Conclusie
[werknemer]respectievelijk
MaasWonen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
cao) van toepassing.
3.Procesverloop
d-grond) en omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder g, BW (hierna: de
g-grond). Verder heeft MaasWonen de kantonrechter verzocht te bepalen – primair – dat [werknemer] geen recht heeft op een transitievergoeding en – subsidiair – dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van ten hoogste € 16.570,25 bruto, uitgaande van een fictieve einddatum van 1 mei 2024.
hof). In appèl beroept MaasWonen zich naast de d- en de g-grond ook op de i-grond. Zij stelt subsidiair dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen op de i-grond omdat van haar wegens een combinatie van omstandigheden genoemd in de d- en g-grond in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
beschikking) heeft het hof beide beschikkingen van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 juni 2025, met toekenning aan [werknemer] van een transitievergoeding. Daarnaast heeft het hof op de voet van art. 7:671b lid 8 BW een ‘cumulatievergoeding’ toegekend die de helft van de transitievergoeding bedraagt.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat overwegend rechtsklachten gericht op het oordeel over de i-grond.
Onderdeel 2klaagt dat geen aandacht is besteed aan essentiële stellingen.
Onderdeel 3ziet op het passeren van het bewijsaanbod.
rov. 5.21 en 5.22van de beschikking. Deze overwegingen luiden, in hun context, als volgt (onderstrepingen in dit citaat en in volgende citaten toegevoegd door mij, A-G):
Disfunctioneren (de d-grond)
voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van disfunctioneren van [werknemer] .
niet kan worden vastgesteld dat MaasWonen [werknemer] in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren waardoor van een voldragen d-grond geen sprake is.
voldoende onderbouwd dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.
niet kan worden vastgesteld dat [werknemer] voldoende in gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren, is van een voldragen g-grond geen sprake.Ook verder is het hof van oordeel dat MaasWonen onvoldoende heeft aangevoerd om een beroep op de g-grond te kunnen honoreren.
De combinatie van deze omstandigheden (die worden bedoeld in de onderdelen d en g van artikel 7:669 lid 3 BW Pro), brengt mee dat van MaasWonen in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.”
subonderdeel 1.1klaagt [werknemer] dat het hof in rov. 5.22 miskent dat uit de wetsgeschiedenis van de cumulatiegrond blijkt dat als een werkgever zich daarop beroept, hij dat beroep
preciesmoet onderbouwen met feiten en omstandigheden afkomstig uit twee of meer andere gestelde, maar niet voldragen ontslaggronden. [3] Verder miskent het hof dat de stelplicht van die feiten en omstandigheden op de werkgever rust. Ten slotte onderkent het hof niet dat de stellingen van MaasWonen de vereiste precisie ontberen, waardoor het gegeven oordeel ook onvoldoende inzichtelijk is, aldus het onderdeel.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het risico ziet dat de cumulatiegrond juist als een meer open grond gaat gelden, met het risico dat werkgevers verschillende slecht onderbouwde gronden bij elkaar zullen «verzamelen».
Voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond dient de werkgever immers precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden c tot en met h tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.De rechter beoordeelt of sprake is van een redelijke grond en zal, wanneer daarvan geen sprake is, niet overgaan tot ontbinding. Voor een gerechtvaardigd beroep op de cumulatiegrond is dan ook vereist dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Enkele slecht onderbouwde gronden die bij elkaar zijn gesprokkeld om op eenvoudige
Profotouiteengezet heb, houd ik die opvatting voor onjuist. [6] Dat heb ik daar als volgt toegelicht:
Kamerstukken II2018/19, 35 074, nr. 3, p. 54] (mijn onderstreping, ook in de daarop volgende citaten):
Het stelsel van gesloten ontslaggronden, dat is ingevoerd teneinde juridisering van ontslag tegen te gaan en werkgever en werknemer zoveel mogelijk rechtszekerheid vooraf te bieden, blijft daarmee intact.De werkgever kan om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken op een van de ontslaggronden c tot en met h en subsidiair, voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat deze gronden onvoldragen zijn of onvoldoende onderbouwd, op grond van de cumulatiegrond. De werkgever kan ook de cumulatiegrond primair ten grondslag leggen aan het ontbindingsverzoek, waarbij dan wel omstandigheden uit twee of meer gronden (c-h) moeten worden aangevoerd. Voor de werknemer kan daar wel een hogere gemaximeerde, door de rechter te bepalen, vergoeding naast de transitievergoeding tegenover staan, hetgeen in de volgende paragraaf nader wordt toegelicht.”
Ook volgt hieruit niet dat de werkgever die zich subsidiair of (zoals in het voorliggende geval) meer subsidiair op de i-grond beroept, hij niet aan zijn stelplicht ter zake zou kunnen voldoen door te verwijzen naar omstandigheden die in het kader van andere ontslaggronden zijn aangevoerd.
Kamerstukken II2018/19 35 074, nr. 9, p. 60], leidt niet tot een ander oordeel. Dat de werkgever het ontbindingsverzoek moet motiveren, moet beschikken over een deugdelijk dossier en moet onderbouwen waarom de door hem aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontslag opleveren, wijst er niet op [dat] voor de i-grond een zwaardere stelplicht zou gelden dan voor de overige redelijke gronden genoemd in art. 7:669 lid 3 BW Pro.”
