uit het juist hiervoor in 3.10 vermelde uitgangspunt – dat de wettelijke regeling dwingendrechtelijk is, tenzij de wet anders bepaalt, met name door de bepaling ‘tenzij bij de akte van vestiging anders is bepaald’ – volgt dat deze vraag bevestigend is te beantwoorden, nu de wet niet anders bepaalt. In de literatuur is echter, vooral naar aanleiding van het IAE/Neo River-arrest, discussie gevoerd over het antwoord op deze vraag. H.J. Snijders meent in zijn noot in de NJ onder dat arrest (onder 7) dat de wetsgeschiedenis van die bepaling wel een aanknopingspunt bevat voor de kwalificatie als regelend recht. Hij wijst op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis, waarnaar ook in het arrest wordt verwezen, die ook in de schriftelijke toelichting van ING in dit verband wordt geciteerd en die deel uitmaakt van de passage die hiervoor in 3.5 al is aangehaald:
‘In het algemeen behoort de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven.”
Snijders meent dat de woorden ‘in het algemeen’ ruimte lijken te bieden voor contractuele afwijkingen, mogelijk ook met goederenrechtelijke werking. Hoewel hij hierbij aarzelingen heeft en de wetgever volgens hem geen duidelijk antwoord geeft, neigt hij naar een kwalificatie als regelend recht. Ook Faber meent op grond van de woorden ‘in het algemeen’ dat de bevoegdheid tot het treffen van een schikking en het daarbij verlenen van finale kwijting, alsmede aan de bevoegdheid tot het treffen van een afbetalingsregeling als eigen, zelfstandige bevoegdheden aan de pandhouder kunnen worden toegekend, zodat de uitoefening ervan ook tijdens het faillissement van de pandgever is verzekerd. [22]
3.13
Volgens Schuijling, eveneens in een noot onder het
IAE/Neo River-arrest, [23] zijn er, anders dan bijvoorbeeld bij vruchtgebruik het geval is, nauwelijks aanknopingspunten te vinden in de wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak dat art. 3:246 BW Pro van regelend recht zou zijn. Boeve en Jansen sluiten zich hierbij aan. [24] Volgens Roos en Hartman is de heersende opvatting dat art. 3:246 BW Pro van dwingend recht is, en dat aan aanvullende afspraken tussen pandhouder en pandgever omtrent schuldeisersbevoegdheden derhalve alleen verbintenisrechtelijke werking kan toekomen. Die afspraken kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de pandgever de schuld niet kwijtscheldt of afstand doet van de vordering zonder toestemming van de pandgever. [25] Ook Everaars meent dat, gelet op de wet en de rechtspraak, art. 3:246 BW Pro een dwingendrechtelijke regeling bevat van de bevoegdheidsverdeling tussen pandgever en pandhouder, die aan een schikkingsbevoegdheid van de pandhouder met goederenrechtelijke werking in de weg staat. [26] Steneker meent eveneens dat het niet mogelijk is om andere schuldeisersbevoegdheden over te dragen. Als dat wél mogelijk zou zijn, dan zou dat volgens hem wel in de wettekst hebben gestaan (zoals in art. 3:239 lid 3 laatste Pro zin BW en art. 3:251 lid 2 BW Pro). [27] Een beding waarmee de pandhouder met goederenrechtelijke werking een exclusieve schikkingsbevoegdheid verkrijgt, is ook volgens Bobbink niet mogelijk. Zijns inziens kan de pandhouder alleen schikken met voorafgaande toestemming van de pandgever of de voorzieningenrechter. [28] Van der Linden van Sprankhuizen sluit zich in haar proefschrift bij deze opvatting aan en wijst er nog op dat de opvatting dat de regeling van de bevoegdheidsverdeling van dwingend recht is, aansluit bij het onder oud BW gewezen arrest
[…] /Bank voor Diamanthandel. [29] In dat arrest is overwogen dat:
“[…] de wet niet alleen dwingend regelt de wijze van vestiging maar eveneens de aan den pandhouder als zoodanig toekomende bevoegdheden, en dat de partijen bij de pandovereenkomst die bevoegdheden slechts kunnen aanvullen of verruimen voor zoover de vrijheid daartoe uit de wet valt af te leiden”. [30]
3.14
De Clerck ziet wel ruimte om de inhoud van het pandrecht goederenrechtelijk nader vorm te geven. [31] Hij meent dat art. 3:246 BW Pro enkel een regeling geeft met betrekking tot de inningsbevoegdheid en partijen met betrekking tot de overige schuldeisersbevoegdheden vrijlaat. Volgens hem komt aan de wetsgeschiedenis in dit verband geen betekenis toe. Jonckers en Van Eck beperken zich tot bespreking van de bevoegdheid om te schikken met betrekking tot de vordering. [32] Zij sluiten zich wat dat betreft aan bij de opvatting van Snijders, Faber en De Clerck. Houdijk en Breeman nemen een vergelijkbaar standpunt in. [33]
