De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor belaging en het opzettelijk vervaardigen van een afbeelding met een technisch hulpmiddel op een niet-publieke plaats. Het hof legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur op, met bijzondere voorwaarden waaronder het volgen van ambulante behandeling en reclasseringstoezicht.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte deze bijzondere voorwaarden oplegde, omdat uit een psychologisch onderzoek zou blijken dat het recidivegevaar laag was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom deze voorwaarden zijn opgelegd, mede op basis van het advies van de psycholoog die het recidiverisico matig tot hoog inschatte.
De Hoge Raad stelde vast dat de volmacht tot het instellen van cassatieberoep formeel onvolledig was, maar dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid omdat het beroep feitelijk door de verdachte was gewild en uitgevoerd. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar zonder gevolgen voor het oordeel.