3.2De bestreden uitspraak houdt onder meer in (met overneming van voetnoten):
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2017 veroordeeld ter zake van - kort gezegd en voor zover hier van belang - het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie onder meer tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, in de periode van 20 juli 2015 tot en met 12 januari 2016 (feit 3).
Bij arrest van dit hof van 12 maart 2019 is de betrokkene in het door haar tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, zodat de veroordeling onherroepelijk is.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. […]
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 8.100.- Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene heeft verklaard dat zij € 15,- per uur ontving voor het knippen van de hennepplanten. Een gemiddelde oogst werd in ongeveer twee dagen geknipt, waarbij de betrokkene ongeveer tien uur per dag werkte. De kweekperiode van de hennepplantage in het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] betreft in de visie van het Openbaar Ministerie 1 maart 2013 tot en met 25 december 2023 (het hof begrijpt: 23 december 2015), met - uitgaande van een kweekcyclus van tien weken - dertien oogsten in kweekruimte 1 en veertien oogsten in kweekruimte 2, aldus de advocaat-generaal.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie er niet in kan slagen een voldoende beredeneerde berekening aan te leveren van het door de betrokkene genoten voordeel, omdat niet kan worden vastgesteld waar, hoe vaak en hoeveel uren de betrokkene eerder hennep heeft geknipt en of deze eerdere werkzaamheden verband hielden met de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] , waarop de ontnemingsvordering geheel is gebaseerd. De betrokkene heeft immers verklaard dat zij op 23 december 2015 voor het eerst in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] aanwezig was.
Grondslag
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr).
De betrokkene is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan de [b-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand aan de [c-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan de [a-straat 1] in [plaats] (kwekerij). Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat zij uit al deze feiten - het structureel knippen van hennep - wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De [medebetrokkene 1] heeft als getuige verklaard dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene. [medebetrokkene 1] heeft vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep geknipt en de betrokkene was er meestal bij. Hij kreeg € 15,- per uur en heeft met alleen het knippen iets van € 10.000,- verdiend. Hij denkt dat de betrokkene hetzelfde bedrag heeft verdiend, waarbij hij opmerkt dat toen hij startte met het knippen van hennep, de betrokkene al knipte.De betrokkene heeft tijdens haar politieverhoor op 22 januari 2016 verklaard dat zij sinds een jaar geleden of zo al een telefoon gebruikte voor het knippen van wiet.Voor het knippen kreeg ze € 15,- per uur.Op 18 december 2014 heeft een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin [medebetrokkene 1] aan de betrokkene heeft gestuurd: “
Ik moet zo met [medebetrokkene 2](het hof begrijpt: [medebetrokkene 2] )
hier opruimen, dus rij niet met je mee” " waarop de betrokkene heeft geantwoord: “
Ben er allang. Tot straks.”Op 6 januari 2015 heeft ook een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin de betrokkene aan [medebetrokkene 1] heeft gestuurd: “
We moeten morgen om half 9 daar wezen. Kwart voor 8 parkeerplaats?”, waarop [medebetrokkene 1] heeft geantwoord: “
Die kleine zou mij daar nog over bellen of heeft hij gezegd dat jij dat aan mij moest doorgeven?”, waarop de betrokkene heeft geantwoord: “
[medebetrokkene 3](het hof begrijpt: de [medebetrokkene 3] )
belde me en ik moest jou bellen.”[medebetrokkene 1] heeft als getuige over deze WhatsApp-gesprekken verklaard dat hij en de betrokkene dit soort contact met elkaar hadden over de hennep.
Gelet op het voorgaande staat genoegzaam vast dat de betrokkene over een langere periode meermalen hennep heeft geknipt en het hof acht aannemelijk dat zij daar in ieder geval het bedrag van € 8.100,- voor heeft ontvangen, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van
€ 8.100,-.”