3.15
In het hiervoor in 3.7 al aangehaalde arrest MFE/Stibbe speelde de onderhavige kwestie ook, maar met betrekking tot een iets ander punt. In de zaak van dat arrest was de vraag aan de orde of de pandhouder kan bedingen dat hij na mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering exclusief bevoegd is om over de vordering te procederen. Uit de wet volgt dat de pandgever daartoe mede bevoegd blijft, nu de meeste schuldeisersbevoegdheden als gezegd bij hem blijven rusten. In mijn conclusie voor het arrest kwam ik tot de slotsom dat er onmiskenbaar geen ruimte is om af te wijken van art. 3:246 BW Pro, gelet op de wet, de wetsgeschiedenis en het
IAE/Neo River-arrest. [34] Tot die slotsom kwam ik op grond van het voorgaande en het volgende:
“3.44 Naar ik zou menen, heeft de wetgever in art. 3:246 BW Pro weldegelijk een algehele regeling van de verdeling van de schuldeiserbevoegdheden getroffen, door alléén ten aanzien van bepaalde bevoegdheden te bepalen dat deze op de pandhouder overgaan. Dat blijkt reeds uit art. 3:246 lid 4 BW Pro, dat uitsluitend een voorziening geeft voor de in lid 1 genoemde bevoegdheden voor het geval de pandgever een zwaarwegend belang heeft bij uitoefening van schuldeisersbevoegdheden. In de gedachtegang van de wetgever heeft de pandgever deze bij andere bevoegdheden kennelijk dus niet nodig, wat alleen goed te verklaren valt als hij ervan is uitgegaan dat deze sowieso bij de pandgever blijven.
Dat de wetgever in art. 3:246 BW Pro een algehele regeling van de verdeling van de schuldeiserbevoegdheden heeft getroffen, blijkt denk ik ook onmiskenbaar uit de wetsgeschiedenis waarnaar in het IAE/Neo River-arrest wordt verwezen en waarop de beslissing van dat arrest berust. In dat arrest is ook al beslist dat dit uit de wetsgeschiedenis volgt. Overwogen wordt immers dat de regeling waarbij andere bevoegdheden dan die genoemd in art. 3:246 BW Pro bij de pandgever blijven (zoals in rov. 3.5.1 van het arrest beschreven), berust op “op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt.” In het arrest wordt hierbij in aanmerking genomen dat “de pandgever immers groot belang erbij [kan] hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter”. Voor een en ander wordt naar de wetsgeschiedenis verwezen (rov. 3.5.2 van het arrest).
3.45
Naar ik voorts zou menen, is deze regeling van dwingend recht. Het lijkt me dat dit zowel in de wetsgeschiedenis als in het arrest besloten ligt: de bescherming van de pandgever brengt dat mee. Die bescherming zou weinig voorstellen als deze eenvoudig en in iedere pandakte standaard zou kunnen worden weggecontracteerd met een andere bevoegdheidsverdeling. Daarbij zij bedacht dat de pandgever zich dikwijls in een afhankelijke positie bevindt doordat hij financiering behoeft en daarmee feitelijk vaak is overgeleverd aan de eisen die een financier stelt. Die financier zal in de regel niet de neiging hebben om rekening te houden met wat in het arrest het grote belang van de pandgever wordt genoemd.
In de hiervoor in 3.41 uit de wetsgeschiedenis geciteerde woorden ‘in het algemeen’ bij het gezichtspunt van de wetgever dat de andere schuldeiserbevoegdheden bij de pandgever dienen te blijven “omdat deze de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen”, kan ik geen ruimte lezen voor contractuele afwijkingen. De passage waarin deze woorden staan, doet uitkomen dat die woorden dienen om aan te geven dat het gaat om een gezichtspunt dat in het algemeen geldt, welk gezichtspunt – blijkens het vervolg van de passage in de wetsgeschiedenis – de in art. 3:246 BW Pro neergelegde bevoegdheidsverdeling als een vaste regel rechtvaardigt, in de gedachtegang van de wetgever. Dit laat geen ruimte om te differentiëren naar gevallen waarin dit (in het algemeen opgaande) gezichtspunt wellicht niet of wat minder speelt en waarin daarom in zoverre van de wettelijke verdeling zou kunnen worden afgeweken. Daarbij laat ik nog daar dat onmogelijk op voorhand valt uit te maken wanneer zo’n geval zich in concreto voordoet en daarom een afwijking mogelijk is te achten (hoe moet de definitie van die afwijking luiden?).
