Conclusie
1.Inleiding
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
- de vindplaats heeft verhuld en
- dit voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
1. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 16 november 2022 (pagina’s 6-7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
(het hof begrijpt: 2022)heb ik een gesprek met [betrokkene 1]
(het hof begrijpt [betrokkene 1] )gehad. Na het gesprek werd ik door hem teruggebeld. Ik hoorde dat [betrokkene 1] mij vertelde: “Jullie zijn eerder dit jaar bij [bijnaam verdachte]
(het hof begrijpt: de verdachte)binnen op zoek geweest naar een vuurwapen maar dat hebben jullie niet gevonden. [bijnaam verdachte]
(het hof begrijpt: de verdachte)heeft dat wapen op het plafond van de woning op [a-straat 1] liggen. Naast dat wapen ligt geld dat hij verdiend heeft met die rotzooi.”
(het hof begrijpt: de verdachte)was.
Plaats: [a-straat 1] [plaats] .
Datum: 15 november 2022.
Omstandigheden: Aangetroffen achter het plafond in de slaapkamer.
Object: Geld (biljetten)
Aantal: 600 stuks
Totale hoeveelheid: 32.100 euro.
Bijzonderheden (coupures, toevoeging hof): 3x 500/ 93x 100/ 406x 50 en 100x 10.
3.Het eerste middel
ECLI:NL:HR:2021:156: geven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring verlangt niet dat verdachte stellingen onderbouwt met stukken. Dat draait bewijslast om. ECLI:NL:RBZWB:2022:1056: Verdachte komt pas ter zitting met verklaring over herkomst vermeend crimineel vermogen. OvJ vraagt niet om aanhouding van de zaak om deze verklaring te falsificeren. Vrijspraak
welop tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag. Volgens de steller van het middel heeft het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de verdachte gegeven verklaring tekortschiet wat betreft de daaraan te stellen eisen van concreetheid, verifieerbaarheid en waarschijnlijkheid en waarom het openbaar ministerie naar die verklaring geen nader onderzoek behoefde te doen. Daarbij merkt de steller van het middel op dat het hof zijn overwegingen ten aanzien van de besteding van de pleegvergoedingen door de opa van de verdachte heeft gebaseerd op aannames, nu deze niet berusten op vaststellingen op basis van onderzoek. [2]
4.Het tweede middel
door het geven van een valse voorstelling van zaken. Bij een grammaticale interpretatie van het verbergen van de vindplaats wordt wellicht al snel aan het feitelijk verstoppen gedacht, maar voor het verhullen en verbergen van de vindplaats is meer nodig.” [4]
Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende.” [6]