Conclusie
1.[eiser 1]
Corpocon Legal/Letselschadeclaim.NL B.V.
1.Feiten
Wie vertraagt de schadevergoeding voor de slachtoffers schietdrama Alphen? Ruim honderd overlevenden en nabestaanden van de schietpartij in Alphen aan den Rijn wachten nog altijd op smartengeld. Werkt de politie tegen? Of is hun belangenbehartiger te inhalig?”
Maar als ook Nederlands hoogste rechtsorgaan de Hoge Raad in 2019 besluit dat de politie aansprakelijk is, is er echter geen weg meer terug. De politie richt een fonds op voor de afwikkeling van schadeclaims: de VSSA (Vergoeding Schade Slachtoffers Alphen). Maar opnieuw ontstaat een probleem: raadsman [eiser 1] wil niets van die stichting weten. Volgens hem traineert de door de politie opgerichte VSSA bewust de uitkering van claims.
Dat de zaak voor veel anderen nog steeds voortduurt, is volgens veel betrokkenen te wijten aan de houding van [eiser 1] . Letselschadeadvocaat [verweerder] spreekt van ‘secundaire victimisatie’: de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger. „Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers. Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand hebben van zaken of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd.”
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Hij maakt in het bijzonder bezwaar tegen de uitlatingen van [verweerder] en [betrokkene 3] , door wie hij is afgeschilderd als ‘cowboy’, die zijn cliënten ‘dupeert’, ‘geen verstand van zaken heeft’ en ‘in zijn eigen belang werkt’.(…)
” is op te maken dat hij wel degelijk weet hoe nu verder te gaan. Wat [verweerder] en [betrokkene 3] voor het overige beweren is algemeen van aard en betreft een problematiek die onderwerp is van een breder maatschappelijk debat. Klager betrekt dit ten onrechte op zichzelf. Het was dan ook niet nodig om daarover wederhoor bij hem toe te passen.(…)
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Dat de zaak voor veel andere nog steeds voortduurt, is volgens veel betrokkenen te wijten aan de houding van [eiser 1] . Letselschadeadvocaat [verweerder] spreekt van ‘secundaire victimisatie’: de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger. „Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers. Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand hebben van zaken of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd.”
De standpunten van [eisers] in grote lijnen
grief 1 tot en met 4naar voren gebracht dat en waarom [verweerder] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. De redenen daarvoor komen, samengevat, op het volgende neer. Er was geen sprake van het signaleren van een missstand door [verweerder] . De rechtbank heeft in haar oordeel ten onrechte aangeknoopt bij rechtspraak die gaat over de informerende rol van de pers, maar [verweerder] is geen journalist. [verweerder] is geïnterviewd in hoedanigheid van senior advocaat en letselschadespecialist met een belang dat commercieel van aard is. Van [verweerder] wordt, als deskundige en gezien de bijzondere positie van een advocaat, een hoge mate van zorgvuldigheid vereist ten aanzien van feiten en zijn oordelen daarover. Die zorgvuldigheid heeft [verweerder] niet in acht genomen. Alles wat [verweerder] tegen de journalist heeft gezegd ging over [eisers] Dit blijkt ook uit het oordeel van de Raad voor de Journalistiek, die oordeelde dat [eisers] door [verweerder] worden gediskwalificeerd. De Raad voor de Journalistiek wijst expliciet op het feit dat de uitingen van [verweerder] , ook al zouden deze in algemene zin zijn gedaan, door de gemiddelde lezer worden opgevat als kritiek op [eisers] Dat [verweerder] op voorhand geen duidelijk beeld zou hebben gekregen van het AD-artikel doet niet ter zake, want [verweerder] had van tevoren al een voorbehoud kunnen en moeten maken. Juridisch is de wijze waarop het publiek de uitspraken opvat immers bepalend. Bovendien ontbreekt de feitelijke onderbouwing van de uitlatingen van [verweerder] , omdat de feiten uitwijzen dat [eisers] op geen enkele wijze tekortgeschoten zijn in de dienstverlening. [eisers] hebben cliënten nooit geadviseerd niet samen te werken met de VSSA of om niet over te gaan tot overdracht van schadedossiers. [eisers] betwisten de door [verweerder] gestelde gang van zaken tijdens en na het telefoongesprek met de journalist. [verweerder] had achteraf kunnen en moeten optreden indien hij het met de inhoud van het artikel niet eens was. [verweerder] heeft onvoldoende terughoudendheid betracht bij het doen van zijn uitlatingen en diende rekening te houden met de gevolgen daarvan, aldus [eisers]
Toetsingscriterium
Wederzijdse belangen van partijen
Afweging van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval
(a) In welke context zijn de uitlatingen gedaan?
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers” specifiek gaat over [eiser 1] , maar dat hij de rest van de geciteerde uitlatingen in de passage heeft gedaan in een algemene context. [verweerder] brengt verder naar voren dat hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel onverwacht is gebeld door de journalist en de journalist hem heeft gevraagd naar zijn ervaringen met de afwikkeling van de schade van de slachtoffers van het schietincident. Volgens [verweerder] vertelde de journalist hem dat hij een publicatie in voorbereiding had over het Alphense schietincident, met name over de ervaringen van slachtoffers en nabestaanden bij de afhandeling van hun schade. Onder verwijzing naar eerdere gesprekken met anderen over dit onderwerp, vertelde de journalist vervolgens dat hij had vernomen dat [eiser 1] zijn cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een royaal voorschot zou worden betaald. Daarop reageerde [verweerder] tijdens het telefoongesprek, zo voert [verweerder] aan, met de letterlijk in de passage gepubliceerde worden: “
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”. [verweerder] heeft die uitspraak daarna geplaatst in een breder kader van belangenbehartigers die wél de aansprakelijkheid rondkrijgen, maar vervolgens vastlopen in het taaie schaderegelingstraject. In deze algemene zin heeft hij gesproken van secundaire victimisatie en in algemene context de uitspraak gedaan: “
Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van[z]
aken hebben of in hun eigen belang werken, in plaats van dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd”. De door [eisers] aan hem toegedichte uitlating “
de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger” is niet van hem afkomstig, maar is een toevoeging van de journalist. Door [verweerder] is niet gezegd dat bij de cliënten van [eisers] sprake is van secundaire victimisatie, aldus [verweerder] .
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers” heeft gedaan in vervolg op het verhaal van de journalist over de gesprekken met anderen en in reactie op de mededeling van de journalist dat [eisers] cliënten afraadden om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA tenzij hun eerst een royaal voorschot zou worden betaald, is aannemelijk. Dat het zo is gegaan sluit aan bij de opzet van het artikel: eerst Pro is in het artikel de vraag geponeerd “
Wie vertraagt de schadevergoeding voor de slachtoffers schietdrama Alphen? Ruim honderd overlevenden en nabestaanden van de schietpartij in Alphen aan den Rijn wachten nog altijd op smartengeld. Werkt de politie tegen of is hun belangenbehartiger te inhalig?” (zie 3.5). Daarna is weergegeven dat [eiser 1] zijn cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een voorschot van € 10.000,- zou worden betaald. Vervolgens komt er een stuk over wat [betrokkene 1] van [A] en VSSA-secretaris [betrokkene 2] hiervan vinden en wordt weergegeven wat de ervaringen van andere advocaten zijn met de schadeafhandeling met de VVSA (zie 3.6).
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers” een persoonlijke mening is van [verweerder] en hij die uitspraak daarna in een algemeen kader heeft geplaatst van belangenbehartigers die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken, is gelet op de bewoordingen van het citaat, evenzeer aannemelijk. Dat “
cowboys” niet terugverwijst naar [eisers] blijkt uit het feit dat cowboys in meervoud wordt weergegeven, terwijl [eisers] in de passage als “
de belangenbehartiger” en dus in enkelvoud wordt aangeduid.
Dat het lijkt alsof klager ‘niet weet hoe verder te gaan met zijn dossiers’, [ ] geen beschuldiging van het AD [is], maar een persoonlijke mening van [verweerder]” en verder “
Wat [verweerder] en [betrokkene 3] voor het overige beweren is algemeen van aard en betreft een problematiek die onderwerp is van een breder maatschappelijk debat. Klager betrekt dit ten onrechte op zichzelf” (zie 3.8).
(b) Vinden de uitlatingen van [verweerder] voldoende steun in de feiten?
Het lijkt er op dat…” baseerde. [verweerder] mocht uitgaan van de juistheid wat hem door de journalist werd voorgehouden, en mocht daarop reageren, tenzij hij goede reden had te twijfelen aan de juistheid van wat de journalist hem vertelde. Volgens [verweerder] heeft de journalist hem voorgehouden dat [eiser 1] cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een voorschot van € 10.000,- zou worden betaald. Hiervan uitgaande vindt de uitlating van [verweerder] dat “
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossier” voldoende steun in de feiten. Het is, zoals [verweerder] ook stelt, bij de afhandeling van personenschade niet gebruikelijk dat eerst wordt betaald en dat daarna pas de schade hoeft te worden aangetoond. Bovendien, zo blijkt uit het artikel, kwamen andere belangenbehartigers van slachtoffers van het schietincident die wel overgingen tot het overdragen van de schadedossiers aan de VSSA tot een succesvolle schadeafhandeling voor hun cliënt. [verweerder] mocht op basis van deze aan hem door de journalist voorgehouden informatie, het advies van [eiser 1] dus geen goed advies vinden. Zeker nu dit advies, indien dit zou worden opgevolgd, schadelijke gevolgen voor slachtoffers en nabestaanden kon hebben. Bovendien heeft [verweerder] zijn uitlating in reactie op de hem door de journalist voorgehouden informatie door de woorden “
Het lijkt erop dat…” met gepaste terughoudendheid vormgegeven.
(…) raadsman [eiser 1] wil niets van die stichting weten. (…) [eiser 1] , wiens cliënten volgens hem elk recht hebben op minstens 25.000 euro, raadt iedereen af om een machtiging te tekenen, die nodig is om schadedossiers over te dragen: „Die stichting wil mijn mensen afschepen met een fooi. Laat ze eerst met een voorschot komen van 10.000 euro. Dan komt er vertrouwen”.
Waar ben je dan mee bezig als belangenbehartiger?” (zie 3.6).
De politie begrijpt dat dit hele proces voor betrokkenen lang duurt en dat het korps nu opnieuw een beroep doet op hun geduld”, reageerde een politiewoordvoerder vrijdag. Die benadrukte ook dat het fonds voorlopig niet tot uitkering van schade kan overgaan en kaatste daarbij de bal terug richting [eiser 1] : “De belangenbehartiger van de grootste groep slachtoffers wordt al sinds september gevraagd om documenten waarmee de omvang van individuele schades kan worden bepaald. Die zijn tot op heden niet ontvangen. Zonder kan het fonds geen claims beoordelen.” Volgens [eiser 1] zijn op dit moment twee schadestaten van cliënten volledig. “Politie en Achmea brengen dit naar buiten om verdeeldheid te zaaien tussen mij en mijn cliënten. Het is één van hun vieze trucjes.”
Wij erkennen het door politie en Achmea opgezette fonds niet, want wij zitten er niet in. Desnoods stappen we naar de rechter om af te dwingen dat onze belangen op de juiste wijze zullen worden bewaakt”, kondigt de Alphense letselschadejurist aan”.
secundaire victimisatie” en de uitlatingen van [verweerder] over “
cowboys” die “
geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken” steun vinden in de feiten, is niet van belang. Uitgangspunt is immers dat deze uitlatingen niet specifiek betrekking hadden op [eisers] [verweerder] deed deze uitlatingen in algemene context.”
(c) Dragen de uitlatingen bij aan een debat van maatschappelijk belang?
Het lijkt erop dat…”), dat hij niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door na de publicatie van het artikel niet (alsnog) in te grijpen en dat hij mocht verwachten dat de journalist zijn werk goed zou doen en ervan mocht uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden:
(d) Heeft [verweerder] voldoende (controle)maatregelen getroffen?
cowboys” die “
geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken” – ook al zijn zij mogelijk in algemene zin gedaan – door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer zullen worden opgevat als kritiek op klager. Zoals overwogen is [verweerder] in beginsel alleen verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan, maar zou dit zou anders kunnen als hij maatregelen had moeten treffen voor publicatie van het artikel (bv. het maken van voorbehouden, het vragen om voorinzage) en dit heeft nagelaten of ten onrechte niet heeft opgetreden na de publicatie van het artikel (als hij van mening was dat zijn woorden verdraaid waren). Tegen deze achtergrond komt de vraag op of [verweerder] voldoende (controle)maatregelen heeft getroffen.
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers.” en “
Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd.” De passage over secundaire victimisatie die hij algemeen had bedoeld en de link die in de publicatie van het AD wordt gelegd met de slachtoffers van het schietincident zijn volgens [verweerder] niet door de journalist voorafgaand aan de publicatie van het artikel aan hem voorgelegd. Verder heeft [verweerder] naar voren gebracht dat er bij lezing van het artikel voor hem geen aanleiding was actie te ondernemen. Hij heeft de passage waarin hij voorkomt begrepen overeenkomstig wat hij naar voren heeft gebracht. Het deel van de passage over dat “
het niet weten hoe verder te gaan” sloeg op [eisers] en het overige had een algemenere strekking.
Het lijkt erop dat…”). Verder kan in het midden blijven of juist is dat [verweerder] voor de publicatie van het artikel alleen de door hem genoemde passages voorgelegd heeft gekregen. Het hof is namelijk van oordeel dat [verweerder] , ook als hij toen de gehele passage voorgelegd had gekregen, niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet in te grijpen. [verweerder] hoefde de passage niet te lezen vanuit het oogpunt van de gemiddelde krantenlezer. Dat was de taak van [verweerder] niet, hij is geen journalist. [verweerder] mocht de passage lezen met in zijn achterhoofd het verloop van zijn gesprek met de journalist. Aldus bezien is het begrijpelijk dat [verweerder] zijn geciteerde uitlatingen begreep zoals hij ze ook had bedoeld. Het voorgaande betekent dat ook de omstandigheid dat [verweerder] niet (alsnog) heeft ingegrepen ná de publicatie van het artikel niet meebrengt dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld.
(e) Wat is de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt?
(f) Wat is de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] ?
Het lijkt erop alsof de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”) wanneer deze in de krant zou verschijnen de reputatie van [eisers] zou kunnen aantasten. Hierbij merkt het hof wel op dat, zoals hiervoor al overwogen, [verweerder] bij het doen van deze uitlating gelet op de woorden “
Het lijkt erop dat…” gepaste terughoudendheid in acht heeft genomen.”
Slotsom met betrekking tot de grieven 1 t/m 4
Het lijkt erop dat..”) heeft gedaan die rechtstreeks betrekking heeft op [eiser 1] en de rest van zijn uitlatingen in algemene zin. De uitlating die ging over [eiser 1] vindt voldoende steun in de (door de journalist aan [verweerder] voorgehouden) feiten, waarvan [verweerder] de juistheid niet behoefde te betwijfelen. Dat hij er rekening mee moest houden dat zijn uitlating, in het bijzonder de uitlating die specifiek betrekking had op [verweerder] een groot publiek zou bereiken en negatieve gevolgen kon hebben voor [eisers] , maken niet dat [verweerder] die uitlating niet mocht doen. Dit geldt te meer, nu [verweerder] die uitlating met terughoudendheid naar voren heeft gebracht. Ook weegt mee dat [verweerder] die uitlating, net als de uitlatingen die hij in algemene context heeft gedaan, als deskundige heeft gedaan in het kader van een artikel dat een onderdeel vormt van een debat over een kwestie van maatschappelijk belang. Dat betekent dat er zwaarwegende redenen moeten zijn om de uitingsvrijheid van [verweerder] te beperken. Dit alles afwegende maakt dat [verweerder] met zijn in het telefoongesprek met de journalist gedane uitlatingen de grenzen van het aanvaardbare niet heeft overschreden. Dat de wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] in het artikel terecht zijn gekomen volgens de Raad voor de Journalistiek, door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer worden opgevat als (ontoelaatbare) kritiek op klager, maakt niet dat [verweerder] door het doen van zijn uitlatingen tijdens het telefoongesprek met de journalist onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] Er was geen grond waarop [verweerder] in actie had moeten komen voor of na de publicatie van het artikel.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Kern van de zaak”, waarin [eisers] schetsen waar de zaak volgens hen om draait. In paragraaf 1 “
Inleiding” en paragraaf 2 “
Achtergrond van het geschil” volgt een introductie, waarin [eisers] de achtergrond van en de aanloop naar de onderhavige zaak schetsen. Paragraaf 3 “
Middel van cassatie” bevat het cassatiemiddel dat in paragraaf 4 “
Klachten” wordt uitgewerkt. Deze laatste paragraaf vangt aan met “
Algemene uitgangspunten”, die, gelet op randnummer 4.1 van de procesinleiding, dienen ter onderbouwing van alle klachten. Daarop volgt “
Het arrest van het hof”, dat, gelet op randnummer 4.15 van de procesinleiding, in samenhang met klacht 1 moet worden gelezen. Er volgen vijf met Arabische cijfers aangeduide klachten. Klacht 2, 3 en 4 zijn opgedeeld in sub-klachten.
