ECLI:NL:PHR:2026:19

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/01694
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Woningoverval met geweld tijdens het Hrieps festival

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1997, betrokken bij een woningoverval die plaatsvond op 12 mei 2019 in [plaats]. De overval vond plaats tijdens de nachtelijke uren, waarbij de dagopbrengst van het Hrieps festival werd gestolen. De verdachte is door het gerechtshof Den Haag als medepleger aangemerkt, ondanks dat niet kon worden vastgesteld dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In cassatie zijn drie middelen van cassatie ingediend. Het eerste middel betrof de bewijsvoering van het medeplegen, het tweede middel ging over de motivering van de verklaring van een anonieme getuige, en het derde middel betrof de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase. Het hof heeft het eerste en tweede middel verworpen, maar het derde middel gegrond verklaard, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01694
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000151-22) veroordeeld wegens “diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”. Het hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 jaren en 8 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. Verder heeft het hof een personenauto verbeurd verklaard, is een beslissing genomen over een TUL-vordering en is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01697, 24/01696, 24/01735 en 24/01829. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Vico. Op 12 mei 2019 vindt er een overval op een woning plaats waarbij de dagopbrengst van het jaarlijkse muziekfestival Hrieps in [plaats] wordt buitgemaakt. De drie overvallers, waarvan er één een stok/knuppel in handen had, zijn – nadat zij door het gooien van een stoeptegel door het raam van de voordeur de toegang tot de woning hadden verschaft – voorzien van gezichtsbedekking de trap naar de bovenverdieping opgegaan en hebben daar het 74-jarige slachtoffer dreigend gevraagd waar het geld lag. Het slachtoffer heeft de daders direct de kamer gewezen waar het geld lag en heeft zich daarna over haar 3-jarige kleinkind ontfermd. De verdachte, waarvan niet is kunnen worden vastgesteld dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan, is door het hof als medepleger van de woningoverval aangemerkt. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Het tweede middel houdt in dat het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een anonieme getuige ontoereikend is gemotiveerd. Het derde middel voert aan dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
2.2
Om doelmatigheidsredenen bespreek ik de middelen in een afwijkende volgorde. Omdat het tweede middel klaagt over de motivering van een – in de visie van de stellers van het middel – voor het bewijs gebruikte verklaring van een anonieme getuige en de inhoud van de door deze getuige afgelegde verklaring mogelijk ook van belang kan zijn voor het bewijs van het medeplegen, zal ik eerst het tweede middel bespreken en daarna het eerste middel.
2.3
Volgens deze conclusie falen het eerste middel en het tweede middel en slaagt het derde middel.

3.Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 mei 2019 te [plaats] , omstreeks 03:15 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning aldaar gelegen aan [a-straat 1] , tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid geld,
dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [aangeefster] in te gooien en vervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen – gekleed in het zwart/donker en met bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en met een stok/knuppel in de handen en vervolgens aan die [aangeefster] dreigend te vragen waar het geld lag.”
3.2
In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de bewijsmotivering gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze. De omvangrijke (bewijs)overwegingen staan weergegeven op pag. 4 t/m 38 van het arrest. [1] Deze overwegingen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten, tenzij anders te kennen gegeven [2] ):

I. Algemene overwegingen.
In het onderzoek Vico heeft het hof naar aanleiding van het door vijf verdachten ingestelde hoger beroep en het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak in eerste aanleg van een andere verdachte in zes zaken gelijktijdig het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. Aan alle verdachten is primair hetzelfde feit tenlastegelegd. In verband met deze samenhang acht het hof de gezamenlijke bespreking van verweren op de bewijsmiddelen en onderdelen van de tenlastelegging in hun onderlinge samenhang van belang, ook als daar niet expliciet een verweer op is gevoerd.
Aanleiding onderzoek
Op 12 mei 2019 is omstreeks 03.15 uur bij de politie een inbraak gemeld in een woning aan [a-straat 1] te [plaats] , met de melding dat er een groot geldbedrag was weggenomen. De – toen 74-jarige – aangeefster [aangeefster] was vlak daarvoor wakker geworden van een harde knal. In de woning bevond zich die nacht dat grote geldbedrag vanwege de naar die woning in etappes overgebrachte contante geldopbrengst van het muziekfestival Hrieps . De aangeefster had dat geld samen met iemand anders geteld. Omstreeks 02.45 uur is zij gaan slapen. In de woning was ook haar – toen 3-jarige – kleindochter aanwezig. Nadat de aangeefster de harde knal had gehoord, heeft zij haar slaapkamer verlaten om te kijken wat er aan de hand was. Op de overloop is zij met drie mannen geconfronteerd die de trap opliepen. De mannen waren in het zwart gekleed en hun hoofden waren bedekt met bivakmutsen. De voorste man zei: “Waar ligt het geld?”. Daarop heeft de aangeefster de logeerkamer aangewezen en heeft zij zich verschanst in de kamer waar haar kleindochter lag te slapen. Nadat de mannen weg waren heeft zij de slaapkamer verlaten en heeft zij gezien dat het glas van het bovenste raam van de voordeur eruit lag en dat een grote grindtegel op de grond lag in de hal. In de logeerkamer stonden eerder nog 6 tot 8 dozen met geteld geld. Bovenop het getelde geld lagen tassen met niet geteld geld. Al het geld was door de mannen meegenomen. De man die sprak had mogelijk een zwarte stok in zijn handen, die hij met beide handen voor zich vasthield.
Waardering van de bewijsmiddelen
Alvorens tot een beoordeling van het tenlastegelegde te kunnen komen zal het hof zich uitlaten over (II) de (verweren rond de) toelaatbaarheid van het bewijs, (III) het bewijs zelf op diverse onderdelen, en (IV) de waardering van de verschillende bewijsmiddelen.
[…]
III. (a) Telecomgegevens
Telefonische contacten op 11 en 12 mei 2019
Uit metingen nabij de woning in [plaats] waar het geldbedrag werd weggenomen, is gebleken dat vanaf daar zendmasten in [plaats] konden worden aangestraald. De vermoedelijk bij de diefstal gebruikte auto’s reden na de diefstal in de richting van [plaats] .