3.46
Er is dus naar ik meen onmiskenbaar geen ruimte om af te wijken van art. 3:246 BW Pro, mede gelet op het IAE/Neo River-arrest.”
3.16
In het arrest MFE/Stibbe speelden twee vragen. De eerste vraag was of de pandhouder na de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar de procedure waarin de pandgever nakoming van de vordering vordert van de schuldenaar, op de voet van de art. 225 en Pro 227 Rv kan overnemen. De tweede vraag is hiervoor in 3.15 al vermeld. Met betrekking tot de eerste vraag heeft de Hoge Raad, zoals hiervoor in 3.7 bleek, beslist dat de pandhouder, ook al is hij geen rechtsopvolger onder bijzondere titel als bedoeld in art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, het geding kan overnemen, mits de procederende pandgever zich daartegen niet verzet. Dat laatste deed de pandgever in die zaak wel, waardoor het eerste onderdeel van het middel van de pandhouder in die zaak niet tot cassatie kon leiden. [35]
Met die beslissing bleef het antwoord op de tweede vraag van belang voor de uitkomst van het cassatieberoep in die zaak. Als een pandhouder met goederenrechtelijke werking kan bedingen dat hij exclusief bevoegd is om te procederen over de vordering, zoals de pandhouder in het tweede onderdeel van het middel in de zaak van het arrest betoogde – met een beroep op een clausule van die strekking in de pandakte –, dan kon de pandgever in die zaak – uitgaande van de geldigheid van die clausule, die in cassatie uitgangspunt moest zijn, omdat het hof daarover niet had beslist – zich niet tegen de overname van het geding door de pandhouder verzetten, omdat hij daartoe dan niet het recht had. In dat geval had het eerste onderdeel wel tot cassatie moeten leiden. Het was dus noodzakelijk dat ook op het tweede onderdeel werd beslist door de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het tweede onderdeel dan ook behandeld in zijn arrest. Hij heeft dat onderdeel met toepassing van art. 81 RO Pro verworpen. Zijn oordeel over dat onderdeel volgde echter ook al uit zijn oordeel over het eerste onderdeel. Dat hield immers in dat het verzet tegen de overname van het geding door pandgever MFE meebracht dat de pandhouder het geding niet kon overnemen. Tot dat oordeel kon de Hoge Raad, gelet op de stellingen waarop bij het tweede onderdeel een beroep werd gedaan, uitsluitend komen als hij art. 3:246 BW Pro van dwingend recht acht(te).
3.17
Tegen de hiervoor in 3.16 weergegeven achtergrond valt het arrest MFE/Stibbe dus niet anders te begrijpen dan dat de Hoge Raad art. 3:246 BW Pro van dwingend recht acht, overeenkomstig de wettekst, de wetsgeschiedenis en zijn eerdere rechtspraak. De Hoge Raad moest als gezegd om de hiervoor genoemde reden inhoudelijk ingaan op het tweede onderdeel en hij kon dit onderdeel alleen verwerpen als hij van art. 3:246 BW Pro van dwingend recht acht(te). Klaarblijkelijk heeft hij gevonden dat dit karakter van die bepaling zo duidelijk is om de hiervoor genoemde redenen, dat hij van oordeel was dat hij geen gemotiveerde beslissing hierover meer behoefde te geven. Ik wijs op het criterium dat geldt voor het toepassen van art. 81 RO Pro, waaruit volgt dat rechtsvragen waarop het antwoord al voldoende duidelijk is, geen beantwoording door de Hoge Raad behoeven. Ik wijs ook op het door de Hoge Raad reeds lang uitgedragen en toegepaste beleid dat het feit dat hij om een wezenlijk andere reden een middel ongegrond oordeelt dan de A-G in zijn conclusie in de zaak heeft genoemd, voor hem een reden is om een gemotiveerde beslissing te geven, opdat partijen en de praktijk steeds een voldoende indicatie hebben voor de grond van verwerping van de klacht door de Hoge Raad, zodat het gebruik van art. 81 RO Pro voor hen aanvaardbaar is. [36] In dit geval was de enige grond die de conclusie voor de verwerping van het onderdeel noemde, dat art. 3:246 BW Pro van dwingend recht is.
De betekenis van deze verwerping met art. 81 RO Pro lijkt dus wel duidelijk.
3.18
Kennelijk zijn echter de hiervoor in 3.16 en 3.17 genoemde gezichtspunten die tot deze slotsom leiden, onvoldoende helder dan wel bekend. In de commentaren op het arrest wordt de hiervoor genoemde slotsom namelijk niet getrokken of zelfs maar als een mogelijkheid genoemd, laat staan naar die gezichtspunten verwezen. Zo meent Verstijlen in zijn noot in de NJ dat de Hoge Raad geen antwoord op de tweede vraag heeft gegeven. [37] Hetzelfde geldt voor Van der Linden van Sprankhuizen in haar proefschrift [38] en De Bruin en De Bruin in hun noot onder het arrest in Ondernemingsrecht. [39] Faber gaat in zijn noot in de JOR er zonder meer van uit dat op die vraag geen antwoord wordt gegeven in het arrest. [40] Vermoedelijk zijn er ook andere auteurs die hiervan uitgaan.
