ECLI:NL:PHR:2026:233

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/04044
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 51f lid 1 SvArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofbeslissing over aanvangsdatum wettelijke rente en beoordeling gijzeling schadevergoedingsmaatregel

De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling wegens doodslag, het verbergen van een lijk en gekwalificeerde diefstal. Het hof heeft tevens schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan benadeelde partijen, waaronder wettelijke rente en gijzingsduur.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft twee middelen van cassatie behandeld. Het eerste middel betreft de aanvangsdatum van de wettelijke rente over materiële schade, waarbij het hof onjuist heeft geoordeeld dat de rente vanaf 31 maart 2020 verschuldigd is, terwijl de materiële schade pas later is ontstaan. Dit middel slaagt en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de aanvangsdatum te corrigeren.

Het tweede middel klaagt over de duur van de gijzingsmaatregel gekoppeld aan de schadevergoeding, die aanvankelijk de wettelijke maximumduur van 360 dagen overschreed. Het hof heeft dit via een herstelarrest gecorrigeerd, waardoor het middel faalt.

Ambtshalve merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden, wat mogelijk leidt tot strafvermindering. De conclusie strekt tot vernietiging van het hof arrest voor zover het de aanvangsdatum van de wettelijke rente betreft, tot bepaling van een correcte aanvangsdatum, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot eventuele vermindering van de straf wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over aanvangsdatum wettelijke rente en bevestigt maximale duur gijzeling; vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04044
Zitting10 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 25 oktober 2024 [1] het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 november 2022 bevestigd, behalve voor zover het betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens onder 1 impliciet subsidiair “Doodslag”, 2 “Een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen” en 3 “Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd” tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen tot nieuwe beslissingen gekomen. Bij herstelarrest van 29 oktober 2024 is het dictum verbeterd met betrekking tot het aantal dagen gijzeling dat telkens is gekoppeld aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. Van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. R. Spoelstra, advocaat in Groningen, heeft namens de benadeelde partijen een verweerschrift ingediend.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat de beslissingen van het hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] betreffende de verschuldigdheid van wettelijke rente ter zake van materiële schade, alsmede de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, onvoldoende met redenen zijn omkleed.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij in maart 2020 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte die [slachtoffer] met een hand bij de keel vastgepakt en zijn arm om de nek van die [slachtoffer] geslagen en vervolgens - gedurende langere tijd - met kracht de keel dichtgeknepen en dichtgedrukt, waardoor die [slachtoffer] geen lucht kon krijgen;
2.
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 7 februari 2022 in Nederland, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen;
3.
hij in de periode van 27 april 2020 tot en met 21 oktober 2020 in Nederland, geldbedragen (tot een totale waarde van 5.518,95 euro), die aan de nabestaanden/erfgenamen van [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.”
2.3
Het arrest van het hof houdt – met in achtneming van het herstelarrest van 29 oktober 2024 – met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in:

