Conclusie
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: S.L. Haanschoten
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Subonderdeel 1.1klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.10 dat in dit geval de US Cogsa het op de overeenkomst toepasselijke recht vormt, onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof miskent dat de US Cogsa geen rechtsstelsel vormt en dat de toepasselijk verklaring van de US Cogsa geen conflictenrechtelijke rechtskeuze kan opleveren, aldus het subonderdeel. Daarop voortbouwend voert
subonderdeel 1.2aan dat het hof in rov. 2.10 miskent dat de toepasselijk verklaring van de US Cogsa niet de bepalingen van dwingend recht van het gekozen rechtsstelsel (Nederlands recht) opzij kan zetten.
subonderdeel 1.5is onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 2.10 dat de van toepassing verklaring van de US Cogsa geen (andere) ruimte laat voor afwijking van het daarin vervatte aansprakelijkheidsregime ten gunste van (al dan niet dwingende bepalingen uit) het (voor het overige vervoer gekozen) Nederlandse recht. Met dit oordeel miskent het hof volgens het subonderdeel dat een naast het gekozen recht op een overeenkomst toepasselijk verklaarde regeling van een ander stelsel niet kan afdoen aan de dwingendrechtelijke bepalingen van het gekozen recht.
subonderdeel 1.7aan dat het hof heeft miskend dat de door Airgas gestelde verkeerde stuwage door UAL reeds op zichzelf een nalatigheid kan vormen in de (kern)verplichtingen van UAL, zoals neergelegd in de art. 3 leden Pro 1 en 2 HVR, die ertoe kan leiden dat Airgas niet (volledig) aansprakelijk is. Daarom had het hof deze door Airgas gestelde verkeerde stuwage moeten onderzoeken, volgens het subonderdeel.
subonderdeel 1.9heeft het hof in ieder geval miskend dat de geldigheid van een clausule die een verzwaring van aansprakelijkheid van de afzender bewerkstelligt, dient te worden beoordeeld aan de hand van het dwingendrechtelijke art. 3 lid 8 HVR Pro. Het effect van art. 20 onder Pro c cognossementsvoorwaarden is immers dat in strijd met art. 3 lid 8 HVR Pro de aansprakelijkheid van de vervoerder aanzienlijk wordt verminderd, en in plaats daarvan wordt verlegd naar de afzender. Voor zover in de omschrijving van het hof van art. 20 onder Pro c cognossementsvoorwaarden in rov. 2.18 als ‘bewijslastverdeling’ besloten ligt dat met die bepaling niet (ook) een verschuiving van aansprakelijkheid wordt bewerkstelligd, is die overweging onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu die bepaling geen andere conclusie toelaat dan dat de aansprakelijkheid van de afzender daarmee wordt verzwaard ten opzichte van de aansprakelijkheid van de vervoerder.
subonderdeel 3.2heeft het hof in rov. 2.12 miskend dat Rule 1304(3) US Cogsa aan toepassing van art. 20 onder Pro c cognossementsvoorwaarden in de weg staat. Die bepaling – die overeenkomt met art. 4 lid 3 HVR Pro – is van dwingend recht en houdt in dat de afzender niet aansprakelijk is voor door de vervoerder of het schip geleden verliezen of schade, ontstaan door of voortvloeiend uit enigerlei oorzaak, tenzij er sprake is van een handeling, schuld of nalatigheid van de afzender.
4.Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
uitsluitendgenoemd scenario zou hebben gesteld.