Uitspraak
Overwegingen:
Beslissing
[terbeschikkinggestelde].
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van een terbeschikkinggestelde tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag die de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De terbeschikkingstelling was aanvankelijk met voorwaarden opgelegd en dadelijk uitvoerbaar verklaard, maar later door het gerechtshof Den Haag gewijzigd in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen dit arrest, waardoor het onherroepelijk werd op 2 februari 2016.
De kern van het geschil was de vraag op welk moment de verlenging van de terbeschikkingstelling aan de orde kan zijn. Artikel 38d Sr bepaalt dat de terbeschikkingstelling twee jaar duurt vanaf de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De officier van justitie stelde dat de verlenging pas in februari 2018 mogelijk is, terwijl de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman betoogden dat de ingangsdatum van de terbeschikkingstelling 11 april 2013 is, de datum van de eerste oplegging met dadelijke uitvoerbaarheid.
Het hof overwoog dat de dadelijke uitvoerbaarheid alleen geldt voor terbeschikkingstelling met voorwaarden en niet voor die met verpleging van overheidswege. Hierdoor kan de maatregel met verpleging niet eerder ingaan dan de onherroepelijkheid van het arrest van het gerechtshof Den Haag op 2 februari 2016. Het hof bevestigde daarom de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering tot verlenging, ondanks de onwenselijke situatie dat de terbeschikkingstelling na de eerdere toetsing in 2015 pas na tweeënhalf jaar opnieuw wordt beoordeeld. Het hof benadrukte dat het aan de wetgever is om hierin verandering te brengen.
Uitkomst: De officier van justitie is niet ontvankelijk in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.