Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [aangeefster] in te gooien en vervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen – gekleed in het zwart/donker en met bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en met een stok/knuppel in de handen en vervolgens aan die [aangeefster] dreigend te vragen waar het geld lag.”
I. Algemene overwegingen.
dezebewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [verdachte] wordt toegeschreven en ook niet dat
dezeauto dus (ook) de Volkswagen Polo van [verdachte] was of moet zijn geweest.
hemin potentie belastende onderdelen in zijn verklaringen heeft gezwegen en/of gelogen en/of zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Het hof wordt hierin bovendien nog gesterkt door de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] . Deze anonieme getuige heeft tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat [getuige 1] met hem wel degelijk mede in voor [getuige 1] belastende zin heeft gesproken. [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) heeft over zijn eigen betrokkenheid tegenover deze anonieme getuige gesteld dat zijn, [getuige 1] ’s, onderdeel van het hele plan was het ontvangen van de hele groep bij zijn ouderlijk huis. Daar is het geld naartoe gebracht, en daar is in huis het geld volgens [getuige 1] geteld.49 Het hof stelt op basis hiervan en op basis van genoemde andere bewijsmiddelen vast dat [getuige 1] geen openheid van zaken heeft gegeven noch heeft willen geven over de precieze inhoud van het appje dat hij voorafgaande aan het tenlastegelegde feit heeft ontvangen (met naar eigen zeggen slechts de algemene inhoud “dat er iets zou gaan gebeuren”), de vooraf gemaakte afspraak met de betrokkenen van Hrieps over het naar zijn ouderlijk huis brengen van de buit en het aldaar in huis tellen en verdelen van het geld van de buit50, en tot slot ook heeft gelogen over het feit dat hij, [getuige 1] , desgevraagd heeft ontkend dat ook hij die ochtend – voor zijn eigen aandeel
4.Het tweede middel
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”.
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”lijkt alsof de verklaring van de anonieme getuige slechts is gebruikt om de leugenachtigheid van de [getuige 1] aan te tonen en het in zoverre niet gaat om een verklaring die bruikbaar is voor het bewijs. Door de stellers van het middel wordt er op gewezen dat er – blijkens de in voetnoten 49 en 50 aangehaalde processen-verbaal – daarnaast ook delen van de verklaring van deze getuige voor het bewijs zijn gebezigd waarin deze persoon verklaart over datgene wat hij kennelijk van [getuige 1] heeft gehoord, bijvoorbeeld over het plan om bij [getuige 1] samen te komen na de overval en dat daar het geld is geteld. Volgens de stellers van het middel is dus wel degelijk sprake van het voor het bewijs bezigen van door een anonieme getuige afgelegde verklaringen, maar ontbreekt in het bestreden arrest de vaststelling dat de bewezenverklaring “in belangrijke mate” steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal. Dat de verklaring van de anonieme getuige de verklaringen van [getuige 1] ondersteunt zou daartoe onvoldoende zijn. Hetzelfde geldt volgens de stellers van het middel voor de omstandigheid dat de verklaring van de anonieme getuige mogelijk steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal, omdat daaruit nog niet volgt dat de verklaring “in belangrijke mate” in andersoortig bewijsmateriaal steun vindt. Een en ander zou temeer klemmen nu de verklaring in feite slechts zou berusten op hetgeen de getuige van [getuige 1] heeft gehoord en de anonieme getuige eerst na het sepot in de zaak van [getuige 1] is gehoord en bepaalde informatie uit het dossier op dat moment al bekend was geraakt. Opgemerkt wordt dat de verdachte – gelet op hetgeen bij het eerste middel wordt aangevoerd – belang heeft bij dit middel. Volgens de stellers van het middel zou niet kunnen worden vastgesteld dat de bewezenverklaring ook zonder deze getuigenverklaring toereikend is gemotiveerd.
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ”vastgesteld dat [getuige 1] een tweetal verklaringen heeft afgelegd: een op 31 oktober 2019 tegenover de politie als verdachte afgelegde verklaring en een tegenover de rechter-commissaris als getuige op 17 december 2020 afgelegde verklaring. Onder het kopje
“Conclusie”heeft het hof overwogen dat de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs zal worden gebruikt, maar enkel onderdelen van de verklaring van [getuige 1] zoals hij deze als getuige heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
“Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1] ”heeft het hof vervolgens onderdelen van deze verklaring voor het bewijs vastgesteld die steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij wijst het hof allereerst op de verklaring van [getuige 1] dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps meerdere betrokkenen bij hem
bijde woning zijn geweest. Volgens het hof vindt dit onderdeel van zijn verklaring steun in het aan de telefoon van [getuige 1] verrichte onderzoek, waaruit naar voren is gekomen dat [getuige 1] in de avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur en dat zijn stappenactiviteit die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past volgens het hof in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen. Onder de kopjes
“Ten aanzien van [medeverdachte 2] ”en
“Ten aanzien van [verdachte] ”(verdachte) is de verklaring van [getuige 1] opgenomen dat hij de buit van de overval heeft gezien toen [medeverdachte 2] de kofferbak van de auto open deed en die doos met geld eruit trok respectievelijk dat de verdachte erbij aanwezig was toen [medeverdachte 2] de kofferbak van de auto open deed en de doos (met geld) uit de kofferbak van de auto trok in het bijzijn van [getuige 1] . Daarbij wijst het hof voor eerstgenoemde verklaring van [getuige 1] (over de samenkomst bij zijn woning) op drie die verklaring ondersteunende omstandigheden en het feit dat door [medeverdachte 2] voor zijn aanwezigheid in [plaats] (waar [getuige 1] woonachtig is) een niet nader onderbouwde verklaring is gegeven die zijn betrokkenheid bij het feit bovendien niet uitsluit. Bij de tweede genoemde verklaring van [getuige 1] (over het zien van de buit) wijst het hof op de betrokkenheid bij het feit van de grijze Volkswagen Polo op naam van de verdachte. De verklaring van [getuige 1] dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest vindt zodoende steun in ander bewijsmateriaal.