Het ligt daarom denk ik voor de hand dat de Hoge Raad zich in deze zaak alsnog uitdrukkelijk uitlaat over genoemde vraag. De praktijk heeft immers behoefte aan duidelijkheid over het antwoord daarop (zie hiervoor in 3.8-3.9).
Bespreking onderdeel 1
3.19
Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.14 van het tussenarrest dat ING niet op grond van haar inningsbevoegdheid ex art. 3:246 lid 1 BW Pro een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten.
Subonderdeel 1.1klaagt dat dit oordeel miskent dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder ook de bevoegdheid omvat om met betrekking tot de verpande vordering een schikking te treffen die ertoe strekt de verpande vordering te innen. De inningsbevoegde pandhouder komt immers alle bevoegdheden toe die strekken tot inning of het nemen van verhaal op het vermogen van de debiteur van de verpande vordering. In het kader van een dergelijke schikking is de inningsbevoegde pandhouder ook bevoegd een verpande vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden, althans om (gedeeltelijk) afstand te doen van zijn inningsbevoegdheid.
Volgens
subonderdeel 1.2is het oordeel van het hof in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stelling van ING met de strekking dat de schikking met Emtes werd getroffen in het kader van de inning en inhield dat aan ING Bank een bedrag van € 10.000,- zou worden betaald ter voldoening van de huurtermijnen voor de maanden juli 2017 tot en met februari 2018, met een ontbindende voorwaarde voor het geval de curator tot opeising van de huurtermijnen overgaat. Die stellingen laten zich immers niet anders uitleggen dan dat sprake is van een schikking die strekt tot inning van de verpande vordering doordat ING Bank de verpande vordering (gedeeltelijk) kwijtscheldt althans (gedeeltelijk) afstand doet van haar inningsbevoegdheid, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat ING Bank niet bevoegd was om deze schikking te treffen.
Subonderdeel 1.3bevat een voortbouwklacht.
3.2
De subonderdelen falen om de hiervoor in 3.3-3.8 genoemde redenen. Ze miskennen in het bijzonder dat de pandhouder met een schikking afstand doet van rechten die niet aan hem, maar aan de pandgever toekomen. Natuurlijk kan de pandhouder, zoals subonderdeel 1.1 mede betoogt, afzien van inning, maar dan zal hij de pandgever wel ex art. 3:246 lid 4 BW Pro toestemming moeten geven om zelf de vordering te innen. [41] Dit geval is in deze zaak echter niet aan de orde. ING heeft immers uitdrukkelijk beoogd een schikking aan te gaan die mede [schuldenaar] en de boedel bindt, zoals zij ook heeft bedongen in art. 18 lid 3 onder Pro c AV.
Bespreking onderdeel 2
3.21
Onderdeel 2 bestrijdt de oordeel van het hof in rov. 2.5 eindarrest (i) dat de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV toegekende schikkingsbevoegdheid een contractuele regeling is en niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht, en (ii) dat als de schikkingsbevoegdheid in art. 18 lid 3 onder Pro c AV wel moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, die uitbreiding in strijd is met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof met het oordeel dat de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV toegekende schikkingsbevoegdheid een contractuele regeling is en niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht en hetgeen het hof daaraan ten grondslag legt, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De curator heeft zich volgens het subonderdeel niet op het standpunt gesteld dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV geen goederenrechtelijke, maar slechts een contractuele regeling betreft.
Voor zover het hof de stelling van de curator in zijn akte na tussenarrest dat gelet op de bewoordingen van art. 18 lid 3 AV Pro sprake is van volmacht, zo heeft uitgelegd dat de curator daarmee (tevens) zou hebben gesteld dat geen sprake is van een goederenrechtelijke, maar (slechts) van een contractuele toekenning van de schikkingsbevoegdheid, is die uitleg volgens
subonderdeel 2.2onbegrijpelijk. Het baseren door het hof van zijn oordeel op een dergelijke uitleg van die stellingen is volgens het subonderdeel bovendien in strijd met de tweeconclusieregel. De curator kon een dergelijke stelling voor het laatst innemen in de memorie van grieven.
