Conclusie
1.Procesverloop (vervolg)
Hierdoor verzoek ik de griffier van het gerechtshof Den Haag om in het rechtsmiddelenregister in te schrijven dat op 21 augustus jl. door mij cassatieberoep is ingesteld tegen:
22 mei 2024 van het gerechtshof Den Haag, Team Familie, zaaknummer 200.313.490/01 en 200.313.813/01.
partijen in deze zaak zijn:
[de man] , voornoemd, weigert om na te melden rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om de verkoop en levering te laten plaatsvinden aan de hierna te noemen koper. De beschikking ex artikel 3:300 lid 1 en Pro 2 Burgerlijk Wetboek treedt in de plaats van de door hem te verrichten rechtshandelingen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad.
In aanvulling op mijn eerdere bericht meld ik nog dat ik vandaag navraag heb gedaan bij de griffie Familiezaken van het Hof Den Haag of het cassatieberoep is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Volgens de griffie was dit niet het geval. Naar mijn mening ligt het op de weg van een advocaat die een rechtsmiddel instelt om ervoor zorg te dragen dat die inschrijving daadwerkelijk tijdig gebeurt. Dat betekent niet alleen een kort briefje, maar een gedocumenteerd verzoek, vergezeld van het inleidend processtuk in cassatie en tijdig (binnen de termijn) nabellen of het e.e.a. ook daadwerkelijk tijdig is gebeurd. Nu dat alles kennelijk achterwege is gebleven, handhaaf ik het beroep op niet-ontvankelijkheid. Ik heb van de griffie om een schriftelijke bevestiging per email gevraagd dat het e.e.a. niet is ingeschreven, maar die heb ik tot aan heden nog niet ontvangen. Mocht dat op korte termijn anders zijn dan zal ik dat stuk nog uploaden.”
Ik blijf erbij dat mij telefonisch is medegedeeld dat er geen inschrijving in het register heeft plaatsgevonden. Ik blijf er ook bij dat het de verantwoordelijkheid is van een advocaat die om inschrijving verzoekt dat dit ook tijdig en daadwerkelijk gebeurt. Inderdaad kan dat nabellen vereisen. Dan is men ook verzekerd van een bewijs van inschrijving dat dan later kan worden overgelegd. Een enkele indiening van een verzoek tot inschrijving is m.i. dus niet voldoende indien dat niet tot daadwerkelijke inschrijving leidt.”
De brief van mr. R.[K]
. van der Brugge van 26 augustus 2024 inzake het verzoek om inschrijving van het cassatieberoep van 21 augustus 2024 in het rechtsmiddelenregister in de zaak [de man] / [de vrouw] tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2024 (zaaknummers 200.313.490 en 200.313.813) is op diezelfde datum, 26 augustus 2024, ontvangen bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit intern onderzoek is naar voren gekomen dat deze brief kennelijk de civiele griffie niet heeft bereikt. Vaststaat dat voor wat betreft de onderhavige zaken inschrijving in het rechtsmiddelenregister niet heeft plaatsgevonden.”
2.Achtergrond en werking van het rechtsmiddelenregister
facultatieveaantekening van een tegen een uitspraak ingesteld rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel verplicht gesteld. Zie art. 3:27 lid Pro 3, 3:29 lid 3 en 5:32 lid 4 BW (deze laatste bepaling ook in verbinding met art. 5:35 BW Pro).
inschrijvingin de openbare registers niet relevant is of een rechtsmiddel is ingesteld. De uitvoerbaarheid bij voorraad brengt immers in deze gevallen mee dat uitspraken zijn in te schrijven ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel. Voor inschrijving in de openbare registers is – zoals ook blijkt uit de tekst van art. 25 lid 1 Kadasterwet Pro (zie randnummer 2.11 van deze conclusie) – daarom dan ook geen griffiersverklaring nodig.
ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid”. [15]
kunnenblijken dat ze kracht van gewijsde heeft verkregen, bijvoorbeeld doordat de griffiersverklaring na verloop van de rechtsmiddelentermijn alsnog wordt ingeschreven in de openbare registers. [17] Ik vraag me af of een dergelijke inschrijving van de griffiersverklaring naderhand daadwerkelijk meer rechtszekerheid biedt dan het stelsel van bescherming van vertrouwen op de registers, eventueel in samenhang met de notariële recherche. Ik licht het een en ander toe.
samen metpartij B een zeker registergoed te verkopen en leveren aan een vooralsnog onbekende partij C, dan doet deze partij C er goed aan om bij het sluiten van de koop na te vragen wat de status van de uitspraak is, zeker als de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken. [22] Het komt mij voor dat de bij de levering tussenkomende notaris moet zekerstellen dat alle voor hem comparerende partijen begrijpen wat een levering met behulp van een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde uitspraak ter vervanging van een gedeelte van de akte voor hen betekent. [23] Het komt er dan op aan of partij B partij C ervan weet te overtuigen dat partij A binnen de rechtsmiddelentermijn geen rechtsmiddel zal instellen of, als de rechtsmiddelentermijn is verstreken, heeft ingesteld. Daarvoor zijn eenvoudiger middelen dan een griffiersverklaring denkbaar, bijvoorbeeld een verklaring van partij A of haar advocaat. Ook denkbaar is dat partij B partij C ervan overtuigt dat de overdracht ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel voldoende betrouwbaar zal zijn.
niethet tijdstip van de daadwerkelijke inschrijving, wordt gehouden voor het tijdstip van inschrijving in de openbare registers van bijvoorbeeld een notariële akte, en omdat (2) een onvolledig rechtsmiddelenregister op zichzelf nog geen rechtsschijn in het leven roept en de vertraagde aantekening in het in die zaak voorliggende geval klaarblijkelijk niemand op het verkeerde been heeft gezet. [30] Volgens A-G Valk zou de verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij moeten eindigen met de aanbieding ter aantekening. [31]
3.Ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep
de dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld” moet worden “
ingeschreven” in het rechtsmiddelenregister: