Conclusie
[eiseres]respectievelijk
Gasunie.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
AVL 1995) van toepassing verklaard.
de gasleiding) zou worden aangelegd, overeenkomsten gesloten als hiervoor bedoeld. [eiseres] stond bij Gasunie niet bekend als eigenaar of gebruiker, op een enkel perceel na waarvoor [eiseres] als gebruiker desgevraagd Gasunie voor afwikkeling van schade naar de eigenaar heeft verwezen. Gasunie heeft met betrekking tot de percelen die moesten worden gebruikt voor de aanleg van de gasleiding dan ook geen overeenkomst met [eiseres] als eigenaar of gebruiker gesloten.
Dat [eiseres] van mij volgens afspraak toestemming heeft voor het gebruik van de grond van bovenvermeld perceel. Dit is al meerdere jaren heel duidelijk bekend bij [betrokkene 2] van Gasunie.”
onder meer door de bepaling van de opbrengst op basis van een naastgelegen perceel of percelen, althans een perceel in de omgeving, een redelijke beoordeling van perceelsgedeelten die als onrendabel aangemerkt kunnen worden en met aftrek van niet gemaakte kosten”.
Reactie punt 3, Ons voorstel wat wij in maart hebben gedaan van 6 bossen per vierkante meter vond u niet juist, dus heeft u van alle percelen taxaties laten doen. In het contract met onze afnemer(s) en op de afleveringsbonnen staan de gewichten per bos en perceelsaanduiding van de afgeleverde bossen aangegeven. Dit kan dus nooit tot een verkeerd beeld leiden. Wij maken graag een afspraak daarover om dit te bespreken.” Bij de brief is een ongericht schrijven van 25 augustus 2010 namens [B] , een van de afnemers van [eiseres] , overgelegd waarin is verklaard, voor zover van belang: “
Bij deze een reactie op de vraag over inzien afleveringsbonnen van geleverde bospeen (...) We hebben wel bezwaar tegen kopieën maken van deze bonnen en inzicht in de boekhouding van ons bedrijf dat i.v.m. concurrentieposities en afspraken met supermarktketens, die van ons een geheimhoudingsplicht eisen. Dat geldt ook voor al onze leveranciers Overigens is [eiseres] contactpersoon en partij voor Gasunie. [B] B. V. wil hier niet mee worden geconfronteerd en is geen partij in deze. (...)”
“U(
heeft) in uw brief aangegeven dat uw afnemer vanwege concurrentieposities niet wil dat de afleverbonnen worden afgegeven aan Gasunie. Omdat we die gegevens die op deze afleverbonnen staan nodig hebben om de werkelijke schade te kunnen vaststellen zijn wij bereid om (...) genoegen te nemen met een accountantsverklaring, mits wij op basis van deze accountantsverklaring in staat zijn om uw daadwerkelijke schade op de werkstrook te bepalen. Daartoe dient de verklaring aan de volgende voorwaarden te voldoen: - Deze accountantsverklaring moet afkomstig zijn van een onafhankelijke, door de Gasunie goedgekeurde accountant. - Deze verklaring moet ondubbelzinnig en voldoende gedetailleerd aangeven welke opbrengsten in kg en in prijs u gerealiseerd heeft op de percelen waartoe de leidingaanleg heeft plaatsgevonden en bovendien moet deze verklaring de inhoud van de op basis van de afleveringsbonnen gemaakte weekoverzichten en weekafrekeningen inhouden.(...)”
Afgelopen donderdagmorgen 16-12 heb ik met de externe taxateur van Gasunie, [registertaxateur] de bospeenpercelen van [eiseres] bezocht om te kijken hoe het zit met de oogst. (...) Bij de rondgang hebben we enkele percelen gezien waarvan de bospeen is gefreesd, dus vernietigd is. Hier heeft hij dus geen opbrengst en heeft hij ook geen recht op een schadevergoeding voor de werkstrook. Van deze percelen hebben we eerder wel een opbrengstbepaling gedaan. Toevallig of niet, na de rondgang werd ik gebeld door [eiseres] en confronteerde ik hem met de ondergewerkte bospeen. Hij vertelde mij echter glashard dat hij die bospeen geoogst heeft, dus recht heeft op schadevergoeding. [eiseres] durft gerust te stellen dat hij overal 2 oogsten heeft gehad, met als gevolg dat Gasunie maar moet aantonen dat dit niet zo is. [registertaxateur] stelt daarom een rapport op wat we straks bij de afrekening nodig zullen hebben. (...)”