Subonderdeel 2.3bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV niet een goederenrechtelijke regeling inhoudt, (enkel) omdat in die bepaling niet de in art. 18 lid 3 onder Pro a AV genoemde nevenrechten worden uitgewerkt, onbegrijpelijk is. Het recht op nevenrechten, zoals rente, houdt volgens het subonderdeel immers geen verband met de (aard van de) schikkingsbevoegdheid die de pandhouder ten aanzien van de hoofdvordering verkrijgt.
Volgens
subonderdeel 2.4heeft het hof miskend dat de vraag of de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV toegekende schikkingsbevoegdheid een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht betreft, niet enkel op basis van de bewoordingen van de bepaling kan worden beantwoord en dat de bedoelingen van partijen beslissend zijn.
Subonderdeel 2.5bevat de klacht dat het hof met het oordeel dat de wet geen ruimte biedt om het pandrecht uit te breiden met schikkingsbevoegdheid voor de pandhouder, miskent dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder reeds de bevoegdheid omvat om met betrekking tot de verpande vordering een schikking te treffen die ertoe strekt (een deel van) de verpande vordering te innen.
Subonderdeel 2.6voert aan dat het oordeel van het hof dat een uitbreiding van het pandrecht met schikkingsbevoegdheid van de pandhouder in strijd is met de geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het objectieve recht (en in het bijzonder geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem en art. 3:246 BW Pro) verzet(ten) zich er volgens het subonderdeel niet tegen dat aan de pandhouder wordt toegekend de bevoegdheid om een schikking te treffen met betrekking tot de verpande vordering en om deze in dat kader (gedeeltelijk) kwijt te schelden (met goederenrechtelijk effect).
3.22
De subonderdelen falen. Zoals hiervoor besproken in 3.9-3.17, is het oordeel van het hof dat niet met goederenrechtelijk effect kan worden overgekomen dat de pandhouder bevoegd is om een schikking te treffen met betrekking tot de vordering, juist. Art. 18 lid 3 onder Pro c AV kan daarom alleen een contractuele regeling zijn, zoals het hof mede heeft geoordeeld. Op een en ander lopen alle klachten van de subonderdelen reeds stuk.
De curator heeft bovendien uitdrukkelijk aangevoerd dat niet met goederenrechtelijk effect kan worden overeengekomen dat de pandhouder bevoegd is om een schikking te treffen met betrekking tot de vordering. [42] Uit dit standpunt volgt dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV zijns inziens alleen een contractuele regeling kan zijn. Anders dan subonderdeel 2.1 aanvoert, heeft de curator dus weldegelijk aangevoerd dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV een contractuele regeling is. Dat wordt niet anders door het feit dat de curator die bepaling heeft geduid als de verlening van een volmacht – overigens niet pas bij akte na tussenarrest zoals subonderdeel 2.2 aanvoert, maar al bij memorie van grieven [43] –, welke kwalificatie volgens het hof niet juist is om de in rov. 3.21 tussenarrest door hem genoemde reden. De kwalificatie van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten is immers op grond van art. 25 Rv Pro aan de rechter en behoeft dus niet op de juiste wijze plaats te vinden door partijen. Ook om deze reden gaan de klachten van de subonderdelen 2.1 en 2.2 niet op.
De subonderdelen 2.3 en 2.4 stuiten mede daarop af dat de uitleg van art. 18 lid 3 onder Pro c AV door het hof van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk. Bovendien heeft het hof bij zijn beslissing in rov. 2.5 uitdrukkelijk rekening ermee gehouden dat met die bepaling wel goederenrechtelijk effect is bedoeld. Het heeft immers juist voor dat geval geoordeeld dat dit effect daaraan niet bij overeenkomst kan worden verbonden (rov. 2.5 vijfde zin).
De klacht van subonderdeel 2.5 komt neer op een herhaling van de klacht van subonderdeel 1.1 en faalt dus om dezelfde reden.
Bespreking onderdeel 3
3.23
Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 2.12 eindarrest dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV op grond van art. 7:424 lid 1 BW Pro onder het toepassingsbereik van art. 7:422 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW valt, zodat de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV neergelegde toekenning van de bevoegdheid tot het treffen van een schikking is geëindigd met het faillissement van [schuldenaar] . Hetgeen het hof hiertoe in rov. 2.8-2.11 heeft overwogen, komt erop neer dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV de pandakte tot een overeenkomst in de zin van art. 7:424 lid 1 BW Pro maakt en dat de strekking van art. 18 lid 3 onder Pro c AV in verband met de aard van de pandakte zich niet tegen overeenkomstige toepassing van art. 7:422 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW verzet. Het hof verwerpt daarbij de betogen van ING dat een en ander niet zo is omdat de schikkingsbevoegdheid is verbonden aan de inningsbevoegdheid van de pandhouder.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof heeft miskend dat met het toekennen aan de pandhouder van de bevoegdheid om een schikking te treffen geen sprake is van een met lastgeving gelijk te stellen vorm van vertegenwoordiging als bedoeld in art. 7:424 lid 1 BW Pro. Volgens het subonderdeel is het treffen van een schikking door de inningsbevoegde pandhouder niet een rechtshandeling die voor rekening van de pandgever komt als bedoeld in art. 7:424 lid 1 BW Pro. Deze rechtshandelingen komen immers in de eerste plaats of in ieder geval ook voor rekening van de inningsbevoegde pandhouder, aldus het subonderdeel. In de oordelen van het hof ligt volgens het subonderdeel voorts of in ieder geval een miskenning besloten van de aard van met lastgeving gelijk te stellen vormen van vertegenwoordiging en van de (beperkte) reikwijdte van art. 7:424 lid 1 BW Pro en art.7:422 lid 1 BW Pro.