[…]
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat in de nacht en vroege ochtend van 12 mei 2019 meerdere telefoonnummers een zendmast in [plaats] hebben aangestraald. Meerdere van deze telefoonnummers zijn zogenoemde prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] , waarvan niet telkens is vastgesteld wie de (vermoedelijke) gebruikers van deze telefoons zijn geweest. Nu deze telefoonnummers alleen op 11 en 12 mei 2019 zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk geworden dat deze telefoons uitsluitend in gebruik zijn geweest bij personen die betrokken zijn geweest bij de diefstal die nacht in [plaats] en dat deze personen zich gedurende enige uren na de diefstal hebben verzameld en opgehouden in [plaats] .
Deze bevindingen zijn naar het oordeel van het hof minst genomen relevant voor de verklaring van de [getuige 1] , die heeft verklaard over de aanwezigheid van meerdere personen bij zijn woning in [plaats] op 12 mei 2019.
III. (b) Betrokkenheid Toyota IQ en grijze Volkswagen Polo
Nadat [getuige 2] de witte Toyota IQ van [A] had uitgeleend aan [medeverdachte 1] in de avond van 11 mei 2019 is een dergelijke auto op camerabeelden te zien in [plaats] om 20.44 uur (camerabeelden [B] ) en om 20.45 uur (camerabeelden [C] ).
Op dezelfde camerabeelden is achter de witte Toyota IQ steeds op korte afstand een tweedeurs lichtgrijze (camerabeelden [C] ) althans zilverkleurige (camerabeelden [B] ) auto te zien met zwarte velgen en een beschadiging bij de wielkast rechts vooraan. Later, om 03.00 uur op 12 mei 2019, zijn op camerabeelden van [C] in [plaats] weer een witte Toyota IQ met een bedrijfslogo en een lichtgrijze auto vlak achter elkaar rijdend te zien. Over het bedrijfslogo op de Toyota IQ is een lichte horizontale streep te zien.
Op camerabeelden afkomstig uit de [b-straat] te [plaats] zijn om 03.17 uur – het hof begrijpt: na de diefstal uit de woning – wederom samen te zien een witte Toyota IQ met bedrijfslogo en een grijze auto die sterke gelijkenissen heeft met een Volkswagen Polo, evenals op camerabeelden afkomstig uit de [c-straat] te [plaats] om 03.19 uur, rijdend richting [plaats] .
Voor de vraag of de auto’s op de camerabeelden betrokken zijn bij het feit kent het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden:
- op de foto’s van de camerabeelden is steeds een combinatie te zien van een witte Toyota IQ met een specifiek bedrijfslogo en een grijze Volkswagen Polo. Dit bedrijfslogo blijkt het logo van [A] te zijn;
- beide auto’s zijn zeer kort na het feit te zien in de [b-straat 1] te [plaats] , waarbij het hof van belang acht dat deze straat ligt op de route vanaf [a-straat 1] (plaats delict), naar een doorgaande weg in [plaats] ;
- beide auto’s rijden kort na de diefstal in de richting van [plaats] ;
- beide auto’ s worden direct achter elkaar rijdend gesignaleerd;
- beide auto’s zijn ook kort vóór het feit in [plaats] te zien, waarbij op dat moment het bedrijfslogo op de Toyota IQ is afgeplakt, terwijl dit logo nog niet was afgeplakt toen beide auto’s op 11 mei 2019 om 20.41 uur in [plaats] reden.
Op grond van deze feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat beide auto’s bij het feit betrokken zijn, waarbij het hof met name de combinatie van beide auto’s op alle camerabeelden, het klaarblijkelijke afplakken van het logo op een van de auto’s vlak vóór de diefstal en het tijdstip waarop en de plaats waar de beide auto’s in [plaats] (nabij de plaats delict) te zien waren van belang acht.
Beide auto’s stonden ten tijde van het feit ter beschikking aan de verdachten in dit onderzoek. De witte Toyota IQ was op de momenten dat de auto op de camerabeelden is te zien door [getuige 2] uitgeleend aan [medeverdachte 1] . Op het bedrijfslogo van de Toyota IQ die [getuige 2] had uitgeleend zijn na de diefstal witte resten te zien op het bedrijfslogo ter hoogte van de letters.
Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een andere bedrijfsauto van [A] dan de auto die door [getuige 2] was uitgeleend aan [medeverdachte 1] bij het feit betrokken was.
De grijze Volkswagen polo behoort toe aan [verdachte] .
III. (c) Aantal daders
Door [getuige 3] is na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon gezien dat drie mannen in een lichtgrijze met draaiende motor voor [a-straat 1] geparkeerd staande auto stappen. Eén van de mannen gaat naast de bestuurder zitten. De tweede persoon gaat rechts achterin zitten en de derde persoon gaat achter de bestuurder zitten. Hierna rijdt de auto met spinnende banden weg.
Het hof stelt vast dat er dus in ieder geval een bestuurder in de geparkeerd staande lichtgrijze auto zat te wachten en daarmee minimaal vier personen in deze auto zaten. Terzijde merkt het hof op dat niet met een voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat
dezebewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [verdachte] wordt toegeschreven en ook niet dat
dezeauto dus (ook) de Volkswagen Polo van [verdachte] was of moet zijn geweest.
Nu de bewuste Toyota IQ en de Volkswagen Polo van [verdachte] enige tijd voorafgaande aan het feit samen in [plaats] zijn te zien en eveneens zeer kort na het feit op camerabeelden in [plaats] te zien zijn, en daarna in [plaats] rijdend richting [plaats] , gaat het hof ervan uit dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf bij de diefstal uit de woning betrokken daders. En dat deze personen bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest. Het hof betrekt daarbij ook het tijdstip van de stappenactiviteit van [getuige 1] in de nacht van 11 en 12 mei 2019.