“Vaststelling kennelijk leugenachtige verklaringen [getuige 1] ”overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris van 17 december 2020 op onderdelen onjuistheden en/of zelfs aparte onwaarheden bevat, nu die onderdelen aantoonbaar in strijd zijn met andere betrouwbare en objectieve bewijsmiddelen. De stelling van [getuige 1] dat hij de betrokkenen van Hrieps eerst in de loop van de ochtend rond 07.00 uur buiten zijn woning heeft gezien met de buit, dat hij verder niets met Hrieps te maken zou hebben gehad en dat hij hooguit een half uurtje na de komst van de jongens gewoon aan het werk was gegaan en om 19 uur ’s avonds pas weer thuis kwam, wordt volgens het hof onderuit gehaald door de (onder 4.7 genoemde) stappenteller in de telefoon van [getuige 1] en de foto die is gemaakt op de dag na Hrieps op 12 mei 2019 om 10.17 uur op de slaapkamer van [getuige 1] waarop de hand van [getuige 1] is te zien met daarin een behoorlijk pak bankbiljetten. Volgens het hof is het evident – ook nog zonder daarbij oog te hebben voor de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] – dat [getuige 1] hiermee klaarblijkelijk in het bijzonder wat betreft de hem (dat wil zeggen: [getuige 1] ) in potentie belastende onderdelen in zijn verklaringen heeft gezwegen en/of gelogen en/of zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. In deze gedachte wordt het hof gesterkt door de verklaring van genoemde anonieme getuige die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [getuige 1] met hem wel degelijk mede in voor [getuige 1] belastende zin heeft gesproken, in die zin dat [getuige 1] over zijn eigen betrokkenheid heeft gesteld dat hij de hele groep bij zijn ouderlijk huis zou ontvangen, dat daar het geld naartoe is gebracht en daar
inhuis het geld is geteld. Gelet op deze verklaring en op basis van genoemde andere bewijsmiddelen (ik begrijp: (waaronder) de stappenteller in de telefoon van [getuige 1] en de foto die is gemaakt op de dag na Hrieps op 12 mei 2019 om 10.17 uur op de slaapkamer van [getuige 1] ) kan volgens het hof worden vastgesteld dat [getuige 1] onder andere over de vooraf gemaakte afspraak met de betrokkenen van Hrieps over het naar zijn ouderlijk huis brengen van de buit en het aldaar in huis tellen en verdelen van het geld van de buit geen openheid van zaken heeft gegeven noch heeft willen geven. Het hof verbindt daaraan de consequentie dat onder meer dit specifieke onderdeel van de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs wordt gepasseerd, omdat [getuige 1] hiermee klaarblijkelijk uitsluitend zichzelf niet (mede) heeft willen belasten. Vervolgens overweegt het hof dat voor hetgeen direct na het feit bij [getuige 1] ’s huis is voorgevallen mede wordt uitgegaan van de verklaring van de anonieme getuige onder [getuige 4] , omdat diens verklaring over de rol van [getuige 1] wel door andere bewijsmiddelen in het dossier wordt ondersteund, waaronder meergenoemde stappenteller en de foto van [getuige 1] met een stapel geld.
inde woning van [getuige 1] geteld en verdeeld zijn van de buit heeft gebezigd. De aanwezigheid bij het tellen en verdelen van de buit in [plaats] – hetgeen niet uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] blijkt – heeft het hof ook mee laten wegen bij zijn oordeel over het medeplegen. In zoverre hebben de stellers van het middel een punt. Anders dan hen meen ik echter dat het hof door te overwegen dat de verklaring van de anonieme getuige over de rol van [getuige 1] “wel door andere bewijsmiddelen in het dossier [wordt] ondersteund, waaronder meergenoemde stappenteller en de foto van de hand van [getuige 1] met een stapel geld” in voldoende mate heeft aangegeven dat is voldaan aan de eisen van art. 344a lid 3 Sv. Met de verwijzing naar het voor die verklaring ondersteunend bewijs heeft het hof er in mijn ogen dus ook voldoende van blijk heeft gegeven dat de verklaring van de anonieme getuige betrouwbaar is. [4] Daarbij merk ik nog op dat de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat meerdere betrokkenen bij de woning van [getuige 1] zijn geweest net voor de verdeling van de buit, een zekere ondersteuning geven aan de verklaring van de anonieme getuige dat de buit in de woning is geteld en verdeeld. Datzelfde geldt voor de door het hof onder het kopje medeplegen – waar ik hier kortheidshalve naar verwijs – voor drie van de medeverdachten ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ) op basis van hun uitgavenpatroon kort na het feit gedane vaststelling dat zij in de buit hebben gedeeld nu dit impliceert dat de buit is verdeeld.