Subonderdeel 3.2bevat de klacht dat het oordeel van het hof in ieder geval onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van ING dat een schikking met betrekking tot de verpande vordering niet alleen de pandgever, maar juist ook de pandhouder raakt. De oordelen zijn volgens het subonderdeel temeer onbegrijpelijk nu de curator dit standpunt van ING bevestigt. Het hof had volgens het onderdeel nader moeten motiveren waarom ondanks deze tussen partijen vaststaande omstandigheid sprake is van een met lastgeving gelijk te stellen vorm van vertegenwoordiging.
Subonderdeel 3.3voert aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat de curator niet gesteld heeft dat sprake is van een met lastgeving gelijk te stellen overeenkomst. De curator heeft volgens het subonderdeel juist gesteld dat geen sprake is van lastgeving, omdat ING niet voor rekening van [schuldenaar] , maar voor eigen rekening heeft gehandeld. Daarvoor verwijst het subonderdeel naar de akte na tussenarrest van de curator.
Subonderdeel 3.4voert aan dat de aard van het pandrecht en meer specifiek de met het oog op de inning van een verpande vordering aan de pandhouder toegekende bevoegdheid om een schikking te treffen met betrekking tot de verpande vordering en deze in dat kader (deels) kwijt te schelden, zich verzet tegen verval van die bevoegdheid met faillissement van de pandgever. Het hof heeft dit volgens het subonderdeel miskend.
3.24
De klachten falen. Ze komen neer op een herhaling van het standpunt van ING dat de schikkingsbevoegdheid met betrekking tot de vordering thuishoort bij de inningsbevoegdheid die de pandhouder toekomt na mededeling van het pandrecht. Volgens ING maakt art. 18 lid 3 onder Pro c AV de pandakte dáárom niet tot een overeenkomst als bedoeld in art. 7:424 lid 1 BW Pro. Dat standpunt heeft het hof in rov. 2.9 en 2.11 eindarrest verworpen op grond van het al eerder door hem in zijn arresten gegeven oordeel dat, kort gezegd, gelet op de dwingendrechtelijke bevoegdheidsverdeling van art. 3:246 BW Pro de schikkingsbevoegdheid met betrekking tot de vordering niet thuishoort bij de inningsbevoegdheid die de pandhouder toekomt, maar juist bij de pandgever blijft. Zoals hiervoor besproken, is dat oordeel juist. Daaruit volgt ook de juistheid van het oordeel van het hof dat art. 18 lid 3 onder Pro c AV de pandakte (dus) tot een overeenkomst in de zin van art. 7:424 lid 1 BW Pro maakt en dat de strekking van art. 18 lid 3 onder Pro c AV in verband met de aard van de pandakte zich niet tegen overeenkomstige toepassing van art. 7:422 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW verzet. Alle klachten van de subonderdelen stuiten hierop reeds af.
3.25
Hiernaast nemen de subonderdelen ten onrechte tot uitgangspunt dat voor toepassing van art. 7:424 lid 1 BW Pro sprake moet zijn van met een ‘met lastgeving gelijk te stellen overeenkomst’. Art. 7:424 lid 1 BW Pro heeft immers blijkens zijn tekst in beginsel betrekking op ‘overeenkomsten krachtens welke de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten’, wat onmiskenbaar veel ruimer is. Aldus wordt die bepaling dan ook begrepen. [44]
Onjuist is voorts de stelling van subonderdeel 3.3 dat de curator geen beroep op art. 7:424 lid 1 BW Pro heeft gedaan. Dat heeft hij wel. [45] Overigens lag dat beroep al besloten in het standpunt van de curator dat ING alleen op basis van een volmacht kon schikken en dat die bevoegdheid door het faillissement van [schuldenaar] was vervallen. [46] Met aanvulling van rechtsgronden kon het hof op dit standpunt art. 7:424 lid 1 BW Pro en art. 7:422 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW toepassen, nu om de door het hof in rov. 3.21 en 3.24 tussenarrest genoemde redenen noch van volmacht, noch van lastgeving sprake was.