waar beide partijen achter kunnen staan”. Ook is overeengekomen dat tussen de betrokken taxateurs van Gasunie en [eiseres] overleg wordt gevoerd over een aantal feitelijke aspecten, waaronder de relevante schade-oppervlakten.
3.Procesverloop
de rechtbank). Samengevat heeft [eiseres] van Gasunie betaling van schadevergoeding gevorderd van, afgerond, € 1.619.000,-, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten (ruim € 143.000,-), wettelijke rente en proceskosten.
het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen en die van Gasunie toegewezen tot € 25.000, te vermeerderen met wettelijke rente. [3] De rechtbank heeft [eiseres] in de proceskosten veroordeeld.
het arrest) heeft het hof de schadevergoedingsvordering van [eiseres] gedeeltelijk toegewezen en de reconventionele vordering van Gasunie afgewezen. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang en zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over het oordeel in rov. 5.14 t/m 5.26 dat de schade van [A] niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof heeft ten onrechte niet de schadevergoedingsvordering beoordeeld op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (subonderdeel A) en het leerstuk van vereenzelviging (subonderdeel B). De uitleg van de AVL 1995 is bovendien onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd (subonderdeel C).
Onderdeel 2klaagt over het oordeel in rov. 5.6 en rov. 5.27 t/m 5.31 dat voor de begroting van de schade van [eiseres] moet worden uitgegaan van de door Gasunie berekende schadeomvang. Het hof heeft o.m. miskend dat het zelfstandig en ambtshalve de schade had moeten vaststellen en dat het niet op de berekening van Gasunie mocht afgaan.
Onderdeel 3tot slot bevat een voortbouwklacht.
onder 1.1zijn rov. 5.14 t/m 5.26 weergegeven. Het bevat geen klachten.
Belemmeringenwet Privaatrecht
kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden” (art. 1 BP Pro). Op grond van de BP kunnen ook andere verplichtingen dan het gedogen van ‘aanleg en instandhouding’ worden opgelegd, bijvoorbeeld om te gedogen dat een werk wordt veranderd of verplaatst (art. 3), of dat een werk wordt opgeruimd (art. 9). Voordat een gedoogplicht kan worden opgelegd, moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. [8] Zo kan een gedoogplicht pas worden opgelegd indien is geprobeerd met de rechthebbende tot overeenstemming te komen over de aanleg van het werk en schadevergoeding, en dat niet tot resultaat heeft geleid (art. 1 en Pro art. 2 lid 5 BP Pro). [9]
dengene wien het werk aangaat’ (art. 2 BP Pro) [10] een gedoogplicht opleggen (zie bijv. art. 2 lid 5 BP Pro in het geval van ‘aanleg en instandhouding’). De gedoogplicht wordt opgelegd aan rechthebbenden in de zin van de wet, namelijk zakelijk gerechtigden zoals (mede)eigenaren, erfpachters, e.d., maar ook persoonlijk gerechtigden zoals huurders en pachters. [11] De gedoogplicht is een publiekrechtelijke beperking van het eigendomsrecht (inclusief het gebruiksrecht) van een onroerende zaak. [12] Art. 4 BP Pro voorziet in rechtsbescherming tegen de gedoogbeschikking, namelijk door bij het Gerechtshof vernietiging daarvan te verzoeken, op (onder meer) de grond dat daarbij ten onrechte is geoordeeld dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening niet vorderen.