5.Het eerste middel
NJ2014/511 m.nt. Mevis. In deze zaak was de verdachte ook veroordeeld wegens het medeplegen van een woninginbraak. Over de bijdrage van de verdachte had het hof vastgesteld dat de verdachte had plaatsgenomen achter het stuur van een auto, de motor draaiende had gehouden en dat hij op het moment dat de medeverdachte in de auto sprong onmiddellijk met hoge snelheid is weggereden. Volgens het hof kon dit gedrag naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als het door de verdachte faciliteren van de vluchtmogelijkheid bij die inbraak en kon het niet anders zijn dan dat hierover van te voren door de verdachte en zijn medeverdachten afspraken zijn gemaakt. Naar het oordeel van het hof was de bijdrage van de verdachte zodanig significant dat deze kon worden aangemerkt als medeplegen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte “een zodanig significante bijdrage” heeft geleverd aan de woninginbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders kon worden gesproken. De enkele vaststelling dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en de daaraan gekoppelde gevolgtrekking dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt waren daartoe onvoldoende.
NJ2015/391 m.nt. Mevis ging het om een overval op een juwelier. Over het vluchtplan had het hof vastgesteld dat de medeverdachten op de motorfiets zouden vluchten via een niet voor auto’s toegankelijk pad, daar hun motorfiets zouden achterlaten en hun weg zouden vervolgen in de gereedstaande Audi A6 met daarin de verdachte als bestuurder. Ook had het hof vastgesteld dat de verdachte 15 dagen voorafgaand aan de overval betrokken is geweest bij een voorverkenning op de plaats delict. Volgens het hof kon uit de omstandigheid dat de verdachte de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht en zijn betrokkenheid bij de voorverkenning van de plaats delict worden afgeleid dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en degenen die de overval feitelijk hebben uitgevoerd en kon de verdachte als medepleger worden aangemerkt. Volgens de Hoge Raad had het hof zijn oordeel dat niet sprake is van medeplichtigheid maar van medeplegen onvoldoende gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof kennelijk vooral betekenis had toegekend aan de omstandigheid “dat de verdachte niet alleen de bestuurder is geweest van de beoogde vluchtauto (de Audi S6) en ter plaatse de medeverdachten heeft opgewacht, maar ook betrokken is geweest bij een voorverkenning van de plaats delict op 15 juni 2011”.
NJ2015/394 m.nt. Mevis. In deze zaak ging het om een gijzeling. Over de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling had het hof vastgesteld dat de verdachte op verzoek van een medeverdachte tegen betaling een tweetal bij de gijzeling betrokken auto’s had gekocht respectievelijk gehuurd en dat hij daarnaast nog een bedrag van € 10.000,- zou krijgen. Hoewel niet was gebleken dat de verdachte zelf uitvoeringshandelingen van de ontvoering had verricht was volgens het hof wel sprake van het leveren van een wezenlijke bijdrage door de benodigde voertuigen te regelen in ruil voor een deel van de opbrengst. Ook woog het hof mee dat de verdachte zich op geen enkel moment had gedistantieerd van de gedragingen van zijn mededaders (die een week voortduurden). De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering onder meer niet kon worden afgeleid dat de verdachte aan het bewezenverklaarde wederrechtelijk van de vrijheid beroofd “houden” van het slachtoffer een zodanige intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten kan worden gesproken. Als onvoldoende daarvoor gold dat de verdachte – die geen uitvoeringshandelingen van de ontvoering had verricht – de voertuigen waarmee de “beroving” van de vrijheid werd gefaciliteerd had geregeld in ruil voor een deel van de opbrengst en dat hij zich op geen enkel moment van de gedragingen van de medeverdachten had gedistantieerd.
PHvK) bij de diefstal uit de woning betrokken daders en ook dat deze personen – onder wie dus de verdachte – bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest alwaar de buit van de overval is geteld en verdeeld (zie over dit laatste de bespreking van het tweede middel). Volgens de verklaring van [getuige 1] lag in de kofferbak van de kleine witte auto met de stickers een doos vol geld.
“VI. Medeplegen”heeft het hof op basis van de onder 5.7 weergegeven vaststellingen overwogen dat de verdachte met zijn auto naar (de buurt van) de woning van de aangeefster in [plaats] is gereden, dat zijn auto op de avond voorafgaand aan het feit (11 mei 2019) kennelijk bij een voorverkenning is gebruikt en dat deze auto (met de verdachte als bestuurder) is gebruikt om te vluchten. Ook heeft het hof vastgesteld dat meerdere personen – waaronder de verdachte en één of meer daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen – vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] zijn gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen.