Conclusie
strafzaak(dus noch het vonnis van de rechtbank, noch het arrest van het hof) onherroepelijk. Wel was al in eerste aanleg door de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de door haar gelaste tbs met voorwaarden bevolen. Het procesverloop is in beide beslissingen door de penitentiaire kamer weergegeven (zie hierna onder II) en ziet er in hoofdtrekken als volgt uit.
niet onherroepelijketbs met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar is verklaard worden omgezet in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege?; (ii) kan een
niet onherroepelijke tbsmet voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar is verklaard worden verlengd? De laatste vraagstelling is algemener van aard dan het beroep waarover de penitentiaire kamer in haar beslissing van ECLI:NL:GHARL:2022:7778 (zaaknummer P21/426) had te oordelen – de verlenging van de
‘omgezette tbs’– en wijkt dus in zoverre daarvan af. Bezwaarlijk is dat mijns inziens niet, nu de wijze waarop de opgeworpen vraagpunten (i) en (ii) dienen te worden beoordeeld, implicaties heeft voor de vraag (iii) of een ‘omgezette’ maar nog niet onherroepelijke tbs voor verlenging vatbaar is. Dat neemt niet weg dat ik deze vraag (iii) in onderdeel VII afzonderlijk zal aanstippen.
welen welke zij
niet(meer) hebben. Op deze vraag ga ik in onderdeel VIII nader in.
De twee door mij geselecteerde beslissingen van de penitentiaire kamer
III.Het procesverloop op een rij gezet
Het wettelijk kader in relatie tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden
Stb. 2010, 270) is ingevoerd. Daarmee is “een bevoegdheid voor de rechter geschapen om te bepalen dat de maatregel onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd” en is (dienvolgens) de reclassering een in de wet verankerde mogelijkheid gegeven het hier bedoelde toezicht (nagenoeg) terstond uit te oefenen, opdat die toezichtloze perioden en veiligheidsrisico’s vermeden kunnen worden. [7] De memorie van toelichting bij de Wet aanpassingen tbs met voorwaarden zegt daarover het volgende:
4. Aansluiting tenuitvoerlegging gevangenisstraf en tbs met voorwaarden
aanvullendgevaarscriterium niet geformuleerd. Helemaal consistent is deze systematiek mijns inziens niet. Omdat met evenveel recht kan worden gezegd dat ook de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid bij de tbs met voorwaarden ingrijpend kan zijn voor degene wie het aangaat, ligt het voor de hand dat dan ook
diebeslissing aan een (vergelijkbaar) aanvullend criterium wordt gebonden. Ik neem aan dat niettemin daaraan in de praktijk invulling zal worden gegeven, nu de beslissing tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van een sanctie op zichzelf al een inschatting impliceert van de kans op recidivegevaar. Pas als er concrete omstandigheden bestaan op grond waarvan een gefundeerd vermoeden rijst dat zonder toezicht een onaanvaardbare kans op verwezenlijking van dat gevaar bestaat, ligt immers zo’n beslissing in de rede.
Art. 37b lid 1 Sr:
Art. 38d Sr:
Art. 38e leden 1 en 2 Sr:
De omzetting van de (dadelijk uitvoerbare, maar niet onherroepelijke) tbs met voorwaarden in de tbs met alsnog verpleging van overheidswege
onherroepelijkis geworden om te zetten in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege, indien de terbeschikkinggestelde (een van) de gestelde voorwaarden niet naleeft, dan wel anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist (art. 6:6:10 lid 1 aanhef Pro en onder e Sv). In dat geval kan de terbeschikkinggestelde op bevel van het openbaar ministerie worden aangehouden (art. 6:3:15 lid 1 Sv Pro). Het staat vast dat dit een vorm van vrijheidsbeneming is als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM Pro. Daarom geldt ook hier het voorschrift van art. 5 lid 3 EVRM Pro dat deze terbeschikkinggestelde (bij langer vasthouden) onverwijld (“promptly”) voor een rechter (of een andere magistraat) moet worden geleid. Die rechter is bij ons de rechter-commissaris. Deze kan op daartoe strekkende vordering van het openbaar ministerie beslissen tot het
voorlopigalsnog van overheidswege verplegen van de betrokkene (art. 6:6:11 lid 6 Sv Pro), welke beslissing krachtens de wet dadelijk uitvoerbaar is (art. 6:6:11 lid 9 Sv Pro). Bedacht moet worden dat het in dat verband om een spoedprocedure gaat en de beslissing van de rechter-commissaris voorlopig en dus tijdelijk van aard is. Tegen zijn beslissing staat geen beroep open. Naast de vordering tot ‘het
voorlopigalsnog van overheidswege verplegen’ zal het openbaar ministerie een vordering tot ‘het
alsnogvan overheidswege verplegen’ bij de rechtbank moeten indienen. Beveelt de rechtbank dienovereenkomstig, dan staat daartegen voor de betrokkene beroep open bij (de penitentiaire kamer van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (art. 6:6:15 lid 1 aanhef Pro en onder d Sv).