Morice/Frankrijk, waarnaar ook in de procesinleiding wordt verwezen, komt wat de feiten van de zaak betreft in de buurt van de onderhavige zaak. Over deze uitspraak kom ik nader te spreken bij de behandeling van de klachten (randnummers 3.17-3.20). Bij de behandeling van de klachten zal ik, waar relevant, ook de overige rechtspraak, waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen, alsmede andere rechtspraak betrekken.
Algemene uitgangspunten” beschrijven [eisers] het toepasselijk juridisch kader.
fair balance” moet vinden tussen de in deze zaak tegenover elkaar staande artikelen 8 en 10 EVRM. Welk van de twee rechten in een onderlinge verhouding prevaleert, moet volgens [eisers] worden bepaald door een afweging van alle omstandigheden van het concrete geval. In dit verband wijzen [eisers] op een arrest van Uw Raad, waarvan een bronvermelding ontbreekt. Bedoeld zal zijn het arrest
Rabobank/RED c.s. [19] Bij de afweging van alle omstandigheden van het concrete geval komt volgens [eisers] betekenis toe aan de rol van de betrokkenen in het maatschappelijk verkeer. [eisers] benadrukken de bijzondere positie van de persvrijheid en de pers, waarna zij stellen dat de rol en positie van advocaten niet dezelfde zijn als die van de pers en dat het EHRM bij de beoordeling van de reikwijdte van art. 10 EVRM Pro dan ook onderscheid tussen beide beroepsgroepen maakt. [20] In dit verband wijzen [eisers] op de uitspraak
Morice/Frankrijk, waarin het EHRM onder andere, in de woorden van [eisers] , advocaten uitdrukkelijk geen vrijbrief verleent om te debiteren wat hen goeddunkt. [21]
Het arrest van het hof” moet gelet op randnummer 4.15 van de procesinleiding in samenhang met klacht 1 worden gelezen. De paragraaf en de klacht zijn gericht tegen rov. 6.8. Deze overweging luidt als volgt:
Het arrest van het hof” wordt aangevoerd dat het hof als uitgangspunt voor zijn verdere beoordeling van het hoger beroep heeft genomen dat het belang van [verweerder] erin is gelegen dat hij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken en dat dit belang, anders dan [eisers] hebben gesteld, niet aan de pers is voorbehouden. Volgens [eisers] is er echter een verschil (in maatschappelijke positie) tussen een journalist en een advocaat, althans [verweerder] .
Morice/Frankrijk [22] en randnummers 15.-18. van de memorie van grieven.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] vanwege zijn achtergrond als gespecialiseerd letselschadeadvocaat door de journalist is benaderd om als deskundige uitlatingen te doen over de schadeafhandeling van het schietincident in Alphen aan den Rijn. Verder geldt dat deskundigen een wezenlijke functie hebben ter ondersteuning van een open, publiek debat over kwesties van algemeen belang. Als deskundigen zich daarover niet zouden mogen uitlaten, levert dit in beginsel een ongewenste belemmering op voor een open debat waarin alle invalshoeken aan de orde komen.” Hieraan heeft het hof in rov. 6.10 toegevoegd dat [verweerder] deskundigheid doorwerkt in de door hem te betrachten zorgvuldigheid: “
Dat [verweerder] , gelet op zijn achtergrond, als deskundig kan worden gezien op het gebied van het letselschaderecht, brengt wel mee dat van hem mag worden verwacht dat hij met de nodige zorgvuldigheid en met kennis van zaken uitspraken doet over de met deze deskundigheid verband houdende kwesties die de samenleving raken.” Over de door advocaten te betrachten zorgvuldigheid heeft het hof in rov. 6.32 het volgende overwogen: “
Dat een advocaat zich, zoals [eisers] hebben aangevoerd, volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens “discreet, eerlijk en waardig” dient uit te laten maakt het voorgaande niet anders. Ook een advocaat mag (kritisch) deelnemen aan het maatschappelijk debat.” Dit sluit aan bij de hierna (randnummers 3.17-3.20) te bespreken uitspraak
Morice/Frankrijk, waarin het EHRM in punt 133 heeft overwogen dat advocaten onderworpen zijn aan “
restrictions on their professional conduct, which must be discreet, honest and dignified”.