onder 1.2)is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd omdat het hof niet is ingegaan op het gemotiveerde betoog van [eiseres] dat de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding, die ook de schade omvat die [A] heeft geleden, op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht voor toewijzing in aanmerking komt. Uit het arrest, in het bijzonder rov. 5.14 t/m 5.26, blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of deze alternatieve grondslag tot toewijzing van de vordering van [eiseres] kan leiden. Volgens [eiseres] ten onrechte, omdat de Belemmeringenwet Privaatrecht op zichzelf bezien reeds toewijzing van de vordering van [eiseres] had kunnen rechtvaardigen, temeer nu de Belemmeringenwet Privaatrecht uitgaat van een verplichting tot volledige schadevergoeding en een zodanige verplichting óók de schade kan omvatten van een partij die formeel geen aanspraak op schadevergoeding kan maken.
voorafgaandaan de aanleg van een werk, zoals in deze zaak de gasleiding, geprobeerd wordt een regeling te treffen over de vergoeding van de schade, zoals het hof ook overweegt in rov. 5.5. Dat is tussen partijen in het verleden met betrekking tot andere gasleidingen blijkbaar ook gebeurd (rov. 4.5), maar in het geval van de aanleg van de gasleiding (en het perceel) waar het hier om gaat niet (rov. 4.6, laatste zin). Pas ten tijde van de aanleg van de gasleiding (het werk) in 2010 heeft [eiseres] zich gemeld bij Gasunie en vervolgens hebben partijen verschillende keren overlegd en gecorrespondeerd over vergoeding van schade van [eiseres] (rov. 4.9 e.v.). Daarbij heeft Gasunie een beroep gedaan op de AVL 1995 (rov. 4.10). Tijdens de procedure is vervolgens toepasselijkheid van de AVL 1995 afgesproken, zo heeft het hof geoordeeld (rov. 5.4-5.5). Het hof hoefde daarom niet de schadevergoedingsvordering te beoordelen op de grondslag van de BP, tenzij toepasselijkheid van (een deel van) de BP was overeengekomen. Dat laatste is niet het geval. [15]
eenig recht’hebben op het betreffende onroerend goed, namelijk zakelijk gerechtigden en persoonlijk gerechtigden (zie 4.5 hiervoor). [A] valt niet in één van die categorieën. [16] De onteigeningsrechtspraak waarop het middel een beroep doet, maakt dat niet anders. [17] Ook in die zin is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Wat daar ook van zij") immers in het midden gelaten of de BP een nieuwe grondslag voor de vordering van [eiseres] betreft. Bovendien heeft [eiseres] reeds bij memorie van grieven een beroep op de BP gedaan en heeft Gasunie zelf ook expliciet aangegeven de BP als grondslag voor de vordering van [eiseres] te zien. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt in dat licht niet in te zien om welke reden het beroep van [eiseres] op de BP tardief zou zijn gedaan en/of de BP een nieuwe grondslag voor de vordering van [eiseres] betreft. Deze omstandigheden konden voor het hof dus geen reden vormen om het gemotiveerde beroep van [eiseres] op de BP niet te behandelen.
Wat daar ook van zij” in rov. 5.4 doelt het hof namelijk op het in rov. 5.3 weergegeven betoog van Gasunie dat de door [eiseres] in haar memorie van grieven aangedragen grondslag BP (en AVL 1995) nieuw is ten opzichte van de procedure bij de rechtbank (waar [eiseres] onrechtmatig handelen van Gasunie aan haar vordering ten grondslag had gelegd). Het hof heeft met andere woorden uitdrukkelijk niet beoordeeld of dat een nieuwe grondslag was. Het hof heeft (dus) ook niet geoordeeld dat het beroep van [eiseres] op de grondslag BP tardief is gedaan. De klacht faalt.
Vereenzelviging als grondslag voor schadevergoeding
onder 1.4 en 1.5wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het gemotiveerde betoog van [eiseres] dat [eiseres] en [A] met elkaar kunnen worden vereenzelvigd, zodat de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding, die ook de schade omvat van [A] , om die reden voor toewijzing in aanmerking komt. Zowel in haar memorie van grieven als tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [eiseres] volgens het subonderdeel in dit verband uitdrukkelijk van vereenzelviging gesproken, waartegen Gasunie zich vervolgens heeft verweerd. Bovendien heeft [eiseres] in hoger beroep de volgende met vereenzelviging samenhangende stellingen betrokken:
Rainbow-situatie [18] , omdat door de veroorzaker van het schadetoebrengende feit misbruik wordt gemaakt van het feit dat de schade wordt geleden door twee feitelijk te vereenzelvigen juridische entiteiten.