in dit gevalexpliciteert – zo’n wettelijke bepaling is er niet –, maar door een samenstel van aanknopingspunten die gelegen zijn in een tweetal tbs-bepalingen en een arrest van de Hoge Raad over de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf bij overtreding van dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden (art. 14e lid 1 Sr). Ik citeer uit de motivering van die uitspraak van de penitentiaire kamer van 3 februari 2022 het volgende: [11]
NJ2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra, waarnaar de penitentiaire kamer verwijst, is gewezen naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet van mijn voormalige ambtgenoot Knigge. Toen lag de vraag voor of de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde en nog niet onherroepelijke straf kan worden gelast wegens overtreding van voorwaarden die op de voet van art. 14e lid 1 Sr (of, wat betreft het jeugdstrafrecht, art. 77za lid 1 Sr) dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. De Hoge Raad heeft die vraag in dat arrest van 2017 in bevestigende zin beantwoord. Hij wijst er op dat art. 557 (oud) Sv, thans art. 6:1:16 lid 1 Sv Pro, [12] weliswaar als uitgangspunt verwoordt dat geen beslissing ten uitvoer mag worden gelegd zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist, maar dat het eerste lid van dit artikel in de mogelijkheid voorziet van een uitzondering op dat beginsel voor het geval de wet anders bepaalt. Het in art. 14e en 77za Sr bepaalde vormt volgens de Hoge Raad, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, op voldoende duidelijke wijze een uitzondering op voormeld beginsel als bedoeld in art. 557, eerste lid, (oud) Sv, thans art. 6:1:16 lid 1 Sv Pro. Het oordeel van de rechtbank dat zij, daar de veroordeelde de bij een eerder vonnis gestelde voorwaarden niet had nageleefd, bevoegd was de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie te gelasten, gaf dan ook niet blijk van miskenning van hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft overwogen. Dat nam niet weg dat de Hoge Raad nog wel de volgende boodschap meegeeft:
eigenkarakters van de tbs met voorwaarden en de tbs met (alsnog) verpleging van overheidswege zichtbaar te kunnen maken. Welnu, lange tijd kende ons sanctiestelsel de onvoorwaardelijke en de voorwaardelijke terbeschikkingstelling van de Regering (tbr). Leefde de veroordeelde de algemene of een bijzondere voorwaarde van een – onherroepelijk geworden – voorwaardelijke tbr niet na, of bleek hij (anderszins) onvoorwaardelijke verpleging te behoeven, dan kon de rechter op een daartoe strekkende vordering van het openbaar ministerie alsnog de tenuitvoerlegging van de tbr gelasten. [13]
eigen karaktervan een tbs zonder verpleging van overheidswege beter tot uitdrukking brengen. [15] Zij was zoveel mogelijk gericht op ambulante gedragsbeïnvloeding, hetgeen meebracht dat voor intramurale opname in een inrichting bij deze tbs-vorm bereidheid tot medewerking van de terbeschikkinggestelde nodig was. Kon voordien de tenuitvoerlegging van de tbr worden gelast op de enkele grond dat de persoon gedurende de proeftijd een gestelde voorwaarde niet had nageleefd, het louter niet-naleven van een gegeven aanwijzing kon de tenuitvoerlegging van de tbs met verpleging van overheidswege niet dragen. Pas als die persoon (toch) een onaanvaardbaar gevaar voor de samenleving bleek te vormen en de rechter zich een met redenen omkleed advies had doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – kon de tbs met aanwijzingen worden omgezet in de tbs met alsnog verpleging van overheidswege. [16] De wetgever had daarvoor een aparte omzettingsprocedure ontworpen, waarin de rechter zich een met bepaalde waarborgen omkleed, en op een daaraan voorafgaand onderzoek steunend, multidisciplinair advies moest doen overleggen. Omdat op overtreding van de gegeven aanwijzingen geen directe sanctie stond en daarnaast ook de omzettingsprocedure langdurig was, werd de tbs met aanwijzingen in de rechtspraktijk te vrijblijvend en onaantrekkelijk bevonden. Zij werd dan ook nauwelijks toegepast. [17] Op voorstel van de commissie-Fokkens werd de tbs met aanwijzingen in 1997 vervangen door de huidige tbs met voorwaarden. [18] Een belangrijke aanpassing in de wet is de tweeledige vereenvoudiging van de omzetting van een tbs met voorwaarden in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege: de niet-naleving van een voorwaarde kan (weer) onmiddellijk gesanctioneerd worden (art. 6:6:10 lid 1 aanhef Pro en onder e Sv), en de omzettingsprocedure is procedureel gemakkelijker gemaakt met het schrappen van de voormalige eis van multidisciplinaire rapportage. [19] De dwangverpleging die thans na indiening van een vordering tot omzetting dreigt, heeft daardoor weer een serieuze functie als stok achter de deur verkregen, [20] zonder het zelfstandige karakter van elk van de sancties los te laten.