Nieuwe c.q. gewijzigde ontslaggrond: de cumulatiegrond
de grondslag van het disfunctionerenzijn besproken en daarom niet (ook) kunnen dienen ter onderbouwing van
de grondslag van de verstoorde arbeidsrelatie.De feiten zoals aangevoerd leiden echter tot de situatie die onder beide ontslaggronden is te ‘vangen’. Door een beroep te doen op de cumulatiegrond hoopt werkgever dat Uw Gerechtshof de samenhang voldoende zwaarwegend acht om tot een einddatum van het dienstverband te komen.
de combinatie van omstandigheden aan te merken als situatie waarin niet in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd dat deze de arbeidsovereenkomst nog langer voortzet.Naar de mening van werkgever is sprake van een situatie waarin een beëindiging van de arbeidsovereenkomst is gerechtvaardigd.”
onderdelen ervanin samenhang bezien (toch) moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [11] Mijns inziens blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat het bij de i-grond erom gaat dat de rechter beoordeelt of het
geheel aan omstandighedeneen redelijke grond vormt. Ik citeer uit het Nader verslag: [12]
maar waarbij het gezien het geheel van de omstandighedenredelijk wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Met de introductie van de cumulatiegrond wordt geregeld dat bij een cumulatie van ontslaggronden ontslag mogelijk wordt als daartoe
op grond van het geheel van omstandighedeneen redelijke grond bestaat. Er wordt echter niet gebroken met het huidige gesloten stelsel van ontslaggronden. […]”
nietwordt bestreden. Uit dat oordeel blijkt wat het hof voor het beroep van MaasWonen op de i-grond uit de gedingstukken heeft gedestilleerd. Ik citeer die overweging:
stelt subsidiair dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen op grond van een combinatie van omstandigheden genoemd in de d- en g-grond, omdat van MaasWonen in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens MaasWonen is er sprake geweest van een behoorlijk verbetertraject, evaluaties en disfunctioneren van [werknemer] en is de arbeidsverhouding tussen partijen, en die tussen [werknemer] en zijn collega’s en leidinggevenden, onherstelbaar verstoord.Herplaatsing van [werknemer] in een andere functie ligt niet in de rede en is ook feitelijk niet mogelijk gebleken. MaasWonen heeft [werknemer] een alternatieve functie aangeboden die hij heeft afgewezen, aldus MaasWonen.”
subonderdeel 1.2klaagt [werknemer] dat het hof miskent dat het niet aan de rechter is feiten en omstandigheden uit gedingstukken te destilleren om een in algemene bewoordingen gedaan beroep op de cumulatiegrond te onderbouwen. Het hof heeft niet vastgesteld of MaasWonen aan haar stelplicht heeft voldaan. Het heeft zelf de relevante feiten en omstandigheden aan het verzoek ten grondslag gelegd.
Wanneer de rechter van oordeel is dat een of meer van de ontslaggronden, waarop de cumulatie van omstandigheden is gebaseerd, bijna voldragen is, dan zou dit een aanleiding kunnen zijn een lage extra vergoeding toe te kennen. Als sprake is van een cumulatie van ontslaggronden die ieder voor zich in een veel mindere mate voldragen zijn, kan de rechter dit als aanleiding zien om een hogere extra vergoeding toe te kennen.[…].”
Bewijsaanbod
tegenbewijsbetreft. Anders dan het oordeel van het hof impliceert, geldt daarvoor geen specificatie-eis, aldus het subonderdeel.
relevantievan het aangeboden bewijs. De te bewijzen aangeboden feiten kunnen volgens het hof niet tot beslissing van de zaak leiden. [26] Ook het bewijsaanbod van een partij die tegenbewijs wil leveren, moet ter zake dienend zijn en dus betrekking hebben op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden dan uit de reeds voorhanden bewijsmiddelen valt af te leiden. [27]
waaromdat zo is. [30] Toch kan dit betoog niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof is namelijk juist, zodat een verwijzingshof na vernietiging van de bestreden beschikking in het licht van dit bewijsaanbod niet tot een andere uitkomst kan komen. [31]
voorafgaandaan de periode waar het verzoek van MaasWonen en de beslissing van het hof over het functioneren van [werknemer] betrekking op hebben. [betrokkene 2] was ruim voor die periode, van de indiensttreding van [werknemer] in april 2018 tot aan begin 2019, de leidinggevende van [werknemer] . [33] Hij is toen vervangen door [betrokkene 1] .
nietheeft gebaseerd op de aanname dat [werknemer] vrouwonvriendelijk zou hebben gehandeld. Ook als het in rov. 5.20 vermelde element ‘gebrek aan (gepaste) communicatie’ vrouwonvriendelijke communicatie zou omvatten, geldt ook dan dat het bewijsaanbod kon worden gepasseerd op de grond dat [werknemer] dit element onvoldoende heeft betwist.
voorafgaandaan de periode vanaf begin 2022 waarop het verzoek van MaasWonen en de beslissing van het hof betrekking hebben.
subonderdeel 3.3mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het hof ervan uitgaat dat tegenbewijs in het kader van een beroep op de i-grond niet mogelijk is.
subonderdeel 3.4mist eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft op basis van de te bewijzen aangeboden feiten geoordeeld – en kunnen oordelen – dat het aanbod niet ter zake dienend is (zie de bespreking van subonderdeel 3.2). Dit betekent niet dat het hof in strijd met het zogenoemde prognoseverbod vooruit is gelopen op de inhoud van de bewijslevering en dus op het verwachte resultaat van een eventueel getuigenverhoor. Het betekent wel dat het bewijsaanbod niet voldoet aan de eisen van art. 166 lid 1 Rv Pro.