III. (d) De resultaten van het DNA-onderzoek
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na de melding van aangeefster als eerste omstreeks 03.19 uur op de plaats delict ter plaatse waren, is gerelateerd dat op de oprit, aan de rechter (zijde, aanvulling door het hof) van perceel [a-straat 1] te [plaats] drie tassen lagen: een rode en witte plastic boodschappentas en een donkere canvas sporttas. De bewoner van het perceel wist niet van wie die tassen waren, aldus het proces-verbaal van bevindingen. Het hof gaat ervan uit dat de tassen door de daders van de diefstal zijn achtergelaten, gelet op de tijd en de plaats van aantreffen en de omstandigheid dat de tassen kennelijk niet van de bewoner van het perceel waren. Dat brengt met zich dat het aantreffen van DNA van een bepaald persoon of bepaalde personen op deze tassen – in potentie – een sterke aanwijzing vormt dat deze perso(o)nen betrokken is/zijn bij de diefstal, ten minste als er geen andere aannemelijke verklaring is voor het aantreffen van de tassen, in onderling verband en in samenhang beschouwd.
[…]
[medeverdachte 2]
[…]
Gelet op de bovenstaande bevindingen en met inachtneming van de overige bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat een deel van het DNA op de tape van de sporttas en de handvatten van de rode ‘Dirk’-tas van [medeverdachte 2] afkomstig is.
[…]
Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek voor [medeverdachte 2] belastend bewijs betreffen.
[medeverdachte 3]
[…]
Gelet op de bovenstaande bevindingen en met inachtneming van de overige bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat een relatief groot deel van het DNA op de draaghengsels en de schouderband van de sporttas van [medeverdachte 3] afkomstig is. De resultaten van het DNA-onderzoek zijn belastend voor [medeverdachte 3] . […]
[…]
IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1]
Inleiding
(hierna ook: [getuige 1] ) heeft zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen en op twee
momenten een inhoudelijke verklaring afgelegd. De eerste verklaring die [getuige 1] heeft afgelegd tegenover de politie als verdachte dateert van 31 oktober 2019, waarvan de politie een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. Dit proces-verbaal is een weergave van een door de verhorende verbalisanten opgemaakte samenvatting van de verklaring van [getuige 1] . De tweede uitgebreide verklaring heeft [getuige 1] op 17 december 2020 als getuige tegenover de rechter-commissaris afgelegd, welke verklaring beduidend meer specifieke details behelst. De informatie uit deze verklaringen ziet in het bijzonder op datgene wat [getuige 1] – de auditu, oftewel van horen zeggen – van twee medeverdachten stelt te hebben gehoord over “de boel bij Hrieps” (het hof begrijpt: het strafbare feit). Zijn verklaringen behelzen op die punten mede daderinformatie – die dus alleen van de daders zelf afkomstig kan/kunnen zijn – in het bijzonder over wie welke rol bij het strafbare feit zou hebben gehad. Zijn latere verklaring tegenover de rechter-commissaris bevat
diezelfde daderinformatie, en nu tevens over de vraag op welke wijze het feit zou zijn gepleegd. [getuige 1] heeft in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris bovendien uit eigen wetenschap verklaard over welke personen zich na het feit ‘s morgens vroeg op 12 mei 2019 bij hem voor de deur hebben bevonden met een auto met daarin de buit van Hrieps.
Het openbaar ministerie acht de verklaringen van [getuige 1] op onderdelen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Van de zijde van de verdediging is op diverse gronden betoogd dat [getuige 1] een (hoogst) onbetrouwbare verklaring heeft afgelegd die daardoor moet worden uitgesloten van het bewijs. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vaststellingen hof
Het hof stelt vast dat de twee verschillende verklaringen van [getuige 1] – in de kern en op hoofdlijnen beschouwd – met elkaar overeenkomen. Deze hoofdlijnen duidt het hof als volgt. [getuige 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij de informatie over het wegnemen van de festivalopbrengst heeft gekregen van de verdachten in die zaak. [getuige 1] heeft van [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en van [medeverdachte 4] (met wie [getuige 1] naar eigen zeggen al vanaf zijn twaalfde jaar omgang heeft) gehoord wat er bij de boel van Hrieps (het hof begrijpt: op 12 mei 2019) precies is gebeurd. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) waren erbij betrokken. Ze waren ook ‘s morgens bij hem voor de deur. [getuige 1] verklaart voorts consequent over de buit en het
uitgavenpatroon daarna van de betrokkenen. In zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 1] bovendien over het feit dat de betrokkenen van Hrieps op 12 mei 2019 in de ochtend na hun daad bij de woning van [getuige 1] zijn geweest, waarbij zij hun buit hebben laten zien die zich in de kofferbak van een witte auto bevond.
Ten aanzien van ieders rol bij het feit heeft [getuige 1] consequent en kort samengevat het volgende verklaard. [medeverdachte 2] was tipgever, hij heeft de boel bij Hrieps afgelegd en een deel van de buit gehad. [medeverdachte 4] had ook een rol, maar voor [getuige 1] is onduidelijk gebleven welke. [medeverdachte 4] heeft wel € 50.000,- van de buit gehad. [getuige 1] heeft deze buit gezien, en in zijn telefoon staat nog een foto van de buit van [medeverdachte 4] die [medeverdachte 4] naar hem had opgestuurd. [medeverdachte 3] was één van de daders die in de woning van de aangeefster is geweest. [medeverdachte 1] was ook een van de daders die in de woning is geweest. Tot slot was ook [verdachte] een van de betrokkenen.
[…]
Vaststelling kennelijk leugenachtige verklaringen [getuige 1]
Wanneer het hof de verklaringen van [getuige 1] op andere aspecten nader beschouwt, kan het hof niet anders dan vaststellen – met de verdediging en de rechtbank in eerste aanleg – dat de tweede verklaring van [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris op onderdelen onjuistheden en/of zelfs aperte onwaarheden bevat nu die onderdelen aantoonbaar in strijd zijn met andere betrouwbare en objectieve bewijsmiddelen. Het hof slaat hiervoor acht op de stappenteller van [getuige 1] in zijn telefoon en op de foto die is gemaakt op de dag na Hrieps op 12 mei 2019 om 10.17 uur, waarop de hand van [getuige 1] te zien is – te herkennen aan een deel van een tatoeage met de letters “ […] ” – met daarin een behoorlijk pak bankbiljetten. Uit onderzoek is gebleken dat deze foto is gemaakt op de slaapkamer van [getuige 1] . [getuige 1] ’s stelling, dat hij de betrokkenen van Hrieps eerst in de loop van de volgende ochtend rond 07.00 uur buiten zijn woning heeft gezien met de buit, dat hij verder niets met Hrieps te maken zou hebben gehad en dat hij hooguit een half uurtje na de komst van de jongens gewoon aan het werk was gegaan en 19.00 uur ‘s avonds pas weer thuis kwam, wordt hierdoor onderuit gehaald.
