ECLI:NL:PHR:2026:2

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
23/04307
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam in een ontnemingsprocedure

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 2 november 2023 een arrest gewezen waarin de betrokkene, geboren in 1969, werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.290,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag was gebaseerd op een schatting van € 8.100,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit het structureel knippen van hennep. De betrokkene had eerder onherroepelijk een veroordeling gekregen voor het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, P.H.P.H.M.C. van Kempen, heeft in zijn conclusie op 6 januari 2026 de bestreden uitspraak bestreden. Hij concludeert dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende is gemotiveerd, omdat deze niet is ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling. De zaak heeft samenhang met andere zaken, waaronder 23/04359 en 23/04299, waarbij eerder al uitspraken zijn gedaan. De Procureur-Generaal merkt op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, wat ook aan de orde kan worden gesteld in de nieuwe behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04307 P
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 november 2023 (parketnr. 23-002478-20) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 8.100,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.290,00. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 145 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04359 en 23/04299. In de zaak 23/04359 concludeer ik vandaag ook. In de zaak 23/04299 heeft de Hoge Raad op 11 maart 2025 reeds uitspraak gedaan en is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De betrokkene in deze ontnemingsprocedure heeft structureel hennep geknipt. In de strafzaak in eerste aanleg is de betrokkene onherroepelijk veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 t/m 23 december 2015. Het eerste middel in deze ontnemingszaak bestaat, zo begrijp ik, uit twee deelklachten. Ten eerste wordt geklaagd over de motivering van het oordeel van het hof dat “buiten redelijke twijfel” staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat de betrokkene uit al deze feiten – het structureel knippen van hennep – wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (art. 36e lid 2 Sr). Ten tweede wordt opgekomen tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit zou niet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, hetgeen ingevolge art. 511f Sv is vereist. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
2.2
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

3.Het eerste middel

De eerste deelklacht

3.1
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat “buiten redelijke twijfel staat” dat de betrokkene in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het structureel knippen van hennep ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
De bestreden uitspraak houdt onder meer in (met overneming van voetnoten):

Veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2017 veroordeeld ter zake van - kort gezegd en voor zover hier van belang - het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie onder meer tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, in de periode van 20 juli 2015 tot en met 12 januari 2016 (feit 3).
Bij arrest van dit hof van 12 maart 2019 is de betrokkene in het door haar tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, zodat de veroordeling onherroepelijk is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. […]
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 8.100.- Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene heeft verklaard dat zij € 15,- per uur ontving voor het knippen van de hennepplanten. Een gemiddelde oogst werd in ongeveer twee dagen geknipt, waarbij de betrokkene ongeveer tien uur per dag werkte. De kweekperiode van de hennepplantage in het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] betreft in de visie van het Openbaar Ministerie 1 maart 2013 tot en met 25 december 2023 (het hof begrijpt: 23 december 2015), met - uitgaande van een kweekcyclus van tien weken - dertien oogsten in kweekruimte 1 en veertien oogsten in kweekruimte 2, aldus de advocaat-generaal.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie er niet in kan slagen een voldoende beredeneerde berekening aan te leveren van het door de betrokkene genoten voordeel, omdat niet kan worden vastgesteld waar, hoe vaak en hoeveel uren de betrokkene eerder hennep heeft geknipt en of deze eerdere werkzaamheden verband hielden met de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] , waarop de ontnemingsvordering geheel is gebaseerd. De betrokkene heeft immers verklaard dat zij op 23 december 2015 voor het eerst in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] aanwezig was.
Het oordeel van het hof
Grondslag
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr).
De betrokkene is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan de [b-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand aan de [c-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan de [a-straat 1] in [plaats] (kwekerij). Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat zij uit al deze feiten - het structureel knippen van hennep - wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De [medebetrokkene 1] heeft als getuige verklaard dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene. [medebetrokkene 1] heeft vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep geknipt en de betrokkene was er meestal bij. Hij kreeg € 15,- per uur en heeft met alleen het knippen iets van € 10.000,- verdiend. Hij denkt dat de betrokkene hetzelfde bedrag heeft verdiend, waarbij hij opmerkt dat toen hij startte met het knippen van hennep, de betrokkene al knipte. [1] De betrokkene heeft tijdens haar politieverhoor op 22 januari 2016 verklaard dat zij sinds een jaar geleden of zo al een telefoon gebruikte voor het knippen van wiet. [2] Voor het knippen kreeg ze € 15,- per uur. [3] Op 18 december 2014 heeft een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin [medebetrokkene 1] aan de betrokkene heeft gestuurd: “
Ik moet zo met [medebetrokkene 2](het hof begrijpt: [medebetrokkene 2] )
hier opruimen, dus rij niet met je mee” " waarop de betrokkene heeft geantwoord: “
Ben er allang. Tot straks. [4] Op 6 januari 2015 heeft ook een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin de betrokkene aan [medebetrokkene 1] heeft gestuurd: “
We moeten morgen om half 9 daar wezen. Kwart voor 8 parkeerplaats?”, waarop [medebetrokkene 1] heeft geantwoord: “
Die kleine zou mij daar nog over bellen of heeft hij gezegd dat jij dat aan mij moest doorgeven?”, waarop de betrokkene heeft geantwoord: “
[medebetrokkene 3](het hof begrijpt: de [medebetrokkene 3] )
belde me en ik moest jou bellen.” [5] [medebetrokkene 1] heeft als getuige over deze WhatsApp-gesprekken verklaard dat hij en de betrokkene dit soort contact met elkaar hadden over de hennep. [6]
Gelet op het voorgaande staat genoegzaam vast dat de betrokkene over een langere periode meermalen hennep heeft geknipt en het hof acht aannemelijk dat zij daar in ieder geval het bedrag van € 8.100,- voor heeft ontvangen, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van
€ 8.100,-.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bestreden oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, omdat dit oordeel enkel berust op de verklaring van [medebetrokkene 1] .
3.4
Bij de bespreking van de deelklacht dient het volgende te worden vooropgesteld: [7]
“2.4.1. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)
2.4.2.
Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)”
3.5
De deelklacht, die ervan uitgaat dat het bestreden oordeel van het hof enkel is gebaseerd op de verklaring van [medebetrokkene 1] berust op een onjuiste lezing van het arrest, nu het oordeel ook steunt op onder meer de verklaring van de betrokkene afgelegd tijdens haar politieverhoor op 22 januari 2016. De deelklacht mist daardoor feitelijke grondslag.
3.6
Bovendien blijkt uit de uitspraak aan welke feiten en omstandigheden het hof voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode (dus voor 2 december 2015) eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 3 onder B Opiumwet, te weten:
- dat [medebetrokkene 1] tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 als getuige heeft verklaard (i) dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene, (ii) dat de medebetrokkene vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep heeft geknipt en de betrokkene er meestal bij was, (iii) dat hij € 15,- per uur kreeg, (iv) dat hij met alleen het knippen iets van € 10.000,- heeft verdiend, (v) dat hij denkt dat de betrokkene hetzelfde bedrag heeft verdiend, waarbij de medebetrokkene heeft opgemerkt dat toen hij startte met het knippen van hennep, de betrokkene al knipte;
- dat de betrokkene tijdens het politieverhoor op 22 januari en 9 februari 2016 heeft verklaard (i) dat “zij sinds een jaar geleden of zo al een telefoon gebruikte voor het knippen van wiet” en (ii) dat zij voor het knippen € 15,- per uur kreeg;
- dat uit het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon blijkt dat op 18 december 2014 en op 6 januari 2015 WhatsApp-gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] over hennep (opgenomen onder ‎3.2) en dat [medebetrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard dat hij en de betrokkene dit soort contact met elkaar hadden.
3.7
Uit het arrest blijkt aan welke feiten en omstandigheden, samengevat onder ‎3.6, het hof voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het structureel knippen van hennep. Het bestreden oordeel is niet ontoereikend gemotiveerd.
3.8
De deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.9
De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen waar, hoe vaak en hoeveel uur de betrokkene hennep zou hebben geknipt en wat zij daarmee zou hebben verdiend, zodat het door het hof vastgestelde ontnemingsbedrag niet meer dan een “wilde schatting” is.
3.1
In HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, r.o. 2.5.2 overwoog de Hoge Raad: [8]
“Als de rechter heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen in de hiervoor bedoelde zin bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan, kan de omvang van het voordeel door de rechter worden geschat (artikel 36e lid 5, eerste volzin, Sr). Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan deze schatting slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet – gelet op artikel 511e lid 1 en 511g lid 2 Sv in verbinding met artikel 359 lid 3 Sv – de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087).”
3.11
De bestreden uitspraak voldoet niet aan het hiervoor onder 3.10 genoemde vereiste. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 8.100,-. Het hof heeft bij de schatting in voetnoten verwezen naar de verklaring van de medebetrokkene afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaringen van de betrokkene afgelegd tijdens het politieverhoor en het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen noch uit de betreffende overweging opgenomen onder ‎3.2 blijkt hoe vaak en hoeveel uur de betrokkene hennep zou hebben geknipt en wat zij daarmee zou hebben verdiend.
3.12
Het bestreden arrest is “gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg”. In het vonnis van 30 oktober 2020 wordt door de rechtbank verwezen naar de ontnemingsrapportage en wordt de in die rapportage gebruikte berekening weergegeven:
“De ontnemingsperiode is vastgesteld op 1 maart 2013 tot 23 december 2015 (= 146 weken). De huurovereenkomst van de loods aan de [a-straat 1] ving aan op 1 januari 2013. De aangetroffen omstandigheden wijzen erop dat het pand specifiek ten behoeve van de hennepteelt werd gehuurd. Rekening houdend met een opbouw van een kwekerij van de aangetroffen omvang van twee maanden gaat men uit van een start van de kwekerij op 1 maart 2013. De kwekerij bestond uit 2 kweekruimtes. Er wordt uitgegaan van een nagenoeg gelijktijdige ingebruikneming van beide kweekruimtes. Kweekruimte 1 is vermoedelijk 1 week later gestart (in ruimte 1 werd al geknipt, terwijl de planten in ruimte 2 max 1 week oud waren). Op basis van een kweekcyclus van 10 weken zal kweekruimte één 13 eerder gerealiseerde oogsten hebben gehad, en kweekruimte twee 14 eerder, gerealiseerde oogsten.
De rechtbank volgt de concrete berekening van het openbaar ministerie. Deze is gebaseerd op de stelling dat een gemiddelde oogst in twee dagen wordt geknipt, waarbij veroordeelde ongeveer 10 uur per dag knipte. Veroordeelde gaf zelf aan dat zij ongeveer 15 a 20 euro per uur zou verdienen voor het knippen. Per oogst genoot veroordeelde aldus een bedrag van € 300,- (20 uur maal € 15,). In totaal zijn er 27 oogsten geweest, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van
€ 8.100,-”.
3.13
De ontnemingsrapportage waarnaar door de rechtbank wordt verwezen bevat niet de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden. Uit de ontnemingsrapportage volgt slechts hoeveel oogsten er waren vanaf 1 maart 2013 en ook hoeveel de betrokkene per uur zou hebben verdiend met het knippen. Uit de ontnemingsrapportage blijkt niet dat de betrokkene vanaf 1 maart 2013 hennep heeft geknipt laat staan dat dit structureel het geval is geweest. Daarbij verdient opmerking dat de berekening van het totaalbedrag van € 8.100,- in de ontnemingsrapportage is gebaseerd op in totaal 27 oogsten vanaf 1 maart 2013. Uit de bewijsmiddelen waarnaar het hof voor de schatting in voetnoten heeft verwezen (de verklaring van de medebetrokkene afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaringen van de betrokkene afgelegd tijdens het politieverhoor en het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon) blijkt niet dat de verdachte vanaf die datum hennep heeft geknipt of dat dit knippen structureel van aard is geweest.
3.14
Zelfs al zou de ontnemingsrapportage waarnaar door de rechtbank is verwezen wel de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden hebben bevat, dan nog zou dit niet hebben kunnen baten, aangezien dit vonnis door het hof is vernietigd. Hoe dan ook bevat de bestreden uitspraak aldus niet de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. [9]
3.15
Gelet op het voorgaande is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd.
3.16
De tweede deelklacht slaagt.
3.17
Daarmee slaagt het middel.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
4.2
Nu het eerste middel slaagt, hetgeen naar mijn oordeel dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig. [10]

5.Afronding

5.1
Het eerste middel slaagt. De bespreking van het tweede middel blijft achterwege.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene op 7 november 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [11]
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De verklaring van de getuige [medebetrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] van 9 februari 2016, pagina 195 persoonsdossier B.07.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] van 9 februari 2016, pagina 216 persoonsdossier B.07.
4.Proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon (met bijlagen), op 13 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant] , pagina’s 667 en 670 beslagdossier.
5.Proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon (met bijlagen), op 13 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant] , pagina’s 667 en 670-671 beslagdossier.
6.De verklaring van de getuige [medebetrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023.
7.HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1514, r.o. 2.4.1-2.4.2. Zie van eerdere datum ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472, r.o. 2.3.1-2.3.2.
8.Zie ook in iets andere bewoordingen HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288,
9.Vgl. HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629,
10.Vgl. HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1445, r.o. 3.
11.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,