Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Doel
‘ieder voor zich in privé, en als maten van de maatschap ter uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals tussen hen beslaat en welke maatschap is gevestigd te [postcode] [plaats] , [a-straat 1a] ’.
In aanmerking nemende:
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
De beoordeling van het hoger beroep
Haviltex-maatstaf, zodat niet de grammaticale uitleg bepalend is, maar wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden en wat partijen redelijkerwijs hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. Daarbij is volgens het subonderdeel onder meer van belang de hoge leeftijd van moeder en haar met een verklaring van een van de zussen onderbouwde geestesgesteldheid, alsmede hoe partijen aan die overeenkomst invulling hebben gegeven.
Haviltex-maatstaf heeft miskend omdat het is uitgegaan van grammaticale uitleg, faalt het. Het hof baseert zijn oordeel in rechtsoverweging 6 immers, behalve op de akte beëindiging maatschap, ook op het gedrag van moeder en [zoon 1] . Reeds daaruit volgt dat het hof niet is uitgegaan van grammaticale uitleg van de overeenkomst. Intussen staat niets eraan in de weg dat bij toepassing van de
Haviltex-maatstaf bij gebreke van overtuigende argumenten voor een andere uitleg veel gewicht wordt toegekend aan de meest voor de hand liggende betekenis van de in een overeenkomst gekozen bewoordingen (wat echter nog niet
grammaticaleuitleg is). [10] Het subonderdeel verwijst naar twee omstandigheden die bij de uitleg van belang zouden zijn. Wat betreft de eerste omstandigheid – de geestelijke gesteldheid van moeder – verwijst het subonderdeel naar de conclusie van antwoord, onder 22 waar te lezen valt:
rekening houdend met de aanwezige meerwaardeen artikel 2 lid 2 van Pro deze overeenkomst zegt dat [zoon 1] zich verplicht aan moeder uit te keren de waarde van het kapitaal van moeder
en het eventuele aandeel in de meerwaarde. De verplichting van [zoon 1] ten opzichte van moeder bestaat volgens de bewoordingen van de overeenkomst dus uit twee componenten: ten eerste de stand van de kapitaalrekening van moeder, en ten tweede het aandeel van moeder in de meerwaarde. De kennelijke uitleg van het hof komt erop neer dat de verplichting van [zoon 1] alleen uit de eerste component bestaat. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de tweede component – het aandeel van moeder in de meerwaarde – geen rol meer speelt. Het hof motiveert zijn oordeel in rechtsoverwegingen 6 en 20 slechts met ‘het gedrag van erflaatster en [zoon 1] ’ en de inhoud van de overeenkomst van einde maatschap. Ik begrijp het zo dat het hof met ‘het gedrag van erflaatster’ doelt op het feit dat moeder afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken die zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden dan wel haar uittreden uit de maatschap. Het hof vermeldt geen andere (relevante) gedragingen van moeder. Niet valt in te zien hoe het feit dat moeder uit de maatschap is getreden en afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken op het vermogen van de maatschap, kan bijdragen aan het oordeel dat het eventuele aandeel in de meerwaarde geen rol meer speelt bij de vaststelling van de aanspraak van moeder op [zoon 1] . Ook de tekst van de overeenkomst van einde maatschap kan aan dat oordeel niet bijdragen, omdat daarin juist uitdrukkelijk het aandeel van moeder in de eventuele meerwaarde wordt genoemd als component van de verplichting van [zoon 1] jegens moeder.
subonderdelen III.4-III.5behoeven geen behandeling. Naar aanleiding van die subonderdelen merk ik wel nog op dat het hof in rechtsoverweging 21 overweegt dat hetgeen [zoons 2 en 3] hebben gesteld met betrekking tot de activa van de maatschap niet relevant is. In deze rechtsoverweging maakt het hof niet duidelijk welke stellingen over de activa van de maatschap volgens het hof niet van belang kunnen zijn. Het is mijns inziens echter niet uitgesloten dat stellingen van [zoons 2 en 3] over de activa van de maatschap van belang kunnen zijn bij de vaststelling of schatting van het ‘maatschapsaandeel’ van moeder, bestaande uit de stand van de kapitaalrekening en/of haar aandeel in de eventuele meerwaarde (al dan niet te berekenen aan de hand van de voortzettingswaarde, zie artikel 2 lid 2 van Pro de overeenkomst). Hetzelfde geldt ten aanzien van rechtsoverweging 40, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de waarde van de goederen die tot het voormalige maatschapsvermogen behoorden niet relevant is voor de omvang/samenstelling van de nalatenschap van moeder.
Grief 4 Rente over de vordering van erflaatster op [zoon 1] inzake de voormalige maatschap?
nagenoegniet meer mogelijk is om vast te stellen wat de stand van de kapitaalrekening was van moeder op het moment van haar uittreden uit de maatschap, maar daarmee is niet gezegd dat het bestaan van een vordering geheel niet meer vast te stellen valt. Ook uit rechtsoverweging 20 volgt niet dat het hof heeft geoordeeld dat de vordering niet kan worden vastgesteld. De overweging van het hof ‘dat als erflaatster een vordering had op [zoon 1] deze vordering op 8 maart 2019 is verjaard’, moet aldus worden begrepen dat het hof vanwege de aangenomen verjaring van de vordering in het midden kan laten of daadwerkelijk een vordering bestaat. Dat het hele maatschapsvermogen al zou zijn verdeeld, is niet van belang omdat dit er volgens het hof niet aan af doet dat moeder uit hoofde van de overeenkomst van einde maatschap een vordering op [zoon 1] heeft gekregen, waarover (bij een positief saldo) moet worden afgerekend. [17] Ook het betoog van de curator dat het hof na eventuele cassatie en verwijzing alsnog geen enkel aanknopingspunt zal hebben om de stand van de kapitaalrekening van moeder vast te stellen, [18] maakt nog niet dat [zoons 2 en 3] geen belang hebben bij deze klacht. De curator ontkracht dit betoog in dezelfde alinea immers door op te merken dat het verwijzingshof in redelijkheid enkel tot de conclusie kan komen dat de omvang van de vordering nihil is (want niet vast te stellen), althans aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank dat het aandeel € 400.000 waard is. Daarmee erkent de curator dat er wel degelijk een (redelijk) aanknopingspunt kan zijn.
Haviltex-maatstaf moet worden bepaald of partijen rente zijn overeengekomen. [zoons 2 en 3] hebben aangevoerd dat de bedoeling van de partijen was dat de partij die iets verschuldigd is, daarover aan de andere partij rente verschuldigd is. Toepassing van de
Haviltex-maatstaf betreft het toetsen aan wat partijen bij het aangaan van een overeenkomst voor ogen heeft gestaan, waarbij de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst een aanwijzing kan zijn. Uit de jaarrekening van 2002 volgt dat rente is betaald en dat de laatste vastlegging van het rentepercentage 5% is. Bij die stand van zaken is volgens het subonderdeel onjuist en/of onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat er vervolgens in het geheel geen rente verschuldigd is omdat partijen (lees: [zoon 1] ) de laatste tien jaar geen jaarrekening meer hebben opgesteld. Ook het argument dat in de overeenkomst uit 2012 geen rente is overeengekomen, is binnen de
Haviltex-maatstaf geen valide argument, omdat dit een andere overeenkomst is en dus niets zegt over de lopende overeenkomst. Bovendien wordt daarbij geen rekening gehouden met het feit dat moeder bij het sluiten van de overeenkomst in 2012 reeds 89 jaar oud was en zij een en ander niet meer helemaal kon overzien. Het voorgaande volgt volgens het subonderdeel ook uit het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 26-29 ten aanzien van de rentevordering van de curator en over de vorderingen van [zoon 1] op de nalatenschap. Het is onbegrijpelijk dat en waarom het hof – nu partijen het erover eens zijn dat rente is overeengekomen die de nalatenschap aan [zoon 1] moet betalen – dit vervolgens niet ook aanneemt voor de vorderingen die de nalatenschap op [zoon 1] heeft.
en dat deze rente ook geldt voor de situatie dat de maatschap is ontbonden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat in de overeenkomst over het einde van de maatschap niet is opgenomen dat [zoon 1] gehouden is deze rente ook in deze situatie te vergoeden over het door hem aan moeder verschuldigde maatschapsaandeel. Ik kan het oordeel van het hof niet anders begrijpen dan dat het hof hiermee heeft geprobeerd, niettegenstaande het gebrek aan concrete gegevens dienaangaande, de partijbedoeling te achterhalen. Ik merk op dat geen klacht is gericht tegen de overweging dat onduidelijk is of de rente ook geldt voor de situatie dat de maatschap is ontbonden, hoewel dat nu juist de kern is van de motivering van het hof. Het is volgens het hof niet zonder meer vanzelfsprekend dat een rente die wordt afgesproken voor de situatie waarin de onderneming van de maatschap wordt gedreven, ook geldt voor het geval waarin de maatschap is ontbonden. Ik acht dit niet onbegrijpelijk. In dat verband is evenmin onbegrijpelijk dat het hof waarde toekent aan de omstandigheid dat [zoon 1] en moeder in de overeenkomst inzake de beëindiging van de maatschap geen afspraak over rente hebben gemaakt. Als [zoon 1] en moeder rente hadden willen afspreken over de stand van de kapitaalrekening na 1 januari 2012, dan had het immers zeer voor de hand gelegen dat de akte einde maatschap daarover iets zou hebben vermeld. Dat is althans kennelijk het oordeel van het hof, en ik vind dat niet onbegrijpelijk. In algemene zin is ook niet juist het (kennelijke) uitgangspunt van het subonderdeel dat afspraken in een latere overeenkomst nooit enig licht zouden kunnen werpen op de inhoud van afspraken uit een eerdere overeenkomst. Ook als [zoon 1] wel jaarrekeningen had opgesteld over de periode tot 2012, dan was daarmee nog niet gezegd dat in de nieuwe situatie – van een ontbonden maatschap – die rente ook zou gelden. Tot slot volgt uit rechtsoverweging 4.7 van het tussenvonnis dat de rechtbank – in het kader van het oordeel over de akte einde maatschap – heeft overwogen dat moeder in 2012 niet onder bewind was gesteld, zodat de rechtbank moet aannemen dat zij nog in staat was haar eigen belangen te behartigen en haar wil te bepalen, terwijl bovendien bij de totstandkoming van de overeenkomst adviseurs betrokken waren en niet is gesteld of gebleken dat deze adviseurs niet ook in het belang van moeder hebben geadviseerd. Nu het hof aansluit bij het oordeel van de rechtbank over de akte einde maatschap, moet worden aangenomen dat het hof ook dit uitgangspunt van de rechtbank onderschrijft.
Incidentele grief 3 en 4 Waardering goederen
de waardewaaronder de toedeling plaatsvindt. Aldus is onjuist (gelet op art. 24 Rv Pro en het grievenstelsel) en onbegrijpelijk dat partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen met betrekking tot de toedeling van [a-straat 1a] . Die toedeling is in hoger beroep niet in geschil, maar alleen de waarde waartegen de toedeling moet gebeuren.
Subonderdeel II.4voegt daaraan toe dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom verkoop aan een derde billijker zou zijn dan toedeling aan [zoons 2 en 3]