NJ2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra, niet gelukkig en onjuist voor.
de facto, maar ook
de iureeen andersoortige sanctie is dan de tbs met (alsnog) verpleging van overheidswege. Dat klemt temeer wanneer de tbs met verpleging van overheidswege is opgelegd naar aanleiding van een geweldsdelict, zoals het geval is in de voorliggende beslissingen van de penitentiaire kamer van 8 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7778 en 8 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7811.
verlengingsbeslissing dat verschil in karakter tussen de beide tbs-modaliteiten in zekere zin onderstreept, en wel in dier voege dat zij aan haar overweging dat het gerechtshof Amsterdam kort daarvoor had geoordeeld dat een terbeschikkingstelling nog steeds aan de orde is heeft toegevoegd: “zelfs in een zwaardere vorm”. A contrario volgt daaruit dat ook de penitentiaire kamer de tbs met voorwaarden als een lichtere sanctie kwalificeert dan de tbs met alsnog verpleging van overheidswege. Verder lees ik in de beslissing van de penitentiaire kamer van 3 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:891 als haar standpunt dat de feitenrechter terughoudend moet omgaan met omzetting van een tbs met voorwaarden in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege op een moment dat de oplegging van de tbs met voorwaarden nog niet onherroepelijk is. Daaruit leid ik af dat de penitentiaire kamer ook zelf in voorkomende gevallen niet anders zal handelen en dan dus ook zelf de nodige terughoudendheid en behoedzaamheid zal betrachten. Ik wijs er in dit verband verder op, dat de penitentiaire kamer in verschillende beslissingen mede in haar afweging heeft betrokken “of bij voortzetting van de maatregel onder, eventueel gewijzigde, voorwaarden sprake is van acuut delictgevaar”. Daarin klinkt als haar oordeel door, dat een enkele overtreding van de gestelde voorwaarden door de terbeschikkinggestelde niet zonder meer de omzetting in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege kan rechtvaardigen. [23] Doorslaggevend, zo versta ik de penitentiaire kamer, is het acute en tegelijkertijd ernstige gevaarsrisico dat tot beveiliging van de samenleving door middel van vrijheidsontneming en dwangverpleging noodzaakt. Meer uitgesproken was de penitentiaire kamer hierover in haar beslissing van 11 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4485. In die zaak had de rechtbank in de strafzaak de door haar opgelegde tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Nadat zich een aantal incidenten aan de kant van de terbeschikkinggestelde had voorgedaan, vorderde de officier van justitie bij de rechtbank ‘alsnog verpleging van overheidswege’, dus de omzetting. De rechtbank wees deze vordering af en daartegen stelde de officier van justitie beroep in bij de penitentiaire kamer. Deze stelde vast dat in de strafprocedure hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en dat de strafzaak nog in behandeling was bij het gerechtshof Den Haag. Niet was dus nog uitgemaakt dat de verdachte zou worden veroordeeld en hem de maatregel van tbs zou worden opgelegd, en, indien oplegging zou volgen, of aan deze maatregel voorwaarden zouden worden verbonden dan wel een bevel tot verpleging van overheidswege zou volgen. De penitentiaire kamer overwoog vervolgens:
De verlenging van de (dadelijk uitvoerbare, maar niet onherroepelijke) tbs met voorwaarden
NJ2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra. De Hoge Raad – het is hierboven al eerder gesignaleerd – heeft toen beslist dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf kan worden gelast wegens overtreding van voorwaarden die op de voet van art. 14e lid 1 Sr of art. 77za lid 1 Sr dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, ook als die straf nog niet onherroepelijk is. [27] De penitentiaire kamer heeft aan die uitspraak van de Hoge Raad déze uitleg gegeven, dat daarmee is aanvaard dat over een dadelijk uitvoerbare sanctie – en derhalve ook over de verlenging van de termijn daarvan – kan worden beslist vóórdat het veroordelend vonnis of arrest onherroepelijk is. [28]