Het hof merkt hierover evenwel meteen op dat het hof het evident acht – ook nog zonder oog te hebben voor de nog na te noemen verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] – dat [getuige 1] hiermee klaarblijkelijk in het bijzonder op de
hemin potentie belastende onderdelen in zijn verklaringen heeft gezwegen en/of gelogen en/of zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Het hof wordt hierin bovendien nog gesterkt door de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] . Deze anonieme getuige heeft tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat [getuige 1] met hem wel degelijk mede in voor [getuige 1] belastende zin heeft gesproken. [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) heeft over zijn eigen betrokkenheid tegenover deze anonieme getuige gesteld dat zijn, [getuige 1] ’s, onderdeel van het hele plan was het ontvangen van de hele groep bij zijn ouderlijk huis. Daar is het geld naartoe gebracht, en daar is in huis het geld volgens [getuige 1] geteld.49 Het hof stelt op basis hiervan en op basis van genoemde andere bewijsmiddelen vast dat [getuige 1] geen openheid van zaken heeft gegeven noch heeft willen geven over de precieze inhoud van het appje dat hij voorafgaande aan het tenlastegelegde feit heeft ontvangen (met naar eigen zeggen slechts de algemene inhoud “dat er iets zou gaan gebeuren”), de vooraf gemaakte afspraak met de betrokkenen van Hrieps over het naar zijn ouderlijk huis brengen van de buit en het aldaar in huis tellen en verdelen van het geld van de buit50, en tot slot ook heeft gelogen over het feit dat hij, [getuige 1] , desgevraagd heeft ontkend dat ook hij die ochtend – voor zijn eigen aandeel
in het gebeuren – een deel van de buit heeft gekregen (en niet naar eigen zeggen slechts € 1.000,- als grootmoedige gift naderhand van [medeverdachte 2] ergens in juni 2019). Omdat het hof deze kennelijk leugenachtige onderdelen uit de verklaringen van [getuige 1] aldus interpreteert dat [getuige 1] daarmee klaarblijkelijk uitsluitend zichzelf niet (mede) heeft willen belasten, passeert het hof deze specifieke
onderdelen voor het bewijs en gaat het voor hetgeen direct na het feit is voorgevallen bij [getuige 1] ’s huis mede uit van de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] . Diens verklaring over de rol van [getuige 1] wordt wel door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund, waaronder meergenoemde stappenteller en de foto van de hand van [getuige 1] met een stapel geld. Het hof beschouwt, tot slot in dit verband, de niet met de overige bewijsmiddelen sporende verklaring van [getuige 1] dat hij bij het vrijwel meteen na het laten zien van de buit en het daarop meteen weggaan van alle betrokkenen – waarbij hij [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 2] (bij elkaar) in de auto heeft zien stappen – mede in het licht van hetgeen zojuist is overwogen. In het door [getuige 1] geopperde scenario dat hij verder geen bemoeienis zou hebben gehad met de andere betrokkenen van Hrieps en dat hij naar zijn werk is gegaan past immers niet een andere gedachte dan dat hij alle betrokkenen dus ook meteen en tegelijkertijd heeft moeten zien vertrekken van zijn ouderlijk huis. Ook deze verklaring laat het hof op meergenoemde grond terzijde van het bewijs.
Conclusie
Op grond van het vorenoverwogene en op grond van al de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in het onderhavige dossier, in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof de hierna te noemen de-auditu verklaringen van [getuige 1] als getuige over de door hem genoemde [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] alsook de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen uit eigen wetenschap over deze personen voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zijn verklaringen vinden op die punten immers mede steun in alle andere hiervoor reeds genoemde bewijsmiddelen. Gelet hierop acht het hof – anders dan de verdediging, maar met het openbaar ministerie en de rechtbank in eerste aanleg – geen grond aanwezig om de getuigenverklaring van [getuige 1] integraal uit te sluiten van het bewijs. Het hof verwerpt de in dit opzicht gevoerde verweren door de verdediging. De enkele omstandigheid dat [getuige 1] ook zelf tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zijn hele jeugd heeft “geblowd als een schoorsteen” en tevens dat hij is veroordeeld tot zes jaar cel in verband met de dood van zijn zoontje, maken zijn getuigenverklaring op voornoemde onderdelen niet zonder meer en integraal van onwaarde voor het bewijs.
Het hof zal de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs gebruiken, maar enkel onderdelen van de verklaring van de getuige zoals hij deze heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
Met de verdediging is het hof tot slot van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] op de hiervoor weergegeven gronden met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook voor de waardering van het bewijs zal het hof deze benodigde behoedzaamheid betrachten.”
[…]
Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1]
Het hof stelt achtereenvolgens vast dat het dossier – zoals hiervoor reeds met vindplaatsen aangegeven – ondersteunend bewijsmateriaal biedt voor de volgende onderdelen van de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] die op 12 mei 2019 in [plaats] woonachtig was:
In algemene zin:
[getuige 1] heeft verklaard dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps, meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van [getuige 1] is naar voren gekomen dat hij in avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur.
Opvallend is dat de stappenactiviteit van [getuige 1] die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past naar ’s hofs oordeel in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen.
[…]
Ten aanzien van [medeverdachte 2] :
[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) [medeverdachte 2] . […] [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) […] zat in de auto en heeft ook een deel van de buit gehad, welke buit ook zelf gezien is door [getuige 1] . [medeverdachte 2] deed de kofferbak van de auto open en trok die doos met geld eruit.”
