AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Huurrecht en de kwalificatie van een onbemande tankstation als gebouwde onroerende zaak
In deze zaak, die zich richt op de beëindiging van een huurovereenkomst voor een onbemand tankstation, heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad geconcludeerd dat het tankstation niet kan worden aangemerkt als een 'gebouwde onroerende zaak' in de zin van artikel 7:230a BW of artikel 7:290 BW. De zaak is aanhangig gemaakt door EG Retail (Netherlands) B.V. als eiseres tot cassatie tegen [Verhuurder] B.V. als verweerster in cassatie. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de huurovereenkomst eindigt op 30 juni 2025, zonder dat opzegging vereist is, op basis van artikel 7:228 lid 1 BW. Dit oordeel werd door het hof bekrachtigd, waarbij werd verwezen naar de uitleg van het begrip 'gebouwde onroerende zaak' in de jurisprudentie, met name het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:899). De kern van het geschil draait om de vraag of het onbemande tankstation voldoet aan de definitie van een gebouw, zoals vastgelegd in de Woningwet. Het hof oordeelde dat het tankstation niet voldoet aan de vereisten van een gebouw, omdat het niet met wanden is omsloten en er geen sprake is van een voor mensen toegankelijke, overdekte ruimte. De Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, aangezien de klachten van de Huurder niet slagen. De conclusie is dat de huurovereenkomst eindigt op de afgesproken datum, zonder dat er sprake is van huur van een gebouwde onroerende zaak.
Voetnoten
1.Huurder heeft in beide zaken één s.t. gegeven en geeft daarin onder 2 aan dat in beide zaken weliswaar twee afzonderlijke hofarresten zijn gewezen, maar dat de inhoudelijke overwegingen volledig gelijkluidend zijn en dat de PI’s in beide zaken, op de plaatsnamen, feitelijke situaties ter plekke, de relevante data en de nummering van enkele rovv. in de bestreden arresten na, identiek zijn en de klachten aldus geheel overlappen.
2.De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7134, Prg. 2025/34 m.red.aant. H.L. Groenenboom, rov. 3.1-3.8. 3.Zie ook rov. 2.2-2.4 en 4.1 van het bestreden arrest.
5.Art. 7:228 lid 1 BW luidt: ‘Een huur voor bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is verstreken.’ Er is dan geen ontruimingsbescherming (art. 7:230a BW) en ook geen beëindigingsbescherming ex art. 7:290 e.v. BW.
6.Onder verwijzing naar de al aangehaalde
8.Beide zaken hebben dezelfde feitelijke aanleiding. Zie de in 1.7 aangehaalde brief van Huurder aan Verhuurder waarin zowel de huur van het onbemande tankstation in [plaats 1] als de huur van het onbemande tankstation in [plaats 2] wordt opgezegd. De feitelijke situatie kent ook geen voor de beoordeling relevante verschillen. Op beide locaties betreft het kort gezegd de huur van een onbemand tankstation met luifel (zonder wanden) en zonder shop, waarin door Huurder in beperkte mate (eigen betaalpaal en eigen handelsnaam en eigen reclame-uitingen) is geïnvesteerd. De inhoud van de door Huurder opgestelde huurovereenkomsten voor beide locaties is ook vrijwel gelijkluidend. Dat de huur ten aanzien van de locatie [plaats 1] is aangegaan voor zestien jaar en die van de locatie [plaats 2] voor vijftien jaar is voor de beoordeling evenmin relevant.
9.Zowel de rechtbank als het hof heeft beide zaken gelijktijdig behandeld. De zaken zijn op dezelfde datum aangebracht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft een gezamenlijke mondelinge behandeling plaatsgevonden, en zowel rechtbank als hof heeft op dezelfde datum uitspraak gedaan.
10.De inhoudelijke overwegingen in het bestreden arrest in de onderhavige zaak en in de zaak 25/00557 zijn volledig identiek, op de beëindigingsdatum na.
11.Er zijn afzonderlijke procesinleidingen ingediend in de beide zaken, maar in beide aanbiedingsbrieven staat dat ‘de inhoud van de procesinleiding in beide zaken – behoudens voor zover het de plaatsnamen, de feitelijke situatie ter plaatse, de relevante data en de nummering van enkele rechtsoverwegingen van het hof betreft – identiek is’. In voetnoot 1 is ook al de s.t. van Huurder onder 2 voor beide zaken geciteerd. Huurder heeft vervolgens in cassatie ook één repliek in beide zaken genomen. Verhuurder heeft in cassatie wel afzonderlijk verweer gevoerd in de beide zaken, maar de beide s.t.’s van Verhuurder verschillen inhoudelijk niet. De vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarop Huurder zich in cassatie heeft beroepen, zijn ook identiek in de beide zaken (vergelijk PI 25/00557, voetnoten 17-25 en PI 25/00560, voetnoten 15-23). In beide zaken zijn door Huurder afzonderlijke conclusies van antwoord genomen op dezelfde datum (14 februari 2023). In beide zaken wordt in cassatie een beroep gedaan op CvA, 38 en 43, die niet verschillen. In beide zaken zijn door Huurder ook afzonderlijke memories van grieven genomen op dezelfde datum (19 maart 2024). In beide zaken wordt in cassatie een beroep gedaan op MvG, 4.6, 4.21 en 5.23-5.24, die ook niet verschillen. Verder is in beide zaken in cassatie een beroep gedaan op passages uit de spreekaantekeningen HB. Gelet op de gezamenlijke mondelinge behandeling hebben de spreekaantekeningen HB betrekking op beide zaken en zijn deze dus ook volledig gelijkluidend.