8.3.1.Onder verwijzing naar de (tussen)beschikking van 20 november 2025, en gelet op voorgaande reacties van de vader en de moeder, zal het hof op de voet van artikel 392 e.v. Rv de Hoge Raad de hierna beschreven prejudiciële vragen stellen.
1. Kan een belanghebbende worden ontvangen in een (al dan niet voorwaardelijk) verzoek tot het onder toezicht stellen van een minderjarige (op grond van artikel 1:255 BW) die reeds onder toezicht is gesteld, indien dit verzoek gelijktijdig wordt gedaan met het verzoek tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling (op grond van artikel 1:260 BW), en is het voor de beantwoording van die vraag van belang of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag wordt gelegd?
2. Is de gevolgtrekking die in de meeste beschikkingen van de hoven gegeven wordt aan voornoemd arrest van de Hoge Raad (ECLI:HR:2021:1113), te weten dat ook in hoger beroep een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd, de juiste, hierbij in aanmerking genomen dat in de situatie die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad een situatie in eerste aanleg betrof?
3. Is een belanghebbende ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling, nadat ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd na de beslissing van de kinderrechter, maar voor de beslissing van het gerechtshof?
4. Is het in dat verband van belang of een belanghebbende hoger beroep instelt terwijl op dat moment de ondertoezichtstelling nog niet, maar gedurende de procedure in hoger beroep (vóór de beschikking van het hof) van rechtswege is geëindigd?
5. Bestaat er een verschil in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) is afgewezen of in het geval een verzoek tot een eerste ondertoezichtstelling gedeeltelijk is afgewezen?
6. Kan een ondertoezichtstelling, die van rechtswege is geëindigd met terugwerkende kracht alsnog ‘herleven’ bij een gegrond hoger beroep tegen de afwijzing van een deel daarvan in eerste aanleg? Maakt het hierbij uit of het in eerste aanleg hierbij ging om een eerste ondertoezichtstelling of een verlenging van een ondertoezichtstelling?
8.3.4.Nadat de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen, zal het hof de vader en de moeder een termijn van drie weken geven om schriftelijk te reageren op de beslissing van de Hoge Raad, waarna het hof zal beslissen over de voortgang van de procedure.