Algemene overweging over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en wijlen [benadeelde 1]
De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de gevorderde materiële schade bestaande uit vergoeding van de weggenomen geldbedragen (
gerechtshof: feit 3 van de bewezenverklaring) door de drie kinderen van het slachtoffer als schadepost is opgevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schadevergoeding aan de kinderen als erfgenamen gezamenlijk toekomt en heeft vervolgens bepaald dat het bedrag aan weggenomen gelden
gelijkelijk wordt verdeeld onder hen.
Het gerechtshof komt met betrekking tot
dit laatstetot een ander oordeel en sluit zich aan bij hetgeen mr. Spoelstra als advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hierover heeft aangevoerd bij brief van 8 juli 2024, gericht aan het gerechtshof:
Vordering weggenomen geld
Namens de drie kinderen in hun hoedanigheid als gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] is in eerste aanleg gevoegd voor het door verdachte gestolen geld a € 5.518,95. De rechtbank heeft dat weliswaar toegewezen, maar heeft de vorderingen verdeeld en een 1/3e deel aan ieder toegewezen.
De toewijzing van het totaal is juist, de verdeling in drie gelijke delen niet. Daarmee heeft de rechtbank in feite een voorschot op de verdeling genomen. Dat gaat een stap te ver. De nalatenschap van [slachtoffer] bevindt zich nog in de vereffeningsfase. De vordering van de gezamenlijke erven op verdachte moet nog worden geïnd. In de vereffeningsfase moeten ook eventuele schuldeisers nog worden betaald uit de boedel.
Pas wanneer de vereffening is voltooid – en enkel indien een overschot resteert – komen de erfgenamen toe aan verdeling van dat overschot. Een beslissing zoals de rechtbank die heeft genomen (met een voorschot op de verdeling) kan voor allerlei praktische problemen zorgen.
Daarom wordt verzocht om de vordering voor het weggenomen geld a € 5.518,95 toe te wijzen aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] . Ook hier geldt dat de gezamenlijke erfgenamen zich in de incasso-/executiefase dan kunnen en moeten wenden tot het CJIB voor de uitbetaling van de geïnde schadevergoeding dan wel de uitbetaling op grond van de voorschotregeling op een boedelrekening.
Het gerechtshof zal op grond van het bovenstaande aan ieder van de kinderen (als erfgenamen en ten behoeve van de nalatenschap) het
gehelebedrag aan weggenomen gelden toewijzen, met dien verstande dat indien en voor zover de verdachte aan een van de afzonderlijke betalingsverplichtingen ter zake van dit deel van de materiële schade (in totaal € 5.518,95) heeft voldaan, de andere twee vervallen.
Het bovenstaande leidt er toe dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en wijlen [benadeelde 1] geheel zullen worden toegewezen.
[…]
Vordering van wijlen de [benadeelde 1]
Deze benadeelde partij heeft zich bij leven in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 14.794,05 en immateriële schade ten bedrage van € 17.500,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich bij leven onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Het gerechtshof volgt de verwijzing door mr. Spoelstra naar artikel 225 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en zal het daar bepaalde analoog toepassen in het strafproces. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de [benadeelde 2]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 5.518,95 en immateriële schade ten bedrage van € 20.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de [benadeelde 3]
Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 5.518,95 en immateriële schade ten bedrage van € 20.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht grotendeels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
[…]
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
[…]
Vordering van de [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 32.294,05 (tweeëndertigduizend tweehonderdvierennegentig euro en vijf cent) bestaande uit € 14.794,05 (veertienduizend zevenhonderdvierennegentig euro en vijf cent) materiële schade, waarvan € 5.518,95 toekomt aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de namens de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 32.294,05 (tweeëndertigduizend tweehonderdvierennegentig euro en vijf cent) bestaande uit € 14.794,05 (veertienduizend zevenhonderdvierennegentig euro en vijf cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 107 (honderdzeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Vordering van de [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade, toekomend aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 88 (achtentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.
Vordering van de [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade, toekomend aan de nalatenschap van [slachtoffer] , en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.518,95 (vijfentwintigduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 5.518,95 (vijfduizend vijfhonderdachttien euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 88 (achtentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt met betrekking tot het aan de nalatenschap van [slachtoffer] toekomende bedrag dat indien en voor zover de verdachte dat heeft betaald aan een van de drie erfgenamen de betalingsverplichting aan de anderen in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 maart 2020.”
2.4
In de toelichting wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat op grond van art. 6:83, aanhef en onder b, BW wettelijke rente in beginsel verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige gedraging is ingetreden. Volgens de stellers van het middel heeft het hof bij de toewijzing van de vordering en de opgelegde betalingsverplichting ten onrechte bepaald dat de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 verschuldigd is, nu het onder 3 bewezenverklaarde feit ziet op de periode van 27 april 2020 tot en met 21 oktober 2020 en de schade eerst dan kan zijn ontstaan. Het arrest, althans de beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen kan om die reden niet in stand blijven.
2.5
In art. 51f lid 1 Sv is bepaald dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op de vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. [2] Naast vergoeding van de schade, kan de benadeelde partij de betaling van de – overeenkomstig de criteria van het Burgerlijk Wetboek te berekenen – wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente ingevolge art. 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. [3]
2.6
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (zowel materiële als immateriële) schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Ten aanzien van de toegewezen materiële en immateriële schade heeft het hof de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en daarbij bepaald dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 31 maart 2020, zijnde de einddatum van de onder 1 bewezenverklaarde periode, moet worden aangemerkt als de datum waarop zowel de materiële als de immateriële schade is ingetreden.
2.7
Het oordeel van het hof dat ook de materiële schade van in totaal € 5.518,95 op 31 maart 2020 is ingetreden, is niet zonder meer begrijpelijk, nu dit rechtstreekse schade van het onder 3 bewezenverklaarde betreft en dit feit is begaan in de periode van 27 april 2020 tot en met 21 oktober 2020. Het middel is terecht voorgesteld.
2.8
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te doen wat het hof had behoren te doen.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
3.2
Het hof heeft op 29 oktober 2024 een herstelarrest gewezen waarbij het hof een kennelijke misslag in het dictum heeft hersteld. Dit herstelarrest houdt onder meer het volgende in:
“In het arrest van het gerechtshof van 25 oktober 2024 is in het dictum een kennelijke vergissing begaan met betrekking tot het aantal dagen gijzeling dat telkens is gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregel die is opgelegd ter zake van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Het gerechtshof heeft over het hoofd gezien dat het totaal aantal dagen gijzeling dat bij de vier opgelegde schadevergoedingsmaatregelen is bepaald (660) het wettelijke maximum van een jaar overstijgt.
Naar het oordeel van het gerechtshof betreft het hier een kennelijke en evidente fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dat brengt mee dat, het gerechtshof gebruik zal maken van zijn bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak. Het gerechtshof heeft in zijn arrest in de aangehaalde wettelijke voorschriften tevens artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht genoemd en het is vanzelfsprekend de bedoeling van het gerechtshof geweest daaraan op correcte wijze uitvoering te geven.
Het dictum dient op de hierboven genoemde onderdelen aldus te luiden:
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77(zeven-en-zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de [benadeelde 1]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 107(honderdzeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de [benadeelde 2]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 88 (achtentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de [benadeelde 3]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 88 (achtentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.”
3.3
Op grond van art. 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan. [4] In de onderhavige zaak heeft het hof bij herstelarrest een kennelijke misslag in het dictum met betrekking tot de duur van de gijzeling die is gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregel die is opgelegd ter zake van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen hersteld. De duur van de gijzeling bedroeg aanvankelijk in totaal 660 dagen. Via een herstelarrest heeft het hof deze kennelijke fout rechtgezet, zodat de gijzeling in totaal de maximale duur van 360 dagen niet langer overschrijdt. [5] Daarmee mist het middel feitelijke grondslag en faalt het.

4.Slotsom

4.1
Het eerste middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 31 oktober 2024. Daarmee wordt de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Als de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beperkt tot minder dan één maand kan worden volstaan met de constatering daarvan. [6] Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ter hoogte van € 5.518,95 in verband met het onder 3 bewezenverklaarde, tot bepaling van deze aanvangsdatum op telkens 21 oktober 2020, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot eventuele vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Zie onder meer HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123,
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
4.Vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812. Meer recent herhaald in onder meer HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:551.
5.Voor de volledigheid kan worden opgemerkt dat een dergelijke misslag zich bij uitstek leent voor herstel door rechters die op de zaak hebben gezeten. Zie onder meer: HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243,
6.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,