Voor zover de subonderdelen tot uitgangspunt nemen dat in dit geval een uitzondering op art. 7:424 lid 1 BW Pro op haar plaats is omdat art. 18 lid 3 onder Pro c AV in het belang strekt van ING en niet van [schuldenaar], merk ik op dat die omstandigheid niet in de weg staat aan de toepasselijkheid van art. 7:424 lid 1 BW Pro. Blijkens de art. 3:74 lid 1 BW Pro en 7:422 lid 2 BW heeft de wetgever immers uitdrukkelijk rekening gehouden met het geval dat een volmacht of last uitsluitend in het belang van de gevolmachtigde dan wel de lasthebber wordt gegeven, en voor dat geval op zichzelf een onherroepelijke volmacht dan wel last wettelijk mogelijk gemaakt, maar van de mogelijkheid van die onherroepelijkheid uitgezonderd het geval dat de volmachtgever dan wel de lastgever in staat van faillissement komt te verkeren. Art. 7:424 lid 1 BW Pro houdt nader rekening met het geval dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid in het belang van de vertegenwoordiger is overeengekomen, door ook het geval te noemen dat de ene partij
bevoegdis voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten (wat een verruiming is ten opzichte van lastgeving, zoals het hof terecht in rov. 3.25 tussenarrest in aanmerking neemt). Dat de bedongen schikkingsbevoegdheid in het belang van ING strekt, is dus, anders dan de subonderdelen betogen, geen mogelijke grond voor een uitzondering.
Slotsom
3.26
Het middel is ongegrond.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. voor de vaststaande feiten die relevant zijn voor de hiervoor in 1 genoemde geschilpunten tussen partijen waar het in cassatie nog uitsluitend om gaat, rov. 2.1, 2.6 en 2.7 van het arrest van het hof van 15 oktober 2024.
2.Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen van het hof in rov. 2.8-2.9 van het arrest van 15 oktober 2024. Vgl. ook de vaststellingen in rov. 4.1 onder 3, laatste gedachtestreepje, en rov. 5.16 van het vonnis van de rechtbank.
3.Rb. Overijssel 23 november 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3628,
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6376,
5.HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415,
6.HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833,
7.Het mede namens de curator gedane verzoek van ING om prejudiciële vragen te stellen over de schikkingsbevoegdheid van de pandhouder heeft het hof dan ook afgewezen (rov. 3.11).
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1553,
9.De procesinleiding in cassatie is bij de Hoge Raad ingediend op 18 juni 2025.
10.HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:217,
11.Toegegeven niet helemaal uitdrukkelijk, maar wel nagenoeg: in het arrest gaat het immers over ‘afstand’ en in arrest en wetsgeschiedenis worden genoemd ‘het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke handelingen’, waarbij onder die laatste handelingen onder meer worden gerekend ‘de ontbinding van de overeenkomst waaruit de verpande vordering voortspruit, de omzetting van de primaire verbintenis tot nakoming in een verplichting tot schadevergoeding en de beëindiging van de rechtsbetrekking waaruit de opeisbare en toekomstige vorderingen zijn verpand’. Op grond van art. 7:900 BW Pro binden partijen bij een schikking zich aan een vaststelling van de rechtsverhouding die mogelijk afwijkt van wat deze werkelijk inhoudt of meebrengt.
12.In dat verband vermeld ik dat de advocaat van ING voorafgaand aan deze procedure het arrest IAE/Neo River om deze reden zelfs merkwaardig noemde. Zie zijn als productie 16 bij de inleidende dagvaardding overgelegde brief.
13.Zoals ik meer uitvoerig heb opgemerkt in mijn conclusie in zaak 23/04736, ECLI:NL:PHR:2024:990 (waarin de Hoge Raad geen arrest heeft gewezen doordat Rabobank haar cassatieberoep in die zaak heeft ingetrokken), beraadt de wetgever zich momenteel over de rechten in faillissement. Zie onder 3.22 en 3.23 van die conclusie.
14.Zie van de auteurs die een ander stelsel wenselijk achten, maar erkennen dat daarvoor een wetswijziging nodig is, bijvoorbeeld Faber, noot onder het arrest Megalim/De Veenbloem, in JOR 2017/25, onder 4, en noot onder Rb. Midden-Nederland 18 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5998, JOR 2020/100, onder 5, en J.J. van Hees in zijn hiervoor in voetnoot 3 genoemde noot in de JOR onder het vonnis van de rechtbank in deze zaak, onder 4. Zie voor het overige bijvoorbeeld S.J.L.M. van Bergen, Algemene bepalingen pand en hypotheek (Mon. BW nr. B11) 2025/23, R.M. Wibier, Overgang vorderingen en schulden en afstand vorderingen (Mon. BW nr. B44) 2020/11, Asser/Van Mierlo & Krzemiński 3-VI 2024/214b, en A. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2022/89.