drieachtereenvolgende en van elkaar te onderscheiden dadelijk uitvoerbare terbeschikkingstellingen met voorwaarden. De eerste (door de rechtbank op 12 januari 2016 opgelegd) liep vanaf 9 mei 2016 tot 26 augustus 2016. Op die 26e augustus werd daarvoor in de plaats gesteld een nieuwe (door het hof opgelegde) tbs met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar werd verklaard. Deze liep tot 30 januari 2018, de dag waarop in de reguliere strafzaak de uitspraak van het hof door de Hoge Raad werd vernietigd en de zaak werd teruggewezen. Daarmee hield na ongeveer anderhalf jaar ook de (in tijd bezien) tweede dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden op te bestaan. Daarbij zij aangetekend dat met dit tijdsverloop nog niet was voldaan aan het bepaalde in art. 6:6:11 lid 1 Sv Pro en er dus in dat verband (nog) geen vordering tot verlenging van deze tbs met voorwaarden kon worden ingediend. Vervolgens is gedurende zes maanden sprake geweest van een tbs-loze periode, totdat in de strafzaak op 4 juli 2018 ten derden male – de penitentiaire kamer zegt terecht “opnieuw” – door het hof een dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden aan dezelfde persoon werd opgelegd. Deze gold nog toen de penitentiaire kamer op 11 februari 2021 haar beslissing nam. Het is déze ‘derde’ dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden waarop de – op 29 mei 2020 en dus – binnen de wettelijke termijn ingediende verlengingsvordering ziet.
daarvande onderscheiden perioden bij elkaar op te tellen ware, dan zou het openbaar ministerie in die zaak veel te laat zijn geweest met de indiening van de verlengingsvordering en mitsdien een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de verlengingsvordering vol in beeld komen.
verdachtewas. De Hoge Raad verwierp bij arrest van 2 februari 2016 het cassatieberoep dat namens deze verdachte was ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2014, waarmee de uitspraak van dit hof onherroepelijk werd. Omdat de wetgever zich niet over de ontstane situatie expliciet had (en heeft) uitgelaten, en rekening houdend met de aanvang van de bij vonnis van de rechtbank van 11 april 2013 opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden, had de officier van justitie op 23 februari 2016 bij de rechtbank Den Haag een vordering ingediend (a) ter beantwoording van de vraag of hij gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2016, en het daarmee onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2014, in die vordering kon worden ontvangen en, zo ja, (b) strekkende tot verlenging van de tbs met voorwaarden met een termijn van twee jaren. De rechtbank Den Haag verklaarde de officier van justitie bij beslissing van 19 april 2016 niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de tbs met voorwaarden. De penitentiaire kamer oordeelde in beroep in haar beslissing (nog steeds die van 13 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8749) als volgt:
verdachtewas. De reikwijdte van de uitzondering op de hoofdregel dat een rechterlijke beslissing eerst ten uitvoer kan worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden en wettelijk haar begrenzing vindt in de dadelijke uitvoerbaarheid in bepaalde gevallen, dijt in de gegeven voorbeelden – zonder enige wettelijke grondslag daarvoor – steeds verder uit met procedures die zijn ingebed binnen het penitentiairrechtelijk sanctiestelsel en heeft bij verlenging en vooral omzetting verstrekkende gevolgen voor iemand die nog enkel verdachte is. De beroepsprocedures bij de penitentiaire kamer vormen daarbinnen dan nog zelfs een verlengstuk. Ik merk voorts op dat de penitentiaire kamer door de wetgever in het leven is geroepen als beroepsrechter met bevoegdheden die zich tot de executiefase beperken. In de hierboven aangehaalde voorbeelden wordt zij in die hoedanigheid bij verschillende procedures betrokken terwijl de strafzaak nog binnen het domein van de feitenrechtspraak aanhangig is. Op deze wijze beweegt de penitentiaire kamer zich in mijn ogen zonder rechtstitel binnen het strafvorderlijk systeem, dat gereserveerd is voor de behandeling van de strafzaak door de feitenrechter, en dát allemaal terwijl bewijsrechtelijk nog helemaal niets definitief ten laste van de verdachte vaststaat.
De verlenging van de ‘omgezette’, maar nog niet onherroepelijke tbs
Afzonderlijke opheffing of schorsing van bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid door hof na vernietiging van vonnis waarvan beroep?
Slotsom
NJ2018/321, m.nt. Vellinga-Schootstra geoordeeld dat tenuitvoerlegging van een
voorwaardelijk opgelegde strafmogelijk is bij overtreding van dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden, ook als de strafoplegging nog niet onherroepelijk is. De Hoge Raad heeft in datzelfde arrest echter geëxpliciteerd dat het gaat om een uitzondering op het beginsel als bedoeld in art. 557, eerste lid, (oud) Sv, thans art. 6:1:16 Sv Pro. Hij heeft daarbij nadrukkelijk gewezen op de verstrekkende gevolgen die de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf kan hebben in gevallen waarin de uitspraak waarbij die straf is opgelegd nog niet onherroepelijk is, alsook op de complicaties die zich in dat verband kunnen voordoen. Het ligt volgens de Hoge Raad daarom in de rede dat met
bijzondere terughoudendheidgebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid een vordering te doen dan wel, indien zo een vordering wordt gedaan, een last tot tenuitvoerlegging te geven wanneer het gaat om overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich niet voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
voor zover niet anders is bepaaldgeen rechterlijke beslissing ten uitvoer mag worden gelegd zolang daartegen nog enig
gewoonrechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. Uit de voorliggende beslissingen van de penitentiaire kamer vloeien voor de betrokkene, die nog slechts verdachte is, ingrijpende gevolgen voort, doordat 1) de dadelijk uitvoerbare maar niet onherroepelijke tbs met voorwaarden wordt omgezet in een tbs met alsnog verpleging van overheidswege – in mijn ogen bovendien een sanctie die naar karakter en zwaarte sterk verschilt van de tbs met voorwaarden –, en 2) de termijn van deze ‘omgezette tbs’ vervolgens nog eens wordt verlengd met een jaar. En dit alles alleen als verkapte vorm van voorlopige hechtenis, omdat een bevel daartoe niet was of kon worden afgegeven.
ingebed in het strafproces. Daaruit kan worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever de dadelijke uitvoerbaarheid van de niet onherroepelijke tbs met voorwaarden zich afspeelt binnen het domein van het strafproces en zich derhalve niet uitstrekt over de verder liggende fase van tenuitvoerlegging van sancties. Dit betekent tevens dat een dadelijk uitvoerbare maar nog niet onherroepelijke tbs met voorwaarden niet voor verlenging vatbaar is. Ook in dit verband luidt mijn betoog dat de penitentiaire kamer als beroepsrechter op het penitentiaire veld hier geen bevoegdheden heeft zolang de uitspraak in de strafprocedure nog niet definitief is.
Cassatiemiddelen
) bij haar oordeel over de ontvankelijkheid van de vordering tot het alsnog van overheidswege verplegen van de betrokkene ten onrechte heeft betrokken dat het gerechtshof Amsterdam de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde tbs met voorwaarden niet bij afzonderlijke beslissing heeft opgeheven of geschorst, nu de vernietiging van het beroepen vonnis door het gerechtshof impliceert dat daarmee het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde tbs met voorwaarden van rechtswege is komen te vervallen en een afzonderlijke beslissing van het gerechtshof tot opheffing of schorsing van dat bevel niet (meer) noodzakelijk is.