Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
16.3 Aansprakelijkheid na oplevering
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel IAknopen aan bij de volgende stellingen van [aannemer] in zijn memorie van antwoord: [7]
subonderdeel IBverwijzen naar de volgende stellingen van [aannemer] in feitelijke aanleg: [12]
Het vervalbeding van artikel 16.3, derde en vierde lid, AVA 2013 is een onredelijk bezwarend/oneerlijk beding
subonderdeel II.3.
niets zegtover de oneerlijkheid van een concreet beding in een individueel geval is evident onjuist. Die omstandigheid behoort, naast de andere omstandigheden van het geval, integendeel te worden meegewogen. De steller van het middel [25] wijst ons op een arrest van uw Raad over een beding in de Algemene Bankvoorwaarden uit 2012: [26]
een factor van belang. [27] Dat is wat anders dan aan te nemen dat zulke voorwaarden nooit oneerlijke of onredelijk bezwarende bedingen zouden kunnen bevatten, of dat de rechter bij toets van zulke bedingen terughoudend zou moeten zijn. Ik citeer de monografie van Loos, omdat wat hij schrijft mijns inziens illustratief is voor de nuances waarmee de kwestie wordt benaderd en ook behoort te worden benaderd (in het belang van de leesbaarheid laat ik voetnoten weg): [28]
individueelgeval’ en op het vervolg: ‘De toetsing daarvan is
aan de rechter’.Blijft immers staan dat de omstandigheid dat algemene voorwaarden zijn opgesteld in samenspraak met consumentenorganisaties
meeweegtbij de toets van de rechter of een concreet beding in een individueel geval oneerlijk is. Ik heb overwogen of we het arrest van het hof eventueel in deze zin mogen lezen, maar voel daarvoor niet (1) omdat ik geen enkele aanwijzing in het arrest van het hof zie dat het de bemoeienis door consumentenorganisaties bij de totstandkoming van de (gelijkluidende) algemene voorwaarden heeft meegewogen en (2) in verband met wat ik hiervoor 3.17 vooropstelde over de eisen die behoren te worden gesteld aan de motivering van een uitspraak met grote gevolgen.
subonderdeel II.1.
rechtsvorderinguit hoofde van het in lid 2 sub b bedoelde gebrek is
niet ontvankelijk, indien zij wordt
ingesteldna…’ Ik zou menen dat aan deze tekst dus maar liefst drie aanwijzingen zijn te vinden voor een lezing volgens welke de overeengekomen vervaltermijn alleen de rechtsvordering doet vervallen. Ik merk in dat verband nog op dat ook met betrekking tot de sterk gelijkende formulering van paragraaf 12 lid 4 UAV in de wereld van de bouwarbitrage algemeen wordt uitgegaan van een uitleg volgens welke alleen de rechtsvordering vervalt en een natuurlijke verbintenis resteert. [34] Nalopen van de door de klachten vermelde vindplaatsen brengt mij tot de overtuiging dat ook het partijdebat het hof geen aanleiding gaf tot zijn uitleg van artikel 16.3 lid 3 AVA 2013 als leidende tot een algeheel verval van rechten. Ook in zoverre treft het subonderdeel dus doel.
subonderdeel II.4.
in de onderhoudstermijn aan de dag is getreden’.De onderhoudstermijn bedraagt hier 30 dagen. [35] De termijn van artikel 16 lid 3 AVA Pro 2013 ziet dus naar zijn aard niet op gebreken die de consument-opdrachtgever nog niet heeft ontdekt (want in plaats daarvan op gebreken die in de eerste 30 dagen na oplevering zijn gebleken). [36]