Morice/Frankrijk. Ik licht hierna toe wat volgens mij wel uit deze uitspraak kan worden afgeleid.
Morice/Frankrijk. In deze zaak ging het om een advocaat, Morice, die in een krantenartikel uitlatingen had gedaan die ten doel hadden ervoor te zorgen dat er onderzoek werd gedaan naar twee rechters die de zaak van zijn cliënte hadden behandeld, maar van de zaak waren afgehaald. Voor die uitlatingen is de advocaat strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de rechters. De Grote Kamer van het EHRM heeft in punt 148 geoordeeld dat de advocaten niet gelijk kunnen worden gesteld met journalisten. De punten 147 en 148 van deze uitspraak luiden als volgt (onderstreping van mij):
particularly with regard to the status and freedom of expression of lawyers (see paragraphs 132-39 above), with emphasis on the need to distinguish between remarks made by lawyers inside and outside the courtroom. Moreover, in view of the specific status of lawyers and their position in the administration of justice (see paragraph 132 above), the Court takes the view, contrary to the argument of the CCBE (see paragraph 116 above), that lawyers cannot be equated with journalists.Their respective positions and roles in judicial proceedings are intrinsically different. Journalists have the task of imparting, in conformity with their duties and responsibilities, information and ideas on all matters of public interest, including those relating to the administration of justice. Lawyers, for their part, are protagonists in the justice system, directly involved in its functioning and in the defence of a party. They cannot therefore be equated with an external witness whose task it is to inform the public.”
Schöpfer v. Switzerland, 20 May 1998, §§ 29-30,
Reports1998-III;
Nikula v. Finland, no. 31611/96, § 45, ECHR 2002-II;
Amihalachioaie v. Moldova, no. 60115/00, § 27, ECHR 2004-III;
Kyprianou, cited above, § 173;
André and Another v. France, no. 18603/03, § 42, 24 July 2008; and
Mor, cited above, § 42). However, for members of the public to have confidence in the administration of justice they must have confidence in the ability of the legal profession to provide effective representation (see
Kyprianou, cited above, § 175).
That special role of lawyers, as independent professionals, in the administration of justice entails a number of duties, particularly with regard to their conduct(see
Van der Mussele v. Belgium, 23 November 1983, Series A no. 70;
Casado Coca v. Spain, 24 February 1994, § 46, Series A no. 285-A;
Steur v. the Netherlands, no. 39657/98, § 38, ECHR 2003-XI;
Veraart v. the Netherlands, no. 10807/04, § 51, 30 November 2006; and
Coutant v. France(dec.), no. 17155/03, 24 January 2008).
Whilst they are subject to restrictions on their professional conduct, which must be discreet, honest and dignified, they also enjoy exclusive rights and privileges that may vary from one jurisdiction to another – among them, usually, a certain latitude regarding arguments used in court (see
Steur, cited above).
Consequently, freedom of expression is applicable also to lawyers.It encompasses not only the substance of the ideas and information expressed but also the form in which they are conveyed (see
Foglia v. Switzerland, no. 35865/04, § 85, 13 December 2007). Lawyers are thus entitled, in particular, to comment in public on the administration of justice, provided that their criticism does not overstep certain bounds (see
Amihalachioaie, cited above, §§ 27-28;
Foglia, cited above, § 86; and
Mor, cited above, § 43).
Those bounds lie in the usual restrictions on the conduct of members of the Bar(see
Kyprianou, cited above, § 173), as reflected in the ten basic principles enumerated by the CCBE for European lawyers, with their particular reference to “dignity”, “honour” and “integrity” and to “respect for ... the fair administration of justice” (see paragraph 58 above). Such rules contribute to the protection of the judiciary from gratuitous and unfounded attacks, which may be driven solely by a wish or strategy to ensure that the judicial debate is pursued in the media or to settle a score with the judges handling the particular case.
The question of freedom of expression is related to the independence of the legal profession, which is crucial for the effective functioning of the fair administration of justice (see
Siałkowska v. Poland, no. 8932/05, § 111, 22 March 2007). It is only in exceptional cases that restriction – even by way of a lenient criminal penalty – of defence counsel’s freedom of expression can be accepted as necessary in a democratic society (see
Nikula, cited above, § 55;
Kyprianou, cited above, § 174; and
Mor, cited above, § 44).
Nikula, cited above, § 49, and
Steur, cited above, § 37). Lawyers have the duty to “defend their clients’ interests zealously” (see
Nikula, cited above, § 54), which means that they sometimes have to decide whether or not they should object to or complain of the conduct of the court (see
Kyprianou, cited above, § 175). In addition, the Court takes into consideration the fact that the impugned remarks are not repeated outside the courtroom and it makes a distinction depending on the person concerned; thus, a prosecutor, who is a “party” to the proceedings, has to “tolerate very considerable criticism by ... defence counsel”, even if some of the terms are inappropriate, provided they do not concern his general professional or other qualities (see
Nikula, cited above, §§ 51-52;
Foglia, cited above, § 95; and
Roland Dumas, cited above, § 48).