[…]
Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft tot slot verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] . [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) was een van de daders, hij is niet in de woning geweest. [getuige 1] heeft begrepen dat [verdachte] in een van de auto’s zat en dat hij heeft gereden. [verdachte] was erbij als een van de vijf personen toen [medeverdachte 2] de kofferbak van de auto open deed en de doos (met geld) uit de kofferbak van de auto trok in het bijzijn van [getuige 1] . Voorts biedt steun aan de verklaring van [getuige 1] de betrokkenheid van de grijze Volkswagen Polo (met [kenteken] ) op naam van [verdachte] bij het feit, welke auto telkens gelijk in beeld komt met de witte Toyota IQ van het werk van [getuige 2] .
V. (Bedreiging met) geweld
[…]
Bedreiging met geweld - ook door verdachten die niet in de woning zijn geweest
De vraag is of de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest opzet hebben gehad op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning van aangeefster waren. Het hof stelt in dit opzicht vast dat uit het dossier niet blijkt van ‘vol opzet’. Vervolgens dient beoordeeld te worden of sprake was van voorwaardelijk opzet, waarbij de vraag moet worden beantwoord of zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat met geweld gedreigd zou worden. Voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Zoals reeds hiervoor overwogen berust het feit op één tevoren gemaakt, nauwgezet en grondig voorbereid plan. Het hof gaat er daarom van uit dat alle verdachten in elk geval van alle onderdelen van het plan op de hoogte waren, nu niet is gesteld of is gebleken dat dit anders is.
Vooraf was bekend dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de dagopbrengst van Hrieps in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet door de persoon of personen in de woning. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht en ook een oplossing voor gevonden, gelet op de meegenomen stok of knuppel en het binnengaan van de woning met drie gemaskerde daders. Naar het oordeel van het hof was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de grote som geld minst genomen met geweld gedreigd zou worden. Het hof is derhalve van oordeel dat, naast de drie daders die de woning ingegaan zijn, ook de medeverdachten die aanmerkelijke kans hebben aanvaard door de drie daders met de stok of knuppel naar de woning te vervoeren, althans daar in de buurt aanwezig te zijn, en vervolgens met hen in de buit te delen. Zij hebben zich op geen enkele zichtbare manier gedistantieerd van de uitvoering van het plan. Niet is gebleken van enige
contra-indicatie.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest het (voorwaardelijk) opzet hadden op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning zijn geweest.
VI. Medeplegen
Op grond van het vorenoverwogene is het hof, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 4] betrokken zijn geweest bij de diefstal van de dagopbrengst van muziekfestival
Hrieps op 12 mei 2019. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat dit handelen kan worden beschouwd als medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto’s zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder één of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [verdachte] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]
in de vroege ochtend na de diefstal door [medeverdachte 2] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]
inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
[…]
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd. Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] de bestuurder was van zijn grijze Volkswagen Polo welke nauw betrokken was bij het feit. [verdachte] is één van de inzittenden dan wel bestuurder van een van de drie auto’s geweest die bij het plegen van het feit zijn gebruikt. Daarmee heeft [verdachte] een essentiële rol gespeeld bij de voorbereiding en de uitvoering van het plan. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders
cruciaal. In [plaats] was [verdachte] aanwezig bij het tellen en verdelen van de buit.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] van het begin tot het eind bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. Naar het oordeel van het hof duidt dit alles erop dat [verdachte] een essentiële rol heeft gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
[…]
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan, en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps. Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een verklaring van een anonieme getuige (‘15007031’), terwijl het hof met betrekking tot het gebruik van deze verklaring van een persoon wier identiteit niet blijkt niet expliciet heeft vastgesteld dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.
4.2
Zie voor hetgeen het bestreden arrest hierover en voor zover van belang in cassatie inhoudt onder 3.2. onder het kopje:
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”.
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het gelet op de overwegingen van het hof onder het kopje
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”lijkt alsof de verklaring van de anonieme getuige slechts is gebruikt om de leugenachtigheid van de [getuige 1] aan te tonen en het in zoverre niet gaat om een verklaring die bruikbaar is voor het bewijs. Door de stellers van het middel wordt er op gewezen dat er – blijkens de in voetnoten 49 en 50 aangehaalde processen-verbaal – daarnaast ook delen van de verklaring van deze getuige voor het bewijs zijn gebezigd waarin deze persoon verklaart over datgene wat hij kennelijk van [getuige 1] heeft gehoord, bijvoorbeeld over het plan om bij [getuige 1] samen te komen na de overval en dat daar het geld is geteld. Volgens de stellers van het middel is dus wel degelijk sprake van het voor het bewijs bezigen van door een anonieme getuige afgelegde verklaringen, maar ontbreekt in het bestreden arrest de vaststelling dat de bewezenverklaring “in belangrijke mate” steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal. Dat de verklaring van de anonieme getuige de verklaringen van [getuige 1] ondersteunt zou daartoe onvoldoende zijn. Hetzelfde geldt volgens de stellers van het middel voor de omstandigheid dat de verklaring van de anonieme getuige mogelijk steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal, omdat daaruit nog niet volgt dat de verklaring “in belangrijke mate” in andersoortig bewijsmateriaal steun vindt. Een en ander zou temeer klemmen nu de verklaring in feite slechts zou berusten op hetgeen de getuige van [getuige 1] heeft gehoord en de anonieme getuige eerst na het sepot in de zaak van [getuige 1] is gehoord en bepaalde informatie uit het dossier op dat moment al bekend was geraakt. Opgemerkt wordt dat de verdachte – gelet op hetgeen bij het eerste middel wordt aangevoerd – belang heeft bij dit middel. Volgens de stellers van het middel zou niet kunnen worden vastgesteld dat de bewezenverklaring ook zonder deze getuigenverklaring toereikend is gemotiveerd.
4.4
Art. 344a lid 3 Sv luidt:
“Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en
b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen.”
