Conclusie
hierna: de moeder
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het hof miskent dat wanneer de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van rechtswege is geëindigd door het verstrijken van de door de kinderrechter bepaalde duur, de rechter in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek de verlopen ondertoezichtstelling niet meer kan verlengen en evenmin een nieuwe ondertoezichtstelling kan uitspreken. In dat geval ligt het op de weg van de raad voor de kinderbescherming om een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen bij de kinderrechter. Indien de raad voor de kinderbescherming hiervan afziet, heeft een ouder de mogelijkheid om dit verzoek te doen (art. 1:255 lid 2 BW Pro). (
onderdeel 1a)
Het hof miskent dat het niet bevoegd is om in hoger beroep een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken, omdat daarvoor de procedure bij de kinderrechter is voorgeschreven (art. 1:255 BW Pro). Bovendien is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door zelfstandig een nieuwe ondertoezichtstelling van de minderjarigen uit te spreken, hoewel geen van de partijen hierom heeft verzocht. Een nieuwe ondertoezichtstelling kan alleen door de kinderrechter worden uitgesproken op grond van een verzoek van de raad voor de kinderbescherming of een van de andere in art. 1:255 lid 2 BW Pro genoemde belanghebbenden. (
onderdeel 1b)
Bij het slagen van een van de voorgaande klachten kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de GI en de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep. (
onderdeel 1c)
Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof de op 5 februari 2025 verlopen ondertoezichtstelling van de minderjarigen heeft verlengd, mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft de ondertoezichtstelling niet verlengd, maar de minderjarigen opnieuw onder toezicht gesteld; zie rov. 5.9 (‘Het hof zal zoals aangegeven de kinderen (opnieuw) onder toezicht stelen van de GI met ingang van heden tot 5 februari 2026.’).
In hoger beroep had het hof te oordelen over het verzoek van de vader en de GI om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen; zie rov. 4.2 (‘Hij [de vader, A-G] verzoekt het hof (…) de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen (…)’) en rov. 4.3 (‘Zij [de GI, A-G] verzoekt het hof (…) de verlenging van de ondertoezichtstelling met de duur van een jaar uit te spreken (…)’). De vader noch de GI heeft in hoger beroep (subsidiair) verzocht om een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken. [8] Het tegendeel blijkt evenmin uit het proces-verbaal van de mondeling behandeling bij het hof. De moeder heeft de verzoeken van de vader en de GI in hoger beroep ook opgevat als een verlengingsverzoek; zie rov. 5.2 (‘De moeder stelt in haar verweer dat de vader en de GI in hun verzoeken in hoger beroep tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.’). Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof het verlengingsverzoek van de vader en de GI heeft opgevat en behandeld als een (subsidiair) verzoek tot een nieuwe ondertoezichtstelling.
Hieruit volgt dat het hof ambtshalve, zonder een daartoe strekkend verzoek van een belanghebbende, de minderjarigen in hoger beroep opnieuw onder toezicht heeft gesteld. Hiermee heeft het hof miskend dat een ondertoezichtstelling op grond van art. 1:255 lid 2 BW Pro wordt uitgesproken ‘op verzoek’ van de raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie of, als de raad niet tot indiening van een verzoek overgaat, een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. [9] Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever hiermee tot uitdrukking willen brengen dat een ondertoezichtstelling ‘slechts op verzoek’ van een van de in art. 1:255 lid 2 BW Pro genoemde belanghebbenden kan worden uitgesproken. [10] Weliswaar wordt hierop een uitzondering gemaakt in art. 1:255 lid 3 BW Pro (wanneer de raad voor de kinderbescherming de kinderrechter in het in dit artikellid bedoelde geval verzoekt om te oordelen of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, kan de kinderrechter deze ambtshalve uitspreken) en in art. 1:255 lid 5 BW Pro (indien het verzoek om een ondertoezichtstelling niet alle minderjarigen betreft over wie de ouders of de ouder het gezag uitoefenen, kan de kinderrechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve aanvullen, en deze minderjarigen eveneens onder toezicht stellen), maar deze uitzonderingen doen zich in dit geval niet voor.
Het hof heeft derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de minderjarigen in strijd met art. 1:255 lid 2 BW Pro ambtshalve, zonder een daartoe strekkend verzoek van een belanghebbende, in het kader van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek opnieuw onder toezicht te stellen.