Turning now to remarks made outside the courtroom, the Court reiterates that the defence of a client may be pursued by means of an appearance on the television news or a statement in the press, and through such channels the lawyer may inform the public of shortcomings that are likely to undermine pre-trial proceedings (see
Mor, cited above, § 59). The Court takes the view, in this connection, that a lawyer cannot be held responsible for everything published in the form of an “interview”, in particular where the press has edited the statements and he or she has denied making certain remarks (see
Amihalachioaie, cited above, § 37). In the above-cited
Fogliacase, it also found that lawyers could not justifiably be held responsible for the actions of the press (see
Foglia, cited above, § 97). Similarly, where a case is widely covered in the media on account of the seriousness of the facts and the individuals likely to be implicated, a lawyer cannot be penalised for breaching the secrecy of the judicial investigation where he or she has merely made personal comments on information which is already known to the journalists and which they intend to report, with or without those comments. Nevertheless, when making public statements, a lawyer is not exempted from his duty of prudence in relation to the secrecy of a pending judicial investigation (see
Mor, cited above, §§ 55-56).
Lawyers cannot, moreover, make remarks that are so serious that they overstep the permissible expression of comments without a sound factual basis(see
Karpetas, cited above, § 78; see also
A. v. Finland(dec.), no. 44998/98, 8 January 2004), nor can they proffer insults (see
Coutant, cited above). In the circumstances in
Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa(cited above, § 48), the use of a tone that was not insulting but caustic, or even sarcastic, in remarks about judges was regarded as compatible with Article 10.
The Court assesses remarks in their general context, in particular to ascertain whether they can be regarded as misleading or as a gratuitous personal attack(see
Ormanni v. Italy, no. 30278/04, § 73, 17 July 2007, and
Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa, cited above, § 51)
and to ensure that the expressions used have a sufficiently close connection with the facts of the case(see
Feldek v. Slovakia, no. 29032/95, § 86, ECHR 2001‑VIII, and
Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa, cited above).
the Court takes the view that the applicant’s impugned remarks, which also concerned, as in the said judgments in
Floquet and Esménardand
July and SARL Libération, the functioning of the judiciary and the handling of the Borrel case,
fell within the context of a debate on a matter of public interest, thus calling for a high level of protection of freedom of expression, with a particularly narrow margin of appreciation accordingly being afforded to the authorities.”
Afweging van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval” ook als uitgangspunt heeft gehanteerd dat [verweerder] zijn uitlatingen niet rechtstreeks in de media heeft gedaan.
to-the-point. Zij haken niet in op het centrale punt dat de klacht maakt, namelijk dat de omvang van reputatieschade niet minder groot is wanneer uitingen niet direct maar indirect in de media worden gedaan.
Vereniging tegen de kwakzalverij/ […] [32] alsmede lagere rechtspraak. [33]
niet bepalend isbij de beoordeling van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn. Dit omdat de context waarin deze uitlatingen in het artikel terecht zijn gekomen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is. Nergens in het bestreden arrest is de overweging of het oordeel terug te vinden of in te lezen dat niet de publieke perceptie van uitingen maar de bedoeling van degene wiens of wier uitingen zijn opgetekend of geparafraseerd, beslissend is voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitingen.
Vereniging tegen de kwakzalverij/ […] [34] niet worden opgemaakt dat aan de publieke perceptie van een uiting toch zwaarder gewicht toekomt dan andere omstandigheden of dat zij zelfs beslissend is voor de beoordeling van de vraag of een uiting onrechtmatig is. In deze zaak ging het om de bundel ‘
Kwakzalverij in de twintigste eeuw’, die door de Vereniging tegen de kwakzalverij werd uitgegeven en waarin […] op de lijst van de top twintig kwakzalvers uit de twintigste eeuw staat. In de bundel was vermeld welke definitie van ‘kwakzalverij’ de vereniging aanhoudt. De lijst is overgenomen in een aantal kranten en tijdschriften zonder vermelding van de door de vereniging gehanteerde definitie van ‘kwakzalverij’. Uw Raad heeft zich eerst uitgesproken over de beoordeling door het hof van de onrechtmatigheid van de vermelding van […] (onderstreping van mij):
is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de vermelding van […] op de lijsten ervan is uitgegaan dat de gemiddelde lezer van die krant of dat tijdschrift aan dat woord de met de vermelding in Van Dale en het gangbare spraakgebruik overeenstemmende negatieve betekenis zal hechten. [Voor zover] de klachten van onderdeel 2 dit een en ander bestrijden, falen zij.”
In het kader van het maatschappelijk debat, waarin de Vereniging c.s. zich klaarblijkelijk met hun publicaties wilden mengen, behoeven zij zich niet te laten weerhouden van het gebruik van het woord "kwakzalverij" en van het samenstellen en publiceren van lijsten met personen die zich volgens hen met "kwakzalverij" bezighouden in de daarbij door hen vermelde en toegelichte betekenis. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de Vereniging c.s. blijkens de vaststellingen van het hof het grote publiek willen waarschuwen voor wat zij als kwakzalverij beschouwen, en dat zij zelf door de inhoud en context van hun publicaties geen onduidelijkheid laten bestaan over wat zij daarmee bedoelen.In dit verband beroepen zij zich terecht op de mede in art. 10 EVRM Pro gewaarborgde vrijheid van meningsuiting.
Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik van het woord "kwakzalver" is het hof dan ook ten onrechte voorbijgegaan aan de specifieke betekenis die daaraan volgens de door de Vereniging c.s. gehanteerde definitie toekomt, te weten de meer neutrale betekenis, die ook in Van Dale is vermeld.De op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel 2 zijn gegrond.” [35]
niet bepalend isbij de beantwoording van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn. Dit omdat de context waarin deze uitlatingen in het artikel terecht zijn gekomen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is. Het hof heeft onder andere de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt (gezichtspunt (e)) en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] (gezichtspunt (f)) in aanmerking genomen. Hieruit volgt dat het hof in zijn oordeelsvorming wel degelijk gewicht heeft toegekend aan de publieke perceptie van de uitlatingen van [verweerder] , zij het geen doorslaggevend gewicht.
voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij die heeft gedaan”. De klacht voert aan dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In dit verband verwijst de klacht naar de stellingen dat van [verweerder] als geïnterviewde mag worden verlangd dat hij nagaat of de journalist zijn uitlatingen in de juiste context heeft geplaatst en of hij juist is geciteerd en dat hij protesteert als een van beide of allebei niet het geval is, [37] te meer nu hij als advocaat, deskundige en betrokkene werd geraadpleegd en zijn woorden daarmee (extra) gezag hadden. [38]
Foglia/Zwitserland. [39] In deze zaak werd de advocaat, Foglia, in de voorafgaande nationale tuchtrechtelijke procedure onder andere verweten dat hij informatie over een gerechtelijke procedure aan de pers had doorgegeven, zonder ervoor te zorgen dat de media hierover discreet en terughoudend berichtten. De advocaat werd in essentie verweten dat hij zorgvuldiger had moeten handelen ten opzichte van de betrokken persorganen. In klacht 4a wordt [verweerder] een vergelijkbaar verwijt gemaakt. De advocaat was door de tuchtrechter uiteindelijk veroordeeld tot het betalen van een boete van CHF 1.500,00. Het EHRM heeft in deze uitspraak onder andere geoordeeld dat het niet gerechtvaardigd was om de advocaat verantwoordelijk te stellen voor de werkwijze van de bij de publicaties betrokken persorganen en dat de advocaat niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de wijze waarop de persorganen zijn verklaringen in hun publicaties hadden overgenomen (onderstrepingen van mij):
A cet égard, la Cour estime, d’une part, qu’il ne se justifie pas d’attribuer au requérant la responsabilité des agissements des organes de presse.D’autre part, elle relève que cette divulgation d’informations s’inscrivait dans un contexte médiatique et estime que la divulgation litigieuse pouvait ainsi répondre au droit du public de recevoir des informations sur les activités des autorités judiciaires.
En outre, compte tenu du fait que c’est la presse qui a repris les déclarations du requérant dans des articles de presse parus postérieurement aux interviews accordées par celui-ci, la Cour estime que le requérant ne saurait être tenu pour responsable des articles de presse.
cowboys” die “
geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken” – ook al zijn zij mogelijk in algemene zin gedaan – door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer zullen worden opgevat als kritiek op klager. Zoals overwogen is [verweerder] in beginsel alleen verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan, maar zou dit zou anders kunnen als hij maatregelen had moeten treffen voor publicatie van het artikel (bv. het maken van voorbehouden, het vragen om voorinzage) en dit heeft nagelaten of ten onrechte niet heeft opgetreden na de publicatie van het artikel (als hij van mening was dat zijn woorden verdraaid waren). Tegen deze achtergrond komt de vraag op of [verweerder] voldoende (controle)maatregelen heeft getroffen.”
Het lijkt erop dat…”). Verder kan in het midden blijven of juist is dat [verweerder] voor de publicatie van het artikel alleen de door hem genoemde passages voorgelegd heeft gekregen. Het hof is namelijk van oordeel dat [verweerder] , ook als hij toen de gehele passage voorgelegd had gekregen, niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet in te grijpen. [verweerder] hoefde de passage niet te lezen vanuit het oogpunt van de gemiddelde krantenlezer. Dat was de taak van [verweerder] niet, hij is geen journalist. [verweerder] mocht de passage lezen met in zijn achterhoofd het verloop van zijn gesprek met de journalist. Aldus bezien is het begrijpelijk dat [verweerder] zijn geciteerde uitlatingen begreep zoals hij ze ook had bedoeld. Het voorgaande betekent dat ook de omstandigheid dat [verweerder] niet (alsnog) heeft ingegrepen ná de publicatie van het artikel niet meebrengt dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld.
“de wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] in de passage terecht zijn gekomen, [verweerder] hadden moeten doen twijfelen over de mogelijke gevolgen daarvan”, omdat hij mocht verwachten dat de journalist zijn werk goed zou doen, hij ervan mocht uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden en hij van de nalatigheid op deze punten voordat het artikel uitkwam noch vlak daarna op de hoogte was.
de wijze waarop de uitlatingen in de passage terecht zijn gekomen, [verweerder] hadden moeten doen twijfelen over de mogelijke gevolgen daarvan”, de grenzen van het aanvaardbare niet is overgegaan enkel omdat hij erop mocht vertrouwen dat de journalist zijn werk goed zou doen en ervan mocht uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In dit verband stelt de klacht dat de plichten van de journalist [verweerder] niet ontslaan van zijn eigen verplichting om te verifiëren of hij juist is geciteerd en de (ogenschijnlijk) uit zijn mond opgetekende uitlatingen in de juiste context zijn geplaatst. [43]
eigen maakt”. [44]
Jersild/Denemarken [45] brengt mij niet tot een andere conclusie. Voordat ik dit nader toelicht, merk ik op dat voor mij niet goed uit de procesinleiding blijkt waarom deze uitspraak hier wordt aangehaald. In de onderhavige zaak draait het immers niet om de aansprakelijkheid van een journalist voor de onrechtmatige uitingen van een geïnterviewde. Als is bedoeld dat de verantwoordelijkheid voor uitingen van een geïnterviewde met name bij de geïnterviewde ligt, omdat de journalist voor de uitingen in beginsel niet aansprakelijk kan worden gehouden, dan had het op de weg van [eisers] gelegen om dat als zodanig aan te voeren.