15.Zie daarover bijvoorbeeld S. Houdijk & M.S. Breeman, ‘De reikwijdte van de (innings)bevoegdheid van de openbare pandhouder’,
16.Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 3 (onder 3) en p. 14. Zie voor een uitvoerige bespreking hiervan T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007. Vgl. bijv. ook kort A-G Rank-Berenschot conclusie voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1331, NJ 2023/78, m.nt. F.M.J. Verstijlen, en heel kort Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/40.
17.Zie voor een en ander Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 3 (onder 3, tweede alinea), waarover T.H.D. Struycken, a.w., p. 382-384.
18.Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 4 (onder 10). Zie ook T.H.D. Struycken, a.w., p. 384-386.
19.Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 3 (onder 3, derde alinea), waarover T.H.D. Struycken, a.w., p. 386-388.
20.A-G Rank-Berenschot, conclusie voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1331, NJ 2023/78, m.nt. F.M.J. Verstijlen, mede met verwijzing naar HR 16 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5907,
21.Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 4 (onder 10). Zie ook T.H.D. Struycken, a.w., p. 382-386.
22.N.E.D. Faber, noot onder HR 9 december 2016,
23.B.A. Schuijling, noot onder HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415,
24.G.G. Boeve & S. Jansen, ‘Over superfoods en verdeling van bevoegdheden tussen pandhouder en pandgever’,
25.A.J.M. Roos en M.A.J. Hartman, ‘Pandrecht: over schuldeisersbevoegdheden en uitwinning’, NTHR 2014, nr. 4 p. 186. Zie over verbintenisrechtelijke afspraken ook T.H.D. Struycken, a.w., p. 382-386.
26.K. Everaars, Partijautonomie bij beperkte rechten, NTBR 2021/19, onder 3.
27.A. Steneker,
28.R. Bobbink, ‘De schikkingsbevoegdheid van de pandhouder in rechtsvergelijkend perspectief’,
29.HR 1 april 1927, ECLI:NL:HR:1927:200,
30.F.F.L. van der Linden van Sprankhuizen, Pandrecht en executie (O&R nr. 164) 2026/3.2.4.4.
31.T.B. de Clerck, ‘Over de bevoegdheid van de pandgever om afstand te doen van een verpande vordering’, Bb 2014/62.
32.M.C.J. Jonckers en J.M.J.M. van Eck, ‘De schikkende pandhouder – De deur op een kier voor goederenrechtelijke partijafspraken?’,
33.S. Houdijk & M.S. Breeman, 'De reikwijdte van de (innings)bevoegdheid van de openbare pandhouder', FIP 2016/217.
34.Hetgeen hiervoor in 3.10-3.14 van deze conclusie staat vermeld, heb ik goeddeels al opgemerkt onder 3.39-3.43 van de conclusie voor dat arrest.
35.Zie voor e.e.a. rov. 3.1.4-3.1.6 van het arrest.
36.Vanwege genoemd beleid wordt een verwerping met art. 81 RO Pro dan ook wel opgevat als een blijk van instemming met de conclusie van de A-G op in elk geval – grosso modo – de hoofdlijn (‘partijen kunnen uit de conclusie afleiden waarom het beroep in hoofdzaak niet opgaat’). Dat ligt ook nogal voor de hand omdat de conclusie in de regel een beschrijving bevat van het positieve recht, wat aansluit bij het criterium voor toepassing van art. 81 RO Pro, alsmede een bespreking van de cassatieklachten.
37.Zie onder 12 van die noot, NJ 2024/260.
38.F.F.L. van der Linden van Sprankhuizen, Pandrecht en executie (O&R nr. 164) 2026/3.2.4.4.
39.Ondernemingsrecht 2024/80.
40.JOR 2024/126.
41.Vgl. de hiervoor in 3.5 aangehaalde toelichting op art. 3:246 lid 4 BW Pro.
42.Zie onder meer zijn memorie van grieven onder 121-122, zijn spreekaantekeningen in hoger beroep onder 21-28 en de akte uitlaten na tussenarrest, onder 5 en 8.
43.Zie onder 116 daarvan. Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 20 juni 2024, p. 10. Het hof heeft deze passages ook zo opgevat. Zie rov. 3.20 tussenarrest, waarover in cassatie niet wordt geklaagd.
44.Vgl. bijv. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/299 en GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:424 BW Pro, aant. 1 (J. Nijland, actueel t/m 23-01-2026), beide met verdere verwijzingen.
45.Akte na tussenarrest onder 15 en 16.
46.Memorie van grieven onder 116.