Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
- regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten;
- in uitgesproken beslissingen te berusten of daartegen rechtsmiddelen aan te wenden;
- een andere dan de oorspronkelijk verschuldigde prestatie in ontvangst te nemen; en verder alles te verrichten wat de geldgever nodig acht, daaronder begrepen het vast (laten) stellen van de verpande vordering en de indiening van deze in de boedel van de debiteur daarvan in geval van faillissement, surséance van betaling, moratorium, of minnelijk- of gerechtelijk akkoord, een en ander met uitsluiting van de schuldenaar. (...) ”
of bevoegd is[onderstreping hof] voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.”
Pandrecht op een vordering omvat ook pandrecht op nevenrechten(…)”. Onderdeel c is niet een uitwerking van deze goederenrechtelijke nevenrechten, maar begint met de bewoordingen “
De geldgever is voorts bevoegd terzake van de verpande vordering geheel naar eigen goeddunken voor rekening voor rekening van de schuldenaar(…)
regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten(..)”. Als de schikkingsbevoegdheid in artikel 18 lid 3 onder Pro c wel is bedoeld en moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, dan is naar het oordeel van het hof die uitbreiding als door ING bepleit in strijd met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem. Onder deze regel van het privaatrecht wordt over het algemeen verstaan het uitgangspunt dat partijen in het rechtsverkeer alleen de in de wet geregelde goederenrechtelijke rechten kunnen vestigen en dus niet zelf nieuwe typen goederenrechtelijke rechten kunnen creëren. Partijen kunnen de inhoud van de in de wet geregelde beperkte rechten alleen aanvullen of beperken voor zover de wet daartoe ruimte biedt. De wet biedt geen ruimte om het pandrecht uit te breiden met een schikkingsbevoegdheid (voor de pandhouder). Dit volgt ook uit de in het tussenarrest genoemde Neo River- en Megalim/Veenblom-arresten van de Hoge Raad uit 2014 en 2016. In laatstgenoemd arrest staat uitdrukkelijk (…) dat andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering ingevolge de wet bij de pandgever blijven rusten en dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan handelingen
“als het verlenen van kwijtschelding”. De bevoegdheid om “
regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te treffen” omvat, zoals overwogen, juist (mede) de bevoegdheid tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verpande vordering kan – anders dan inning door de pandhouder – de belangen van de pandgever en zijn andere schuldeisers diepgaand treffen, terwijl de pandhouder slechts in de verpande vordering is geïnteresseerd voor zover dit voldoening van zijn vordering waarborgt.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
IAE/Neo River-arrest, [23] zijn er, anders dan bijvoorbeeld bij vruchtgebruik het geval is, nauwelijks aanknopingspunten te vinden in de wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak dat art. 3:246 BW Pro van regelend recht zou zijn. Boeve en Jansen sluiten zich hierbij aan. [24] Volgens Roos en Hartman is de heersende opvatting dat art. 3:246 BW Pro van dwingend recht is, en dat aan aanvullende afspraken tussen pandhouder en pandgever omtrent schuldeisersbevoegdheden derhalve alleen verbintenisrechtelijke werking kan toekomen. Die afspraken kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de pandgever de schuld niet kwijtscheldt of afstand doet van de vordering zonder toestemming van de pandgever. [25] Ook Everaars meent dat, gelet op de wet en de rechtspraak, art. 3:246 BW Pro een dwingendrechtelijke regeling bevat van de bevoegdheidsverdeling tussen pandgever en pandhouder, die aan een schikkingsbevoegdheid van de pandhouder met goederenrechtelijke werking in de weg staat. [26] Steneker meent eveneens dat het niet mogelijk is om andere schuldeisersbevoegdheden over te dragen. Als dat wél mogelijk zou zijn, dan zou dat volgens hem wel in de wettekst hebben gestaan (zoals in art. 3:239 lid 3 laatste Pro zin BW en art. 3:251 lid 2 BW Pro). [27] Een beding waarmee de pandhouder met goederenrechtelijke werking een exclusieve schikkingsbevoegdheid verkrijgt, is ook volgens Bobbink niet mogelijk. Zijns inziens kan de pandhouder alleen schikken met voorafgaande toestemming van de pandgever of de voorzieningenrechter. [28] Van der Linden van Sprankhuizen sluit zich in haar proefschrift bij deze opvatting aan en wijst er nog op dat de opvatting dat de regeling van de bevoegdheidsverdeling van dwingend recht is, aansluit bij het onder oud BW gewezen arrest
[…] /Bank voor Diamanthandel. [29] In dat arrest is overwogen dat:
IAE/Neo River-arrest. [34] Tot die slotsom kwam ik op grond van het voorgaande en het volgende:
Subonderdeel 1.1klaagt dat dit oordeel miskent dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder ook de bevoegdheid omvat om met betrekking tot de verpande vordering een schikking te treffen die ertoe strekt de verpande vordering te innen. De inningsbevoegde pandhouder komt immers alle bevoegdheden toe die strekken tot inning of het nemen van verhaal op het vermogen van de debiteur van de verpande vordering. In het kader van een dergelijke schikking is de inningsbevoegde pandhouder ook bevoegd een verpande vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden, althans om (gedeeltelijk) afstand te doen van zijn inningsbevoegdheid.
subonderdeel 1.2is het oordeel van het hof in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stelling van ING met de strekking dat de schikking met Emtes werd getroffen in het kader van de inning en inhield dat aan ING Bank een bedrag van € 10.000,- zou worden betaald ter voldoening van de huurtermijnen voor de maanden juli 2017 tot en met februari 2018, met een ontbindende voorwaarde voor het geval de curator tot opeising van de huurtermijnen overgaat. Die stellingen laten zich immers niet anders uitleggen dan dat sprake is van een schikking die strekt tot inning van de verpande vordering doordat ING Bank de verpande vordering (gedeeltelijk) kwijtscheldt althans (gedeeltelijk) afstand doet van haar inningsbevoegdheid, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat ING Bank niet bevoegd was om deze schikking te treffen.
subonderdeel 2.2onbegrijpelijk. Het baseren door het hof van zijn oordeel op een dergelijke uitleg van die stellingen is volgens het subonderdeel bovendien in strijd met de tweeconclusieregel. De curator kon een dergelijke stelling voor het laatst innemen in de memorie van grieven.
subonderdeel 2.4heeft het hof miskend dat de vraag of de in art. 18 lid 3 onder Pro c AV toegekende schikkingsbevoegdheid een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht betreft, niet enkel op basis van de bewoordingen van de bepaling kan worden beantwoord en dat de bedoelingen van partijen beslissend zijn.
bevoegdis voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten (wat een verruiming is ten opzichte van lastgeving, zoals het hof terecht in rov. 3.25 tussenarrest in aanmerking neemt). Dat de bedongen schikkingsbevoegdheid in het belang van ING strekt, is dus, anders dan de subonderdelen betogen, geen mogelijke grond voor een uitzondering.