AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen bij ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies
In deze zaak gaat het om de vraag of het deel van het brutoloon dat is ingehouden voor Liechtensteinse socialezekerheidspremies, dat achteraf onterecht is ingehouden, moet worden aangemerkt als loon in de zin van de Wet LB. De belanghebbende, die in 2018 in dienst was bij een Liechtensteinse werkgever, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) die door de Inspecteur was opgelegd. De Sociale Verzekeringsbank had eerder vastgesteld dat het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing was op de belanghebbende, wat leidde tot verschillende geschilpunten over de heffing van IB/PVV. De Hoge Raad heeft in deze zaak geconcludeerd dat het ingehouden premiebedrag moet worden aangemerkt als loon, omdat de belanghebbende een vorderingsrecht heeft op zijn werkgever voor de onterecht ingehouden bedragen. De uitspraak van het Hof, die het hoger beroep ongegrond verklaarde, werd door de belanghebbende bestreden met verschillende middelen, maar deze werden door de Hoge Raad ongegrond verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het beroep in cassatie ongegrond moest worden verklaard.
Voetnoten
1.Dit volgt mijn inziens uit rov. 2.6 en rov. 5.5.6 van de uitspraak van het Hof.
2.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610 over het cassatieberoep tegen de uitspraak van CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609. De zaak over de A1-verklaring ten name van belanghebbende was bij de CRvB geregistreerd onder de nummers 19/1134 AOW (hoger beroep belanghebbende) en 19/4726 AOW, zo leid ik uit de uitspraak van de CRvB af die de inspecteur in het verweerschrift voor het Hof heeft ingebracht. 3.Dit is wat het Hof in rov. 5.2.2 afleidt uit de door hem in rov. 2.3.8 geciteerde (uit het Duits vertaalde) brief. Het komt mij overigens voor dat uit de brief zou kunnen worden afgeleid dat de afgegeven A1-verklaring alsnog ook formeel wordt ingetrokken.
4.Dit laatste is niet met zoveel woorden vastgesteld in onderdeel 2, maar ligt wel besloten in de overwegingen van het Hof en is ook een feitelijk uitgangspunt tussen partijen gelet op hun geschil.
7.Besluit van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M, Stcrt. 2014, 9763.
8.Mededeling van 5 januari 2016, nr. DGB 2016/20, V-N 2016/11.11.
9.Mededeling van 26 november 2020, DGBD 178296.
10.Regeling van 16 december 2021, Stcrt. 2021, 50396.
11.Vgl. HR 24 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2323, BNB 1998/290, rov. 3.4, waarin wordt gecasseerd omdat de uitspraak van het gerechtshof onvoldoende inzicht biedt in de door het gerechtshof gevolgde gedachtegang, waarbij wordt overwogen dat “[i]n het bijzonder (…) niet [kan] worden beoordeeld of het Hof hier is uitgegaan van een juiste opvatting omtrent het begrip "inbaar".” 12.Verweerschrift in cassatie, p. 2.
14.Zie geschilpunt a)vermeld in rov. 4.1 van de uitspraak van het Hof.
16.Zie Besluit van 24 maart 2014, nr. DGB 2014/144M, Stcrt. 2014, 9763, par. 2.3: “De door de werkgever aan de werknemer verstrekte vergoeding voor door de werknemer verschuldigde premie of bijdrage voor ziektekostenregelingen, uitkeringen en verstrekkingen die naar aard en omvang overeenkomen met prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Zvw behoort wel tot het fiscale loon (artikel 10 van de Wet LB).”