Rainbow-arrest:
onder 1.6wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het op grond van artikel 25 Rv Pro (ambtshalve) de rechtsgronden dient aan te vullen. Om die reden had het hof volgens het subonderdeel de in middelonderdeel 1.4 onder (i) t/m (ix) weergegeven stellingen van [eiseres] , al dan niet in onderlinge samenhang bezien, (ambtshalve) moeten kwalificeren als een beroep op vereenzelviging en, in het verlengde daarvan, (ambtshalve) moeten onderzoeken of de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding, die ook de schade omvat die [A] heeft geleden, op grond van vereenzelviging voor toewijzing in aanmerking komt. Dat heeft het hof ten onrechte nagelaten, aldus het subonderdeel.
Uitleg AVL 1995
onder 1.7wordt geklaagd dat ook anderszins ’s hofs oordeel, met name in rov. 5.17 en 5.18, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft de AVL 1995 ten onrechte niet uitgelegd in het licht van de BP, terwijl [eiseres] (onbetwist) heeft aangevoerd dat de AVL 1995 een (nadere) uitwerking van de verplichtingen uit de BP inhouden, ten gevolge waarvan dat in cassatie tot hypothetisch uitgangspunt dient. De inhoud van de verplichtingen uit de BP is daarmee relevant voor de inhoud van de verplichtingen uit de AVL 1995. Dat is in het bijzonder van belang, omdat de BP uitgaat van een verplichting tot volledige schadevergoeding en een zodanige verplichting óók de schade kan omvatten van een partij die formeel geen aanspraak op schadevergoeding kan maken, terwijl die verplichting om de in middelonderdeel 1.2 genoemde redenen in ieder geval kan nopen tot vergoeding van de schade van een vennootschap in de positie van [A] . Dat heeft tot gevolg dat een uitleg van de AVL 1995 in het licht van de BP had kunnen leiden tot toewijzing van de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding, die ook de schade omvat die [A] heeft geleden. Desondanks heeft het hof bij zijn uitleg van de AVL 1995 geen (kenbare) aandacht besteed aan de BP. Het oordeel van het hof is daarom onjuist, althans, in het licht van de stelling van [eiseres] dat de AVL 1995 een (nadere) uitwerking van de verplichtingen uit de BP inhouden, onvoldoende gemotiveerd.
onder 2.1bevat geen klachten. De procesinleiding
onder 2.2bevat alleen een voortbouwklacht. Aangezien de klachten van onderdeel 1 niet slagen, slaagt deze voortbouwklacht ook niet. Ik bespreek hierna de klachten onder 2.3 – 2.7.
Taak van de rechter bij begroting van de schadevergoeding
van het reguliere civiele recht afwijkende taak”. [32] Ik heb ook geen aanwijzing in rechtspraak of literatuur aangetroffen dat de rechter in een geval als hier dat niet onder de Onteigeningswet valt, zelfstandig en ambtshalve zou dienen te onderzoeken welke schade is geleden. [33] De klachten falen daarom.
volledigen naar waarheid aanvoert. Uit de AVL 1995 volgt niet iets anders. [eiseres] heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de omvang van de door haar geleden schade (rov. 5.6 en 5.29). Volgens het hof heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd wat haar schade is (rov. 5.27-5.29). Het hof heeft daaruit de gevolgtrekking getrokken dat het bij het bepalen van de schadeomvang moet afgaan op de berekening van Gasunie (rov. 5.30). Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
onder 3.1klaagt dat het slagen van (één van) de klachten uit middelonderdelen 1 en/of 2 ook het oordeel van het hof in rov. 5.37 (omvang schade percelen b en c), rov. 5.39 t/m 5.41 (omvang buitengerechtelijke kosten), rov. 5.53 en 5.57 (conclusies), rov. 5.54 (proceskosten) en rov. 6 (dictum) aantast. Deze oordelen kunnen om die reden niet in stand blijven.