4.5
Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360 lid 1 en lid 4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten expliciteren dat aan de eisen van art. 344a lid 3 Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht. [3]
4.6
Het hof heeft onder
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”vastgesteld dat [getuige 1] een tweetal verklaringen heeft afgelegd: een op 31 oktober 2019 tegenover de politie als verdachte afgelegde verklaring en een tegenover de rechter-commissaris als getuige op 17 december 2020 afgelegde verklaring. Onder het kopje
“Conclusie”heeft het hof overwogen dat de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs zal worden gebruikt, maar enkel onderdelen van de verklaring van [getuige 1] zoals hij deze als getuige heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
4.7
Onder
“Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1] ”heeft het hof vervolgens onderdelen van deze verklaring voor het bewijs vastgesteld die steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij wijst het hof allereerst op de verklaring van [getuige 1] dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps meerdere betrokkenen bij hem
bijde woning zijn geweest. Volgens het hof vindt dit onderdeel van zijn verklaring steun in het aan de telefoon van [getuige 1] verrichte onderzoek, waaruit naar voren is gekomen dat [getuige 1] in de avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur en dat zijn stappenactiviteit die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past volgens het hof in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen. Onder de kopjes
“Ten aanzien van [medeverdachte 2] ”en
“Ten aanzien van [verdachte] ”(verdachte) is de verklaring van [getuige 1] opgenomen dat hij de buit van de overval heeft gezien toen [medeverdachte 2] de kofferbak van de auto open deed en die doos met geld eruit trok respectievelijk dat de verdachte erbij aanwezig was toen [medeverdachte 2] de kofferbak van de auto open deed en de doos (met geld) uit de kofferbak van de auto trok in het bijzijn van [getuige 1] . Daarbij wijst het hof voor eerstgenoemde verklaring van [getuige 1] (over de samenkomst bij zijn woning) op drie die verklaring ondersteunende omstandigheden en het feit dat door [medeverdachte 2] voor zijn aanwezigheid in [plaats] (waar [getuige 1] woonachtig is) een niet nader onderbouwde verklaring is gegeven die zijn betrokkenheid bij het feit bovendien niet uitsluit. Bij de tweede genoemde verklaring van [getuige 1] (over het zien van de buit) wijst het hof op de betrokkenheid bij het feit van de grijze Volkswagen Polo op naam van de verdachte. De verklaring van [getuige 1] dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest vindt zodoende steun in ander bewijsmateriaal.
4.8
Onder het kopje
“Vaststelling kennelijk leugenachtige verklaringen [getuige 1] ”overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris van 17 december 2020 op onderdelen onjuistheden en/of zelfs aparte onwaarheden bevat, nu die onderdelen aantoonbaar in strijd zijn met andere betrouwbare en objectieve bewijsmiddelen. De stelling van [getuige 1] dat hij de betrokkenen van Hrieps eerst in de loop van de ochtend rond 07.00 uur buiten zijn woning heeft gezien met de buit, dat hij verder niets met Hrieps te maken zou hebben gehad en dat hij hooguit een half uurtje na de komst van de jongens gewoon aan het werk was gegaan en om 19 uur ’s avonds pas weer thuis kwam, wordt volgens het hof onderuit gehaald door de (onder 4.7 genoemde) stappenteller in de telefoon van [getuige 1] en de foto die is gemaakt op de dag na Hrieps op 12 mei 2019 om 10.17 uur op de slaapkamer van [getuige 1] waarop de hand van [getuige 1] is te zien met daarin een behoorlijk pak bankbiljetten. Volgens het hof is het evident – ook nog zonder daarbij oog te hebben voor de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] – dat [getuige 1] hiermee klaarblijkelijk in het bijzonder wat betreft de hem (dat wil zeggen: [getuige 1] ) in potentie belastende onderdelen in zijn verklaringen heeft gezwegen en/of gelogen en/of zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. In deze gedachte wordt het hof gesterkt door de verklaring van genoemde anonieme getuige die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [getuige 1] met hem wel degelijk mede in voor [getuige 1] belastende zin heeft gesproken, in die zin dat [getuige 1] over zijn eigen betrokkenheid heeft gesteld dat hij de hele groep bij zijn ouderlijk huis zou ontvangen, dat daar het geld naartoe is gebracht en daar
inhuis het geld is geteld. Gelet op deze verklaring en op basis van genoemde andere bewijsmiddelen (ik begrijp: (waaronder) de stappenteller in de telefoon van [getuige 1] en de foto die is gemaakt op de dag na Hrieps op 12 mei 2019 om 10.17 uur op de slaapkamer van [getuige 1] ) kan volgens het hof worden vastgesteld dat [getuige 1] onder andere over de vooraf gemaakte afspraak met de betrokkenen van Hrieps over het naar zijn ouderlijk huis brengen van de buit en het aldaar in huis tellen en verdelen van het geld van de buit geen openheid van zaken heeft gegeven noch heeft willen geven. Het hof verbindt daaraan de consequentie dat onder meer dit specifieke onderdeel van de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs wordt gepasseerd, omdat [getuige 1] hiermee klaarblijkelijk uitsluitend zichzelf niet (mede) heeft willen belasten. Vervolgens overweegt het hof dat voor hetgeen direct na het feit bij [getuige 1] ’s huis is voorgevallen mede wordt uitgegaan van de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] , omdat diens verklaring over de rol van [getuige 1] wel door andere bewijsmiddelen in het dossier wordt ondersteund, waaronder meergenoemde stappenteller en de foto van [getuige 1] met een stapel geld.
4.9
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het hof de verklaring van de anonieme [getuige 4] – hoewel besproken in het kader van de vaststelling van de kennelijk leugenachtige verklaringen van [getuige 1] – ook voor het bewijs van het
inde woning van [getuige 1] geteld en verdeeld zijn van de buit heeft gebezigd. De aanwezigheid bij het tellen en verdelen van de buit in [plaats] – hetgeen niet uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] blijkt – heeft het hof ook mee laten wegen bij zijn oordeel over het medeplegen. In zoverre hebben de stellers van het middel een punt. Anders dan hen meen ik echter dat het hof door te overwegen dat de verklaring van de anonieme getuige over de rol van [getuige 1] “wel door andere bewijsmiddelen in het dossier [wordt] ondersteund, waaronder meergenoemde stappenteller en de foto van de hand van [getuige 1] met een stapel geld” in voldoende mate heeft aangegeven dat is voldaan aan de eisen van art. 344a lid 3 Sv. Met de verwijzing naar het voor die verklaring ondersteunend bewijs heeft het hof er in mijn ogen dus ook voldoende van blijk heeft gegeven dat de verklaring van de anonieme getuige betrouwbaar is. [4] Daarbij merk ik nog op dat de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat meerdere betrokkenen bij de woning van [getuige 1] zijn geweest net voor de verdeling van de buit, een zekere ondersteuning geven aan de verklaring van de anonieme getuige dat de buit in de woning is geteld en verdeeld. Datzelfde geldt voor de door het hof onder het kopje medeplegen – waar ik hier kortheidshalve naar verwijs – voor drie van de medeverdachten ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ) op basis van hun uitgavenpatroon kort na het feit gedane vaststelling dat zij in de buit hebben gedeeld nu dit impliceert dat de buit is verdeeld.