Jersild/Denemarken. In deze zaak ging het om de strafrechtelijke veroordeling van een journalist, Jersild, wegens medeplichtigheid aan het verspreiden van de racistische denkbeelden van een bepaalde groep. In de procesinleiding staat niet vermeld uit welk punt van deze uitspraak zou volgen dat journalisten uitingen van geïnterviewden mogen weergeven zonder hiervoor zelf aansprakelijk te zijn. Gedoeld zal zijn op punt 35, alwaar het EHRM onder andere het volgende heeft overwogen (onderstreping van mij):
The punishment of a journalist for assisting in the dissemination of statements made by another person in an interview would seriously hamper the contribution of the press to discussion of matters of public interest and should not be envisaged unless there are particularly strong reasons for doing so.In this regard the Court does not accept the Government’s argument that the limited nature of the fine is relevant; what matters is that the journalist was convicted.”
Jersild/Denemarkente verwijzen, gaat de klacht eraan voorbij dat de uitoefening van de uitingsvrijheid gepaard gaat met ‘plichten en verantwoordelijkheden’ (“
duties and responsibilities”). [46] In dit verband heeft het EHRM herhaaldelijk overwogen dat de bescherming die art. 10 EVRM Pro biedt aan journalisten met betrekking tot verslaggeving over kwesties van algemeen belang is onderworpen aan de voorwaarde dat zij te goeder trouw en op basis van juiste feiten handelen en dat zij ‘betrouwbare en nauwkeurige’ (“
reliable and precise”) informatie verstrekken in overeenstemming met de journalistieke ethiek. [47] Het EHRM heeft deze voorwaarden ook wel omschreven als handelen in overeenstemming met de principes van verantwoordelijke journalistiek (“
responsible journalism”). [48] Uit de rechtsregel uit
Jersild/Denemarkenkan moeilijk voortvloeien dat de journalist is ontslagen van het bedrijven van verantwoordelijke journalistiek. Dat is immers een voorwaarde voor het genieten van de bescherming van art. 10 EVRM Pro, die onder andere meebrengt dat de journalist in principe niet aansprakelijk is voor de uitingen van een geïnterviewde. Voor de volledigheid merk ik op dat ik geen rechtspraak heb gevonden waarin Uw Raad of het EHRM zich uitdrukkelijk heeft moeten uitlaten over de aansprakelijkheid van een journalist voor de onrechtmatige uitingen van een geïnterviewde in het geval dat de journalist deze uitingen niet in overeenstemming met de journalistieke ethiek in diens publicatie heeft verwerkt.
(…) raadsman [eiser 1] wil niets van die stichting weten. (…) [eiser 1] , wiens cliënten volgens hem elk recht hebben op minstens 25.000 euro, raadt iedereen af om een machtiging te tekenen, die nodig is om schadedossiers over te dragen: „Die stichting wil mijn mensen afschepen met een fooi. Laat ze eerst met een voorschot komen van 10.000 euro. Dan komt er vertrouwen”.
Waar ben je dan mee bezig als belangenbehartiger?” (zie 3.6).”
Dit oordeel is temeer onbegrijpelijk”) voert de klacht aan dat [eisers] juist met succes tegen de inhoud van die passage zijn opgekomen bij de Raad voor de Journalistiek (vanwege onder andere een schending van het principe van hoor en wederhoor). Volgens de klacht heeft het hof dit in rov. 3.8 van het bestreden arrest vastgesteld.
Het lijkt erop’en ten minste het citaat “
er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belangen werken”;
er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belangen werken” heeft gedaan om de uitlating “
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers” in een algemeen kader te plaatsen van belangenbehartigers die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken. Daartoe heeft het hof acht geslagen op het feit dat “
cowboys” meervoud is en “
de belangenbehartiger” enkelvoud. In rov. 6.31 heeft het hof geoordeeld dat niet van belang is in hoeverre de uitlating van [verweerder] over “
cowboys” steun vindt in de feiten, omdat [verweerder] een uitlating in algemene zin deed en de uitlating dus niet specifiek betrekking had op [eisers]
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers” rechtstreeks met betrekking tot [eiser 1] heeft gedaan. Zijn andere uitlatingen heeft [verweerder] in algemene zin gedaan – en dus niet specifiek met betrekking tot niet-LSA-advocaten –, aldus het hof. In het voorgaande ligt het oordeel besloten dat geen sprake was van diskwalificatie van niet-LSA-advocaten. Overigens lees ik in de in de klacht genoemde vindplaatsen niet de stelling terug dat [verweerder] niet-LSA-advocaten heeft gediskwalificeerd. [52]
Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”, die overigens iets zegt over de handelswijze van [eisers] , voldoende steun vindt in de feiten. Verder heeft het hof in rov. 6.29 overwogen dat [eisers] machtigingsformulieren hebben overgelegd. Ik kan me voorstellen dat [eisers] dit hebben gedaan om te ontkrachten dat zij cliënten zouden hebben afgeraden om hun schadedossiers aan de VSSA over te dragen. Het hof heeft geoordeeld dat één formulier niet is ingevuld, dat de authenticiteit van het tweede formulier niet is vast te stellen en dat bovendien niet duidelijk is of het tweede formulier ook daadwerkelijk aan de VSSA is verzonden.