4.1
Het tweede middel faalt.

5.Het eerste middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.
5.2
Volgens de toelichting op het middel schiet het oordeel van het hof dat de verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval tekort in het licht van hetgeen de verdediging over het bestaan van contra-indicaties heeft aangevoerd, namelijk dat er geen camerabeelden zijn waarop de verdachte zichtbaar is, het signalement van de verdachte niet overeenkomt met het signalement van de daders, er geen belastende tapgesprekken of relevante informatie op de in beslag genomen telefoons is aangetroffen, er geen vingerafdrukken en/of DNA-sporen van de verdachte is/zijn aangetroffen, bij doorzoeking niets bij de verdachte is aangetroffen dat bij betrokkenheid bij het feit zou passen, door de verdachte geen buitensporige uitgaven zijn gedaan, uit de verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat deze telefoon in de avond en nacht van 11 op 12 mei 2019 masten in zijn woonplaats [plaats] heeft aangestraald en er op 11 en 12 mei 2019 geen contact met medeverdachten is geweest. Volgens de stellers van het middel klemt dit temeer nu de verdediging er ook op heeft gewezen dat de rechtbank in eerste aanleg deze contra-indicaties ten onrechte niet heeft meegewogen. Dat het hof weliswaar heeft gemotiveerd dat en waarom de verdachte als medepleger moet worden gezien doet daar niet aan af, nu dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk zou zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de rol van de verdachte door [getuige 1] alleen algemeen wordt omschreven als “betrokken”, dat is vastgesteld dat de verdachte niet de woning is binnen geweest, [getuige 2] helemaal niets over de verdachte heeft verklaard, niet is vastgesteld dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een “overvaltelefoon” of dat zijn auto op de plaats delict is gezien, dat geen DNA van de verdachte op de op de plaats delict aanwezige tassen is aangetroffen en ook niet is vastgesteld dat, en zo ja hoeveel, de verdachte van de buit heeft gekregen. Volgens de stellers van het middel kan op grond van de vaststellingen door het hof dat de [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte “betrokken” was, dat de verdachte in de ochtend van 12 mei 2019 in de woning van [getuige 1] aanwezig was en dat de auto die aan de verdachte toebehoort voor en na het tijdstip waarop de overval is gepleegd is gezien, niet worden geconcludeerd dat de verdachte medepleger is. Als hij als chauffeur zou zijn opgetreden, dan zou zijn rol meer passen bij die van een medeplichtige.
5.3
In de schriftuur wordt ter onderbouwing van de ontoereikendheid van de bewijsmotivering van het medeplegen gewezen op een drietal arresten. In de eerste plaats HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307,
NJ2014/511 m.nt. Mevis. In deze zaak was de verdachte ook veroordeeld wegens het medeplegen van een woninginbraak. Over de bijdrage van de verdachte had het hof vastgesteld dat de verdachte had plaatsgenomen achter het stuur van een auto, de motor draaiende had gehouden en dat hij op het moment dat de medeverdachte in de auto sprong onmiddellijk met hoge snelheid is weggereden. Volgens het hof kon dit gedrag naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als het door de verdachte faciliteren van de vluchtmogelijkheid bij die inbraak en kon het niet anders zijn dan dat hierover van te voren door de verdachte en zijn medeverdachten afspraken zijn gemaakt. Naar het oordeel van het hof was de bijdrage van de verdachte zodanig significant dat deze kon worden aangemerkt als medeplegen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte “een zodanig significante bijdrage” heeft geleverd aan de woninginbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders kon worden gesproken. De enkele vaststelling dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en de daaraan gekoppelde gevolgtrekking dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt waren daartoe onvoldoende.
5.4
In HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637,
NJ2015/391 m.nt. Mevis ging het om een overval op een juwelier. Over het vluchtplan had het hof vastgesteld dat de medeverdachten op de motorfiets zouden vluchten via een niet voor auto’s toegankelijk pad, daar hun motorfiets zouden achterlaten en hun weg zouden vervolgen in de gereedstaande Audi A6 met daarin de verdachte als bestuurder. Ook had het hof vastgesteld dat de verdachte 15 dagen voorafgaand aan de overval betrokken is geweest bij een voorverkenning op de plaats delict. Volgens het hof kon uit de omstandigheid dat de verdachte de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht en zijn betrokkenheid bij de voorverkenning van de plaats delict worden afgeleid dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en degenen die de overval feitelijk hebben uitgevoerd en kon de verdachte als medepleger worden aangemerkt. Volgens de Hoge Raad had het hof zijn oordeel dat niet sprake is van medeplichtigheid maar van medeplegen onvoldoende gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof kennelijk vooral betekenis had toegekend aan de omstandigheid “dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto (de Audi S6) en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij een voorverkenning van de plaats delict op 15 juni 2011”.
5.5
Ook wordt nog gewezen op HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:929,
NJ2015/394 m.nt. Mevis. In deze zaak ging het om een gijzeling. Over de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling had het hof vastgesteld dat de verdachte op verzoek van een medeverdachte tegen betaling een tweetal bij de gijzeling betrokken auto’s had gekocht respectievelijk gehuurd en dat hij daarnaast nog een bedrag van € 10.000,- zou krijgen. Hoewel niet was gebleken dat de verdachte zelf uitvoeringshandelingen van de ontvoering had verricht was volgens het hof wel sprake van het leveren van een wezenlijke bijdrage door de benodigde voertuigen te regelen in ruil voor een deel van de opbrengst. Ook woog het hof mee dat de verdachte zich op geen enkel moment had gedistantieerd van de gedragingen van zijn mededaders (die een week voortduurden). De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering onder meer niet kon worden afgeleid dat de verdachte aan het bewezenverklaarde wederrechtelijk van de vrijheid beroofd “houden” van het slachtoffer een zodanige intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten kan worden gesproken. Als onvoldoende daarvoor gold dat de verdachte – die geen uitvoeringshandelingen van de ontvoering had verricht – de voertuigen waarmee de “beroving” van de vrijheid werd gefaciliteerd had geregeld in ruil voor een deel van de opbrengst en dat hij zich op geen enkel moment van de gedragingen van de medeverdachten had gedistantieerd.
5.6
Allereerst merk ik op dat de verdediging zich in hoger beroep niet op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte in verband met de overval (enkel) als bestuurder is opgetreden en dat de verdediging ook geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de stelling dat de verdachte slechts een dergelijke op medeplichtigheid duidende rol zou hebben vervuld ondersteunen. Daarentegen heeft de verdediging juist het standpunt ingenomen dat bewijs ontbreekt dat de verdachte de bestuurder was van de Volkswagen Polo.
5.7
Uit de onder 3.2 weergegeven bewijsvoering blijkt dat er drie auto’s bij het feit betrokken waren: een witte Toyota IQ van [A] , de grijze Volkswagen Polo van de verdachte en een lichtgrijze auto. Laatstgenoemde auto was de auto die met draaiende motor voor Keijzerstraat 10 (de woning van [aangeefster] ) stond geparkeerd en waarin [getuige 3] – na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon – drie mannen zag stappen en waarin op dat moment al een bestuurder zat. Deze auto reed nadat de drie mannen waren ingestapt met spinnende banden weg. Het hof heeft niet met voldoende mate van zekerheid vast kunnen stellen dat deze bewuste grijze auto dezelfde is als de grijze Volkswagen Polo van de verdachte en ook niet dat deze auto dus (ook) de Volkswagen Polo van [verdachte] was of moet zijn geweest. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de bestuurder was van zijn grijze Volkswagen Polo en dat deze auto op 11 mei 2019 om 20.44 en 20.45 uur in [plaats] op korte afstand achter een witte Toyota IQ van [A] rijdt. Op 12 mei 2019 om 03.00 uur rijdt deze auto wederom in [plaats] op korte afstand van een witte Toyota IQ, waarvan het bedrijfslogo op dat moment is afgeplakt. Na de diefstal uit de woning van [aangeefster] zijn om 03.17 en 03.19 uur in een straat die ligt op de route vanaf de plaats delict naar een doorgaande weg in [plaats] wederom een Toyota IQ met bedrijfslogo en een grijze auto die sterke gelijkenissen heeft met een Volkswagen Polo te zien, rijdend in de richting van [plaats] . Het hof is er gelet op voornoemde gang van zaken met betrekking tot beide auto’s vanuit gegaan dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf (naast de drie daders die in de woning van [aangeefster] zijn geweest,
PHvK) bij de diefstal uit de woning betrokken daders en ook dat deze personen – onder wie dus de verdachte – bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest alwaar de buit van de overval is geteld en verdeeld (zie over dit laatste de bespreking van het tweede middel). Volgens de verklaring van [getuige 1] lag in de kofferbak van de kleine witte auto met de stickers een doos vol geld.
5.8
Onder het kopje
“VI. Medeplegen”heeft het hof op basis van de onder 5.7 weergegeven vaststellingen overwogen dat de verdachte met zijn auto naar (de buurt van) de woning van de aangeefster in [plaats] is gereden, dat zijn auto op de avond voorafgaand aan het feit (11 mei 2019) kennelijk bij een voorverkenning is gebruikt en dat deze auto (met de verdachte als bestuurder) is gebruikt om te vluchten. Ook heeft het hof vastgesteld dat meerdere personen – waaronder de verdachte en één of meer daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen – vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] zijn gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen.
5.9
Anders dan in de onder 5.3 t/m 5.5 genoemde arresten heeft het hof in het onderhavige geval vastgesteld dat de verdachte van het begin tot het eind bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. [5] Dat het hof (onder meer) op grond van de onder 5.7 en 5.8 weergegeven feiten en omstandigheden heeft geconcludeerd dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat de verdachte een essentiële rol heeft gespeeld bij voorbereiding en de uitvoering van het plan en dat hij ook aanwezig was bij de verdeling van de buit is niet onbegrijpelijk. Dat niet is gebleken dat de verdachte heeft gedeeld in de buit doet aan het voorgaande niet af. Het bewezenverklaarde medeplegen kan uit de door het hof gebezigde bewijsvoering worden afgeleid.
5.1
Ook het eerste middel faalt.

6.Het derde middel

6.1
Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
6.2
Namens de verdachte is op 26 april 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan twee maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

7.Afronding

7.1
Het eerste middel en het tweede middel falen. Beide middelen kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het derde middel slaagt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verder is er in aanvulling op de in het bestreden arrest vermelde voetnoten nog een bijlage met twee bewijsmiddelen, inhoudende een tweetal door [aangeefster] namens Stichting Hrieps op 12 mei 2019 en 21 november 2019 afgelegde verklaringen. Zie over de toelaatbaarheid van deze werkwijze HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862.
2.Voetnoot 49 verwijst naar “Verhoor getuige onder [getuige 4] afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris op 23 januari 2024” en voetnoot 50 naar “Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] bij de raadsheer-commissaris op 23 januari 2024, randnummer 10”.
3.HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244, r.o. 2.3. Vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460,
4.Vgl. voor een geval waarin door het hof verzuimd was het gebruik van de anoniem gebleven getuige te motiveren, maar waarin de klacht wegens gebrek aan belang niet tot cassatie behoefde te leiden HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244, r.o. 2.4.
5.Zie in dit verband HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,